Neeltje Bos-van der Graaf is 100 jaar. Hoe kijkt de moeder van twee adoptiekinderen terug op de eeuw die achter haar ligt?
Neeltje Bos woont in een hypermodern woonzorgcentrum in Alphen aan den Rijn. Haar ruime appartement heeft een elektronisch slot, en als ze een verzorgende oppiept, antwoordt een mechanische stem uit een display aan de muur dat haar oproep is ontvangen. Er is alleen niet aan gedacht dat er ook ouderen zijn die zich in een rolstoel voortbewegen; het aanrecht van de keuken is te hoog voor de 100-jarige, waardoor ze zelf geen thee of koffie kan zetten.
Hoe gaat het met u?
‘Goed. Ik mankeer niks. Ik leef mee met wat er buiten gebeurt, en probeer alle ontwikkelingen bij te houden. Om 11 uur ’s avonds luister ik altijd naar het laatste buitenlandse nieuws. Ik schrik erg van wat er nu gaande is in Iran, Libanon en de Golfstaten. Het gaat helemaal fout daar. Het zal toch niet zo zijn dat ik nóg een wereldoorlog ga meemaken?’
Hoe bent u de Tweede Wereldoorlog doorgekomen?
‘Persoonlijk heb ik er niet zo’n last van gehad. Een jaar na het begin van de oorlog, op mijn 16de, ben ik bij een tante en oom in Leiden gaan wonen om hun melkwinkel te bestieren. Daar was ik eigen baas. Mijn oom was veehandelaar en mijn tante was druk met haar drie kindertjes. Ik verdiende 20 gulden per maand, dat zette ik op mijn spaarbankboekje.
‘Mijn oom en tante hadden het heel goed. Ze hadden inwonend personeel. Hun huis telde wel elf kamers, ik kreeg de zolderkamer, met uitzicht op de Rijn. Elke middag aten we een warme maaltijd, met zeventien mensen aan tafel. Mijn tante nodigde kinderen uit de buurt uit, van gezinnen waar honger was. Het nadeel van zo’n groot huis was dat de Duitsers een kamer vorderden voor officieren. We hadden er geen last van, ze sliepen er alleen maar.
‘In de melkwinkel kon ik onze klanten geregeld een kwart liter melk extra geven. Die melk kwam van de koeien die de Duitse bezetter in beslag genomen had van Nederlandse boeren. Voordat de koeien op transport werden gesteld naar Duitsland, werden ze in de stallen naast het station afgemolken – die melk ging naar mijn winkel. Sommige klanten kwamen even later verkleed terug, in de hoop dat ze nóg een kwart liter konden krijgen.’
Aan welke gebeurtenis uit uw jeugd denkt u het vaakst terug?
‘Aan de verhuizing. Een jaar voor mijn geboorte waren mijn ouders getrouwd en hadden voor tien jaar een boerderij gehuurd in Gouderak. Daar gingen ze boeren, met koeien, varkens en een paard. Toen die tien jaar voorbij waren, hadden ze niet genoeg geld om de huur voort te zetten. Er was een economische crisis, een arme tijd, waarin veel mensen honger hadden.
‘Van Gouderak verhuisden we naar Alphen aan den Rijn, naar een boerderij die wel betaalbaar was. De grote meubelen gingen met onze kalveren, koeien en varkens in een vrachtwagen. De kleine spullen verhuisde ik samen met mijn vader met paard en wagen. Onderweg, bij Bodegraven, begon het ineens hard te regenen en onweren. Ons paard bond mijn vader vast aan een paal en wij doken snel onder de kar. Dat was een fijn moment, samen schuilend.
‘Op de boerderij in Alphen had mijn vader hulp nodig, maar hij kon geen knecht betalen. Hij vroeg het hoofd van de lagere school of ik eerder van school kon komen om hem te helpen, Ik was 9 of 10 jaar. Ik kreeg twee middagen in de week vrij. Elke ochtend om 4 uur moest ik mijn warme holletje uit om op het land de koeien te melken.
‘Na de lagere school ging ik meteen aan het werk. Mijn zusje nam mijn werk op de boerderij over, en voor mij had mijn vader een dienstje geregeld bij een andere boer - dat was de hele dag schrobben. Soms voelde ik me uitgebuit, ik kreeg maar 12,50 gulden per maand. Dat ik drie maaltijden per dag kreeg, scheelde mijn ouders een mond om te vullen.’
Hoe herinnert u zich uw ouders?
‘Mijn vader was een lieve, zachte man. Hij was nog maar een baby toen zijn ouders stierven aan tbc. Met zijn zusje werd hij bij familie ondergebracht. Dan ben je toch een soort van tweedehands. Dat moet hem getekend hebben, maar hij sprak er nooit over.
‘Mijn moeder was een lief vrouwtje, heel rustig, met veel geduld. Toen ze op oudere leeftijd last kreeg van dementie, is ze op een vroege ochtend op zoek gegaan naar mijn vader, tussen de koeien op het land – waar hij helemaal niet was. Onderweg is ze bij de ’s Molenaarsbrug in de Rijn gevallen, en verdronken. Dat was heel verdrietig, maar zo is het leven.’
Heeft u het jammer gevonden dat u niet kon doorleren?
‘Ja, ik had veel gemist. Na afloop van de oorlog dacht ik: ik ga kijken of ik nog iets kan bijleren, en ben cursussen Engels en Frans gaan volgen. En later heb ik naast mijn werk opleidingen gedaan, zoals een cursus catering aan een Slagersvakschool – in de jaren tachtig begon ik een cateringbedrijf. De garage in ons huis in Dordrecht verbouwden we tot een grote keuken, de keuringsdienst kwam inspecteren. Daar heb ik heel wat salades en hapjes gemaakt voor feesten en partijen, mijn man bezorgde ze. Op mijn 69ste ben ik ermee gestopt. Vanaf mijn 12de had ik altijd hard gewerkt. Leen en ik hebben een slagerij gerund in Leiden, daarna een nertsfokkerij, een sigarenzaak en voordat ik de cateringservice begon, weer een slagerij in Dordrecht. Ik was een bezige bij, niet het type om op een stoel te zitten met een poes of een breiwerkje.’
Wie was uw grote liefde?
‘Ik heb er drie gehad. De derde werd mijn man, Leen Bos. We leerden elkaar kennen na de oorlog, toen we de vrijheid vierden en er veel werd gedanst. In 1950 zijn we getrouwd, in Leiden, waar ik nog inwoonde bij mijn tante en oom. Leen had rood haar, ik zwart. Ik dacht: ‘Ik ben benieuwd wat daar uit gaat komen’, maar er kwam niks, we konden geen kinderen krijgen.
‘In die tijd was het zo als je ging trouwen: de man zorgde voor een zaak en de vrouw voor de inboedel. Leen huurde een slagerij en ik kocht van mijn spaargeld onze eerste meubelen. De slagerij runden we samen, ik stond in de winkel. Begin jaren vijftig was er grote schaarste in Nederland, op een gegeven moment mocht je van de regering na 18 uur geen goederen meer leveren. Toen hebben we een gat van 1 bij 1 meter gemaakt in de muur tussen onze slagerij en het restaurant naast ons, zodat we de kok toch nog vlees konden leveren als hij te kort kwam. Niemand die het zag.’
U vertelde dat u en uw man geen kinderen konden krijgen.
‘We wilden graag twee kinderen adopteren, uit Griekenland. Tijdens vakanties hadden we een goede indruk gekregen van het land en de mensen. We vroegen om hulp van de kerk, de gemeente en de ambassade van Griekenland, maar die kwam niet. Leen was 41, ik 39, we wilden niet langer wachten en zijn ze toen zelf gaan halen, met hulp van een student die Grieks sprak. Met de auto reden we naar Griekenland.
‘We hadden uitgezocht wat goede kindertehuizen waren en mochten komen kijken. Wat meteen opviel, was dat er heel veel jongens waren, en weinig meisjes. Op mijn vraag hoe dat kwam, hoorde ik dat Grieken een meisje adopteren als ze geen dochter hebben, zodat ze later iemand hebben die voor hen kan zorgen.
‘Een keuze maken uit al die kinderen was ongemakkelijk en verschrikkelijk moeilijk. We wilden graag twee baby’s, want hoe jonger hoe makkelijker ze aan je wennen. In een kindertehuis in Athene kozen we een meisje en een jongetje die ons meteen aantrokken, waarom is moeilijk te beschrijven.
‘Voordat we ze konden meenemen, moesten eerst de moeders worden gevonden en voor de rechtbank verklaren afstand te doen van hun kinderen. Waarom ze hun baby’s in een kindertehuis hadden ondergebracht, weet ik niet. In die tijd was het in Nederland zo dat als je ongehuwd zwanger raakte, je na de geboorte meestal afstand moest doen van je kind.
‘Leen reed met de auto terug naar huis, ik ging vliegen, met in elke hand een reiswieg. Op Schiphol stond familie ons op te wachten, een bijzonder moment.’
Hoe is het met uw adoptiekinderen in het gezin gegaan?
‘Je hoort weleens dat er problemen ontstaan; bij ons niet. Ik denk dan: kijk als volwassenen eerst naar jezelf, voordat je naar de kinderen wijst. Je moet leren omgaan met kinderen die niet van jezelf zijn, en ze accepteren zoals ze zijn. Leen was dol op ze en een leuke vader die hield van een geintje. Mijn zoon en dochter zijn nooit op zoek gegaan naar hun biologische ouders.’
Wat is het beste besluit dat u ooit heeft genomen?
‘Besluiten heb ik niet genomen. Alles ging vanzelf, in het leven kom je van het ene in het andere terecht.’
geboren: 27 april 1925 in Gouderak
woont: in een woonzorgcentrum in Alphen aan den Rijn
familie: 2 kinderen, 1 kleinkind, 1 achterkleinkind
beroep: boerin, dienstmeisje, verkoopster, ondernemer
Weduwe sinds 2013
Geselecteerd door de redactie
Lees hier alle artikelen over dit thema
Source: Volkskrant