De afgelopen twintig jaar is er veel veranderd in hoe we naar autisme kijken. Van ‘stoornis’ tot begrip voor neurodiversiteit. Toch is het idee van autisme als te voorkomen dan wel te genezen afwijking, hardnekkig.
Deze week is het Autismeweek, met op donderdag 2 april Wereld Autisme Dag. Een goede gelegenheid om stil te staan bij de stand van zaken wat betreft de acceptatie en waardering van autisme in onze samenleving.
Mijn eigen houding ten opzichte van mijn diagnose autisme is ambivalent en wordt beïnvloed door de bredere maatschappij. In mijn jeugd leek autisme nog vooral als een stoornis te worden gezien, waarbij aanpassing aan de moderne maatschappij het hoogste doel leek te zijn. Nu is het begrip ‘neurodiversiteit’ juist populair.
Kars Terlouw is bestuurskundige en ambtenaar
Dit is een ingezonden bijdrage, die niet noodzakelijkerwijs het standpunt van de Volkskrant reflecteert. Lees hier meer over ons beleid aangaande opiniestukken.
Eerdere bijdragen in deze discussie vindt u onder aan dit artikel.
Al meer dan twintig jaar worden er vragen gesteld bij de inrichting van onze maatschappij en welke rol deze speelt bij het functioneren van personen met autisme. Zo wordt erkend dat prikkels bij personen met autisme hard binnenkomen en wordt hierop ingespeeld door bijvoorbeeld prikkelarme uurtjes in de supermarkt. Ook krijgen de verrijkende kanten van het neurodivergente brein ook meer aandacht; bijvoorbeeld het oog voor detail dat veel mensen met autisme hebben en dat steeds meer opgemerkt wordt door werkgevers.
Al met al probeer ik zelf de moeilijke en pijnlijke kanten van autisme niet weg te moffelen, maar tegelijkertijd de goede en mooie kanten te blijven zien. Toch blijft er wat schuren. Allereerst de ogenschijnlijke onmogelijkheid van een volledig inclusieve maatschappij, die voor mensen met autisme vaak pijnlijk zichtbaar wordt. Het onderwijs en de arbeidsmarkt zijn twee goede voorbeelden.
Zelf heb ik geluk gehad met een ondersteunende leeromgeving op de middelbare school en in het hoger onderwijs, en een werkgever die werk maakt van een inclusieve werkvloer. Maar om mij heen vallen velen nog tussen wal en schip, met alle gevolgen vandien voor hun gezondheid en financiële draagkracht.
Ondanks dat factoren als leerbaarheid, intelligentie en opvoeding hier een rol kunnen spelen, ontkom ik niet aan de indruk dat je als persoon met autisme vaak ook gewoon geluk moet hebben met de mensen, organisaties en regelgeving die op je pad komen en die helaas vaak nog onvoldoende toegesneden zijn op neurodivergente mensen.
In de tweede plaats is de aandacht en waardering voor neurodiversiteit niet vanzelfsprekend. Aandacht voor diversiteit en inclusie wordt nog vaak als ‘woke’ weggezet en ‘autist’ wordt nog altijd als scheldwoord gebruikt. Waar de pijlen van rechts-radicale bewegingen zich nu nog voornamelijk richten op seksuele- en genderdiversiteit, is het niet ondenkbaar dat ook neurodiversiteit in het vizier komt. Vergeet hierbij ook niet dat deze categorieën elkaar vaak niet uitsluiten: uit wetenschappelijk onderzoek blijkt dat mensen met autisme zichzelf bovengemiddeld vaak identificeren als queer.
Ten derde is het idee van autisme als te voorkomen dan wel te genezen afwijking nog steeds aanwezig. Het vereist waakzaamheid om complottheorieën – bijvoorbeeld rond het verband tussen vaccinatie en autisme – blijvend te weerleggen. Aan de randen van het evangelicale christendom wordt autisme soms nog steeds als een ‘demon’ gezien die door gebed uitgedreven moet worden. Dergelijke theorieën en praktijken zijn potentieel schadelijk voor het welbevinden van personen met autisme, en dat is nog zacht uitgedrukt. Er ligt verantwoordelijkheid op de schouders van religieus leiders en opiniemakers om deze denkbeelden geen voeding te geven of te faciliteren.
Als we in deze Autismeweek 2026 de balans opmaken, zijn er dus zowel positieve aanknopingspunten als zorgelijke factoren waarneembaar. Mijn hoop is dat uiteindelijk iedereen – neurodivergent of neurotypisch – de gelegenheid krijgt op te bloeien in deze samenleving.
Wilt u reageren? Stuur dan een opiniebijdrage (max 700 woorden) naar opinie@volkskrant.nl of een brief (maximaal 200 woorden) naar brieven@volkskrant.nl
Geselecteerd door de redactie
Source: Volkskrant