is journalist en columnist van de Volkskrant, gespecialiseerd in financieel-economische onderwerpen.
Als de Nederlandse Spoorwegen verlies lijden, is Leiden in last. Maar als De Nederlandsche Bank (DNB) in de rode cijfers raakt, kraait er geen haan naar. Toch zijn ze allebei 100 procent staatseigendom.
In 2025 leed De Nederlandsche Bank een verlies van 987 miljoen euro, zo blijkt uit het vorige week gepubliceerde jaarverslag – ongeveer vijf of zes keer zoveel als de NS. Het jaar daarvoor was het verlies bijna 3,2 miljard en in 2023 zelfs 3,5 miljard. De Nederlandsche Bank teert flink in op haar reserves. Die bedragen nog maar 3,2 miljard euro.
Columnisten hebben de vrijheid hun mening te geven en hoeven zich niet te houden aan de journalistieke regels voor objectiviteit. Lees hier onze richtlijnen.
In de negentig jaar daarvoor leed De Nederlandsche Bank nooit verlies. De minister van Financiën kon bij het opmaken van de begroting standaard het plusje van het door DNB uitgekeerde dividend meetellen.
Vanaf de invoering van de euro in 1999 tot 2022 maakte DNB in totaal 22 miljard euro winst. Dat is 1 miljard euro per jaar – ongeveer het bedrag dat nodig is om de benzine een dubbeltje goedkoper te maken. Nu kost de bedrijfsvoering van de bank al drie jaar meer dan zij oplevert. Ook dit jaar, volgend jaar en in 2028 worden nog verliezen voorzien. Maar die worden kleiner.
Bij de publicatie van het jaarverslag vorige week noemde DNB-president Olaf Sleijpen het verlies voorzienbaar. Al in 2023 voorspelde zijn voorganger Klaas Knot dat de centrale bank de komende vijf jaar verlies zou lijden. Nu kan ook NS-baas Wouter Koolmees zeggen dat de verliezen voorzienbaar zijn, maar hij kan niet beloven dat de NS de staat weer geld oplevert.
Oorzaak van het verlies is gek genoeg de gestegen rente. Tijdens de eurocrisis kocht de Europese Centrale Bank een groot deel van de staatsobligaties van de eurolanden op. Dit om te voorkomen dat de rente te veel zou oplopen en zwakke eurolanden als Italië en Portugal in problemen zouden raken. In totaal ging het om een bedrag van 5.000 miljard (vijf biljoen) euro. Deze opkoopoperaties werden uitgevoerd door de centrale banken van de eurozonelanden.
DNB nam een kleine 6 procent van die aankopen voor haar rekening. Volgens het principe van gelijke monniken, gelijke kappen moesten die aankopen evenredig worden verdeeld over alle eurolanden, inclusief Duitsland en Nederland. Die landen plaatsten toen ook enige tijd obligaties tegen 0 procent of soms zelfs een negatieve rente. Vele miljarden van die obligaties staan nu op de balans en leveren niets op.
Deze obligaties werden gekocht bij de gewone banken, die hierdoor vorderingen kregen op De Nederlandsche Bank. Hiervoor geldt de officiële depositorente, die vorig jaar opliep tot 4 procent. De centrale bank dekt dit risico niet af (hedgen), omdat hierdoor het rentedrukkend effect teniet zou worden gedaan. Gelukkig lopen deze laagrentende obligaties af, zodat de verliezen vanzelf zullen afnemen, zo verwacht De Nederlandsche Bank. Hopelijk is er dan, net als na negentig jaar lang het geval was, weer winst.
Alleen is de wereld, en met name de eurozone met de oplopende schulden, te woelig om daar een voorschot op te nemen.
Geen column meer missen?
Volg uw favoriete columnisten via de app.