Schrijver Joris van Casteren is coördinator bij het begeleiden van eenzame uitvaarten in Amsterdam. Onregelmatig schrijft hij over zijn wederwaardigheden bij dat werk. Zoals bij meneer O., de verlegen man uit een problematisch gezin.
In de Sneeuwbalstraat laat ik op mijn telefoon een foto zien van meneer O., die geruime tijd dood in huis lag. ‘O, wat erg, ik herken hem niet’, zegt buurvrouw Anita vanuit haar portiek. ‘En dat woont gewoon naast je!’
Dat het uitgerekend hier moest gebeuren. In het hechte, oergezellige Floradorp in Amsterdam-Noord. Waar de mensen nog naar elkaar omkijken. Waar unieke tradities bestaan. Zoals het verbranden van kerstbomen, inmiddels verboden door het bemoeizuchtige gezag.
De 52-jarige meneer O. woonde direct om de hoek, op een gehuurde bovenverdieping aan de Wingerdstraat. Zijn huis grenst aan het hare, buurvrouw Anita’s opgang en entree bevinden zich aan de Sneeuwbalstraat.
Het lichaam van meneer O. werd op 29 januari uit de woning getakeld. Buurvrouw Anita had niets in de gaten, tot bij het kruispunt een hele oploop ontstond.
Eerst dacht ze dat het om Bertus ging, een verstokte vrijgezel die ze weleens spreekt. Maar Bertus was gewoon op z’n werk, het betrof de onbekende bewoner van het hoekpand ernaast.
Wekenlang lag meneer O. aan de andere kant van haar muur te verteren. Terwijl zij als thuiswerkende zelfstandige nietsvermoedend achter haar computer zat. ‘Een verschrikkelijk idee.’
We kloppen aan bij een bejaard echtpaar dat volgens buurvrouw Anita alles en iedereen in het Floradorp kent. Maar de oude man, die op sjofele sloffen in de deuropening verschijnt en de foto op mijn telefoon aandachtig bekijkt terwijl hij verschillende brillen op z’n neus zet, herkent meneer O. niet.
De zoon komt erbij, een imposante gestalte op orthopedisch schoeisel. ‘Nooit van m’n leven gezien’, zegt de zoon na een poosje turen. ‘Terwijl ik echt heel goed ben in koppen onthouden.’
Aan mevrouw kunnen we beter niets vragen. Snurkend zit ze in de huiskamer in een stoel. De laatste tijd is ze vergeetachtig, en ook best agressief. ‘We laten ma gewoon lekker slapen’, zegt de zoon.
Op 29 januari zag de oude man ‘een hele zooi smerissen’ aankomen. En vervolgens ‘een lijkwagen waar iets werd ingeladen’. Vanuit de huiskamer kon hij niet goed zien uit welke woning het tevoorschijn kwam.
‘Het was rechts van Bertus’, zegt buurvrouw Karin. De oude man lijkt ook niet te weten wie Bertus is. ‘Is het dat invalide kereltje?’ ‘Welnee’, zegt buurvrouw Anita. ‘Bertus is geen invalide, hij heeft gewoon een baan.’
‘Maar hij heeft toch dat ene zwarte autootje, kom, zo’n dinges. Zo een die Ingrid ook heeft.’ Buurvrouw Anita weet weer niet wie Ingrid is. ‘Volgens mij bedoel jij die ouwe autowasser, pa’, zegt de zoon.
Inderdaad, die bedoelt hij. De zoon zegt dat de oude autowasser in een Toyota Yaris rijdt. ‘Klopt, en hij heeft ook een mobiel’, vervolgt de oude man. ‘Iedereen heeft tegenwoordig een mobiel, pa.’ ‘Een scootmobiel!’
Buurvrouw Anita is de draad kwijt. ‘Heb je het nou over die man die overleden is of niet?’ ‘Nee, ik bedoel de man die jij bedoelt.’ ‘Maar Bertus is niet invalide’, zegt buurvrouw Anita nog eens.
‘Loop er godgloeiende gewoon effe heen, pa!’ zegt de zoon, die vreest dat ma in de huiskamer uit haar sluimer ontwaakt. Hij geeft z’n vader een zetje en gooit de deur met een klap dicht.
We steken de Sneeuwbalstraat weer over, het gaat niet erg snel. ‘Ik heb diabetes en m’n poten zijn finaal naar de klote’, zegt de oude man. De voetzolen geven geen signalen door aan de hersenen, ‘of zoiets’.
Gewoonlijk neemt hij z’n stok mee, maar dankzij de zoon heeft hij die niet kunnen pakken. ‘Want ik kan zomaar inenen omflikkeren.’ Buurvrouw Anita grijpt hem stevig vast.
Op de hoek van de Wingerdstraat wordt alles duidelijk. De invalide autowasser woont links van Bertus. Dat zich rechts ervan nog een adres bevindt, is de oude man nooit opgevallen.
We brengen hem terug en begeven ons vervolgens naar de Lido, een voordelige buurtsupermarkt waar veel Floradorpers boodschappen doen. ‘Er is iemand overleden, maar niemand kent hem’, zegt buurvrouw Anita als we het winkeltje betreden.
De mensen schrikken. ‘Nee, niet nu, alweer een poosje geleden’, voeg ik toe. Opnieuw gaat mijn telefoon van hand tot hand. De foto, afkomstig van een in onbruik geraakt Facebookprofiel, wordt aandachtig bekeken.
Niemand herkent meneer O., het is toch wel ontzettend triest. ‘Zoiets zou hier vroeger nooit gebeuren’, zegt een vakkenvuller. ‘In wat voor wereld leven we toch?’, aldus de caissière.
Meneer O. had een bewindvoerder. Een aardige mevrouw, die ik de volgende dag spreek. In 2019 werd hij bij haar aangemeld, door een buurtteam in Amsterdam-Noord.
Hij was zelf naar dat buurtteam toegegaan, vermoedelijk omdat er iets bij hem was afgesloten. Op het kantoortje van het buurtteam maakte de bewindvoerder kennis met hem, hij wilde niet dat ze bij hem thuis kwam.
Meneer O. arriveerde met een grote zak vol ongeopende post. Hij bleek een zeer omvangrijke man te zijn, ‘formaat sumoworstelaar’, aldus de bewindvoerder. Verlegen zat hij op een voor hem veel te kleine stoel, nauwelijks keek hij haar aan.
De bewindvoerder constateerde dat hij een flinke schuld had opgebouwd. Ooit had hij gewerkt, een begeleid baantje in de groenvoorziening en ook nog iets in de logistiek, maar dat was alweer lang geleden.
Ondanks minimale inkomsten – hij genoot een bijstandsuitkering – lukte het de schuld weg te werken. Meneer O. wilde graag onder bewind blijven, want hij wist zelf ook wel dat er anders opnieuw problemen zouden ontstaan.
Samen schreven ze een brief aan de rechter, de permanente bewindvoering werd bekrachtigd. Vanaf dat moment communiceerde de bewindvoerder alleen nog telefonisch of per app met hem. Het duurde altijd zeer lang voordat meneer O. reageerde.
Ze denkt dat hij veel televisie keek, want hij had abonnementen op meerdere streamingdiensten. Andere uitgaven, los van de boodschappen, waren er niet.
Omstreeks 2021 gaf meneer O. aan te willen sparen voor een fiets, een beetje beweging zou hem goeddoen. Toen er voldoende opzij was gezet, zouden ze samen een rijwiel gaan uitkiezen. ‘Maar die afspraak werd telkens door hem verzet.’
Rond de feestdagen vroeg de bewindvoerder hem per app of hij het kerstgeld waar hij recht op had op zijn betaalrekening wilde ontvangen. Hij reageerde niet, maar dat gebeurde wel vaker. Eind januari besloot ze hem te bellen: geen gehoor.
Bezorgd bekeek ze z’n rekening, en zag dat er op 22 december voor het laatst was gepind. Bij de Lido. Ze nam contact op met het buurtteam. ‘Die zeiden: bel de politie maar.’
Meneer O. is nooit getrouwd geweest, kinderen kreeg hij niet. Hij had een oudere zus die in 2019 overleed, op 49-jarige leeftijd. Zijn moeder werd ook niet erg oud: 47. De vader hield het langer vol, hij werd 70.
Het lukt me om een neef van moederskant op te sporen, hij werkt in een timmerfabriek te Biddinghuizen. Aan meneer O. heeft hij slechts ‘één vage herinnering’.
Dat ze op een middag na school samen voetbalden, op een trapveldje bij de Fazantenstraat in Noord, waar het gezin O. destijds woonde. Ik kan beter zijn moeder benaderen, die weet waarschijnlijk meer.
Deze tante van meneer O. woont in Nieuw-Vennep. Het eenzame overlijden van haar neef grijpt haar bepaald niet aan. ‘Zie je nou wel, dat krijg je er van, denk ik dan bij mezelf.’
Na de dood van zijn zus had ze hem nog een opbeurend bericht gestuurd, op Facebook. Daar had hij nooit op gereageerd. ‘Zoek het dan maar lekker zelf uit, dacht ik toen.’
Het gezin O. werd volgens haar geplaagd door tegenslagen, het fijne weet ze er ook niet van. Een tante van vaderskant zou meer kunnen vertellen, ze geeft me een nummer.
De tante van vaderskant is evenmin aangedaan, zijn droevige lot verbaast haar niet. ‘Wat mij betreft heeft hij het er zelf naar gemaakt.’ De moeder van meneer O. zou uit een ‘asofamilie’ afkomstig zijn. De vader van meneer O. werd door haar in de luren gelegd. ‘En hij liet het altijd maar gebeuren.’
De twee zouden elkaar hebben ontmoet in een Amsterdamse dropfabriek, gevestigd aan de Looiersgracht. Na de geboorte van de kinderen werd de vader chauffeur, in het weekeinde werkte hij bij een benzinestation. ‘Tot inenen z’n benen werden afgezet, vanwege diabetes’, zegt de tante. Hij kwam in de ziektewet, terwijl zijn vrouw veel geld spendeerde.
Toen de schuldeisers kwamen, werkte ze haar gehandicapte echtgenoot het huis uit en liet ze het huwelijk ontbinden. De kinderen bleven bij haar. Een paar jaar later, in 1993, overleed ze aan een hartaanval, in een kroeg bij het Leidseplein die ongunstig stond aangeschreven.
Meneer O. trok in bij zijn berooide vader, die een invalidewoning aan de Westerduinenstraat toegewezen had gekregen. Zijn zus werd naar een pleeggezin in Lelystad gestuurd.
De tante denkt lang na als ik vraag of er misschien iets vrolijks valt te melden over het leven van meneer O. ‘Hij zat een tijdje op zwemmen en was redelijk goed in de schoolslag.’
Volgens haar was meneer O. liever lui dan moe. ‘Het was niet iemand voor een baan, hij leek nergens echt geschikt voor.’ Ik zou eens moeten praten met haar zoon. ‘Die heeft nog het meest contact met hem gehad.’
Deze neef werkt als electricien in een datacentrum. Anders dan andere familieleden is hij wel enigszins ontdaan. ‘Want we gingen best een tijdje met elkaar om.’
De neven ontmoetten elkaar op de verjaardag van de vader, kort na het overlijden van de moeder. Meneer O. zei toen hij dat hij van American football hield. Niet dat hij het zelf zou willen spelen, aan sport deed hij allang niet meer, maar hij zag het graag op televisie.
De neef stelde voor om naar de Amsterdam Admirals te gaan, een Nederlandse Americanfootballclub die uitkwam in de Europese competitie en inmiddels niet meer bestaat.
De Admirals speelden in het Olympisch Stadion. Tijdens de wedstrijden leefde meneer O. helemaal op. Na afloop doken ze de kroeg in. ‘Soms wel tot zes uur in de ochtend.’
Na enkele seizoenen nam meneer O. plotseling een meisje mee, de neef heeft geen idee waar ze vandaan kwam. Het meisje was zeer mager, ze contrasteerden nogal. Ze snapte niets van American football en klaagde over de herrie in het stadion. Na afloop moest meneer O. direct met haar mee.
Met het magere meisje ging hij aan de Wingerdstraat wonen. Vanaf dat moment ging hij niet meer naar de Admirals. Ze overheerste hem zoals zijn moeder zijn vader overheerste.
En net als de moeder ging het meisje ervandoor. Ze vertrok met een ander, meneer O. bleef gebroken achter. Het bordje met hun beider naam is aan de deurpost blijven hangen.
In 2007 waren de Admirals opgeheven, daar konden ze dus niet meer naartoe. De neef stelde voor om naar de bioscoop te gaan. Meneer O. wilde niets, hij was volledig lamgeslagen.
Zo verwaterde het contact. Tot de neef op 5 december jongstleden werd gebeld door een Amsterdams ziekenhuis. ‘Ze hadden mijn nummer gevonden in zijn telefoon, kennelijk was ik zijn enige contact.’
Meneer O. had een hartaanval gekregen. De neef spoedde zich naar het ziekenhuis. ‘Wat doe jij nou hier?’, zei meneer O. Enkele dagen later werd hij ontslagen, de neef reed hem naar het huis aan de Wingerdstraat.
Moeizaam strompelde meneer O. de trappen op, de neef zei dat hij moest bellen als hij zich niet lekker voelde. Met oud en nieuw stuurde hij een bericht dat onbeantwoord bleef.
Begraafplaats Sint Barbara, vrijdag 20 maart. De neef, buurvrouw Anita en de bewindvoerder zijn gekomen. We draaien Iron Maiden voor meneer O., snoeiharde metal die nooit eerder klonk in de kapel, want daar hield hij volgens de neef van.
Buurvrouw Anita weet inmiddels waarom zij en de andere Floradorpers meneer O. niet herkenden. ‘Omdat hij altijd naar de grond keek, niemand wist hoe zijn gezicht eruitzag.’
Toen ze vernam dat hij zo omvangrijk was viel bij haar het kwartje. Ook de oude man, zijn zoon op het orthopedische schoeisel en de mensen bij de Lido wisten toen pas om wie het ging.
Nauwelijks te denken gaf
wat er van je is overgeleverd
al jaren geen thuis
een huisarts borg bij absentie
voortijdig je dossier weg
al bij leven in het vergeetboek ingetekend
zo lijkt ’t, verbrak je elke verbinding
maakte geen annotatie bij andermans bestaan
nog geen vallende ster van een asterisk
maar met dat weinige leefde je
dicht op het eeuwige, nu
dan toch veilig voor de wisselvalligheden –
dat het licht je heeft mogen vinden
Bernard Wesseling schreef dit gedicht speciaal voor de gestorvene en las het bij de uitvaart voor.
Schrijver Joris van Casteren doet in de Volkskrant verslag van zijn wederwaardigheden als coördinator bij het begeleiden van eenzame uitvaarten in Amsterdam. Daarbij leest een dichter, aangesloten bij de zogenoemde Poule des Doods, een gedicht voor de gestorvene voor.
Geselecteerd door de redactie
Source: Volkskrant