Sinds mijn lievelingsoudoom zo’n ‘niet reanimeren’-tatoeage op zijn borst heeft, maak ik me minder zorgen om hem. Hij vindt zowel doodgaan als leven prima en ik stelde me voor dat dat een soort gemoedsrust met zich meebracht, tot hij zondagmiddag een uur te laat bij me aanbelde en woest door mijn woonkamer begon te stampen. In mijn optimisme was ik helaas even vergeten dat er tussen leven en dood nog een heel inferno aan grijstinten zit.
„Nou ik heb weer eens iemand geholpen hoor!” schreeuwde hij.
Wat bleek: een van mijn nieuwe flatgenoten, een vlotte jongen van begin twintig, was in de hal karton aan het sorteren. Het was een hele stapel, van gescheurde verhuisdozen tot verpakkingen voor meubilair, waar hij met touw handzame pakketjes van maakte voor de oudpapierbak. De knul verzuchtte dat hij zeker nog tien keer op en neer moest naar de container en omdat mijn oudoom een sint-bernard met een pacemaker is, besloot hij om te helpen.
„Maar waarom ben je dan zo boos?” vroeg ik.
„Hij sprak amper tegen me terwijl we al die zooi wegbrachten, maar goed, dacht ik, misschien is hij verlegen. Toen we klaar waren vroeg hij meteen of ik toevallig ook wist hoe je een leertje van een kraan vervangt. Dat wist ik dus ik mee naar binnen (want wat moet je anders met dat soort kennis), leertje vervangen, en op zijn verzoek ook nog even het voordeurslot aangeschroefd. Toen hij ook nog voorstelde om samen een wandkast op te hangen zei ik van nou, ik heb een afspraak. En vervolgens vroeg hij hoeveel ik wilde hebben.”
„Om dat ding op te hangen?”
„Nee, voor wat ik al had gedaan. Hij keek me aan alsof het de normaalste zaak van de wereld was.”
Hij ijsbeerde een extra rondje door de woonkamer.
„Die knaap was echt onaangenaam verrast dat ik niets van hem wilde aannemen”, vervolgde hij, „en opeens dacht ik: het gaat niet om mij betalen maar om het afkopen van schaamte. Hij kon het niet aan dat iemand hem had geholpen zonder er iets voor terug te willen, het veroorzaakte complete kortsluiting. Toen hij me alsnog een briefje van vijftig in de hand wilde duwen werd ik boos. Vreemd genoeg werd hij daar weer rustig van, en liet hij me gaan.”
Hij krabbelde aan zijn baard.
„En ik kon alleen maar denken: waar heeft dat joch zijn mensbeeld vandaan. Maar dat werd enkele tellen laten alweer vervangen door een nog veel treuriger gedachte.”
„Namelijk?”
„Waar zijn ouders waren.”
Elke donderdag de mooiste verhalen over kunst en cultuur: interviews, recensies en achtergronden