De ‘Matthäus-Passion’ van dirigent Mäkelä bij het Concertgebouworkest is mild, en dat had niet gehoeven met zulke sterke musici tot zijn beschikking. De zangers komen niet allemaal uit de verf.
schrijft voor de Volkskrant over opera.
Na het slotakkoord van de Matthäus-Passion duurt het een hele minuut voordat Klaus Mäkelä zijn lichaam ontspant, het teken dat het publiek mag klappen. De aanstaande chef-dirigent van het Koninklijk Concertgebouworkest oogt geëmotioneerd en uitgewrongen.
Geef hem eens ongelijk. Mäkelä, die pas vanaf 2027 officieel als chef aantreedt, zet met zijn eerste Matthäus de lange passietraditie van het orkest voort. Niet altijd leidt de chef-dirigent de lijdensweg van Jezus in de beschouwelijke vertelling van Bach. Willem Mengelberg, Eduard van Beinum, Eugen Jochum (die enkele jaren chef was naast Bernard Haitink) en Riccardo Chailly gingen Mäkelä voor.
De Matthäus van Mäkelä is mild, zonder hoge contrasten en grote retorische gebaren. Meteen in het openingskoor legt hij met het Nederlands Kamerkoor en het Nationaal Kinderkoor de nadruk op een homogene klank, eerder dan op de tekst. Flonkerende strijkers omlijsten de koralen. Mäkelä kiest voor klankschoonheid en zachte ritmiek boven theatrale scherpte.
Daar is niets mis mee, maar je zou wensen dat hij minder ontzag voor Bach toont en de muziek duidelijkere contouren geeft, zeker met zulke musici tot zijn beschikking. Een ijzersterke continuo-groep (orgel, klavecimbel, strijkers) rijgt alles aan elkaar en de solo’s op fluit, hobo en viola da gamba zijn buitengewoon. De zangsolisten daarentegen verkeren niet allemaal in topvorm.
In de rol van de Evangelist kampt tenor Maximilian Schmitt met een tegenstribbelend hoog register. Toch creëert hij samen met de stevige bas Matthew Brook als een ongenaakbare Jezus aangrijpende scènes, zoals wanneer Christus zijn laatste adem uitblaast.
Je hebt te doen met tenor Laurence Kilsby, die veel smart legt in Ich will bei meinem Jesum wachen: zijn fraaie stem verschraalt telkens weer onder druk. Er is ook iets vreemds aan de hand met bas Krešimir Stražanac. Vanaf het balkon klinkt het alsof hij de helft van zijn noten inslikt en hij is het ook niet altijd eens met Mäkelä over het tempo. Jammer van het hakkelige Gebt mir meinen Jesum wieder!, want het voortstuwende vioolspel van Tjeerd Top verdient beter.
Sopraan Joelia Lesjneva en countertenor Tim Mead leveren wel vocale pieken. Hoor haar verontwaardiging in Blute nur. Of zijn door spijt geslepen lijnen in Erbarme dich, afgezet tegen de ingetogen vioolsolo van Daniel Cho. Treurend versmelten hun stemmen in So ist mein Jesus nun gefangen, waarna het koor uitbarst in de precieze woede van Sind Blitze, sind Donner. Zulke momenten voorspellen veel moois in de toekomstige Bach-passies van Klaus Mäkelä.
Klassiek
★★★☆☆
Door het Koninklijk Concertgebouworkest, het Nederlands Kamerkoor, het Nationaal Kinderkoor en zangsolisten o.l.v. Klaus Mäkelä.
27/3, Concertgebouw, Amsterdam. Terugluisteren op npoklassiek.nl.
Geselecteerd door de redactie
Source: Volkskrant