Home

De mandenmakers van De Mythe willen niet te veel verdienen: ‘We zijn een antikapitalistische mandenmakerij’

Jan de Vos en José Schilder runnen een van de laatste mandenmakerijen van Nederland. Geld verdienen is daarbij niet de drijfveer. ‘We willen een eerlijk product maken. En niet meer nemen dan we nodig hebben.’

is economieredacteur van de Volkskrant. Ze schrijft over (web)winkels, post en hergebruik.

Het komt niet vaak voor dat een ondernemer, als de Volkskrant deze benadert voor een interview, zegt: ‘O nee, dan krijg ik straks méér opdrachten, en dat wil ik helemaal niet.’ Het typeert Jan de Vos (63).

Hij en zijn vrouw José Schilder (61) runnen al 26 jaar een mandenmakerij vanuit hun boerderij in Zuidschermer. Maar ze zijn in vele opzichten geen typische ondernemers. Zo heeft Jan geen mobiele telefoon, werkt het stel liever niet te veel samen met andere bedrijven (‘we hebben liever direct contact met de klanten’) en willen ze niet te veel winst maken omdat dat voelt ‘alsof we misbruik zouden maken van onze klanten’, vertellen ze boven een koffie in de keuken van hun boerderij. ‘Je kunt ons wel een antikapitalistische mandenmakerij noemen.’

De twee leerden elkaar begin jaren negentig kennen bij de donateursdag van de stichting Wilg en Mand, vertelt Schilder. ‘De stichting bestond eigenlijk alleen uit een oudere generatie mandenmakers.’

Verdwijnend ambacht

Het ambacht was jarenlang van vader op zoon overgedragen en was sinds de oorlog aan het krimpen. ‘De oudere mannen in de stichting wilden het ambacht niet verloren laten gaan, maar ze zeiden ook tegen hun zonen: kies iets anders, want je kunt hiermee geen goede boterham verdienen.’

De Vos en Schilder waren toen nog hobbymandenmakers. Bij een cursus werd José verliefd op het ambacht. Jan was hovenier bij een tuincentrum en deed het erbij. De vonk sloeg over, na een paar jaar vriendschap kregen ze een relatie.

Dat ze samen een bedrijf zouden starten, was een gegeven. Beiden spreken na 26 jaar nog steeds vol vervoering over beroep, over ‘de eenvoud van het met je handen werken’, en ‘de oerkracht’ die daarin schuilt. Dat hun in die begintijd telkens werd afgeraden om van hun hobby hun werk te maken, deed José, de nuchtere van de twee, weinig. ‘Dit was wat ik wilde.’ Bij Jan maakte het iets anders los. ‘Ik wilde bewijzen dat het wel kon.’

Zwaar werk

En het lukte. In die eerste jaren maakten ze vooral gevlochten schuttingen van wilgentakken, gaven cursussen en deden werk in opdracht, zoals een gevlochten doolhof voor Staatsbosbeheer en een 16de-eeuwse wieg voor het Rijksmuseum. Ook stonden ze vaak op markten. Er kwamen kinderen en het gezin kon ‘prima’ rondkomen.

Dat betekent niet dat het makkelijk was. Mensen op de markt vonden 80 euro voor een boodschappenmand steeds vaker te duur, ‘terwijl je daar zeker vier uur werk aan hebt en die vaak veel langer meegaat dan veel manden uit Oost-Europa en Aziatische landen.’

Manden maken van begin tot eind is geen sinecure, blijkt als ze hun bedrijf laten zien. Op het veld achter de boerderij worden de verschillende wilgensoorten verbouwd en eens per jaar gesnoeid. De wilgentenen worden vervolgens gesorteerd en gedroogd.

Voordat het mandenmaken kan beginnen, worden de wilgentenen weer in water gelegd. Daarna begint het pas echt: eerst maak je een bodem en dan werk je omhoog, wijzen de mandenmakers in de werkplaats. Het kost jaren voordat je netjes en consistent kunt werken, en het werk is lichamelijk zwaar.

Duurzame lijkbaren

In de werkplaats zijn vooral grafmanden en baren te zien: uitvaartkisten van wilgentenen, en baren waarin een overledene tijdens het afscheid ligt, gehuld in een lijkwade. Het stel maakt deze sinds 2001 en ze worden steeds populairder in Nederland. Ze zijn duurzaam en mooi: vaak leggen nabestaanden de lijkwade helemaal vol met bloemen.

Een grafmand met deksel kost zo’n tweeënhalve dag om te maken, vertelt De Vos als hij een model in een bootvorm laat zien. De kosten? ‘1.000 euro inclusief btw. Dat is dus 45 euro per uur.’ Om dit ook voor mensen met een kleine beurs mogelijk te maken, werkt hij nu aan een deelbaar: een baar met een plank erin die niet de verbrandingsoven ingaat en dus ook nog door iemand anders kan worden gebruikt. ‘Maar crematoria moeten nog aan dat idee wennen.’

In 2017 ging het alsnog mis met Jan. De vraag naar grafmanden was zo hard gegroeid dat hij het niet meer kon bolwerken: hij raakte overspannen. Het stel besloot daarop te stoppen met het verkopen op markten (‘dat kostte veel energie) en het geven van cursussen (‘we kregen veel mensen die dit van hun bucketlist wilden afstrepen, of die op het erf stonden te huilen als het niet lukte’). Het was het ambacht dat De Vos er weer bovenop hielp, vertelt hij.

Vast in het systeem

De liefde voor het vak proberen ze door te geven aan mensen die bij hen in de leer gaan. Ze zijn optimistisch, want er komen steeds meer aanvragen. Veelal mensen die hebben gestudeerd ‘en voelen dat ze vastzitten in het economisch systeem’. Dat is goed nieuws voor de overlevingskans van hun ambacht. Toch blijft het spannend, zegt De Vos, want ‘je moet wel dapper zijn om je baan hiervoor op te zeggen’.

Het valt niet mee om je te onttrekken aan geld verdienen in Nederland, besluit hij, als hij over het erf uitkijkt. Misschien dat hun dochter in de toekomst de knoop beter weet te ontwarren. ‘Zij studeert ergotherapie en toont steeds meer interesse in het mandenmaken. Misschien dat ze van de boerderij een plek kan maken voor mensen die de weg kwijt zijn. Om hen weer rust te laten vinden in het vlechten.’

De onderneming

In deze wekelijkse rubriek vertellen ondernemers over hun bedrijf. Vandaag: Mandenmakerij De Mythe, opgericht in 2000 door Jan de Vos en José Schilder, die vier mensen in de leer hebben. Omzet: 80.000 euro.

De rest van de broodtekst

Source: Volkskrant

Previous

Next