Ongelijkheid Hoewel de vermogenskloof in Nederland alsmaar groeit, is er weinig politieke steun voor grote veranderingen. Volgens Jacob Boersema en Madeleijn van den Nieuwenhuizen kunnen we wat dat betreft iets leren van progressief Amerika.
AOC streek vorige maand neer in Duitsland. Het Amerikaanse congreslid Alexandra Ocasio-Cortez, bekend onder die afkorting, is een belangrijke kanshebber voor de Democratische presidentsnominatie in 2028. De Amerikaanse pers legde haar Europese optreden onder een vergrootglas.
Jacob Boersema is socioloog en historicus en geeft les aan New York University.
Madeleijn van den Nieuwenhuizen is rechtshistoricus aan de City University of New York.
De Nederlandse media hadden weinig aandacht voor haar belangrijkste boodschap aan Europa: economische ongelijkheid is een directe voedingsbodem voor autoritaire politiek. „Als we werkende mensen geen tastbare verbeteringen bieden”, waarschuwde ze, „glijden we af naar een geïsoleerde wereld die wordt bestuurd door autoritaire leiders die de gewone mensen óók niets te bieden hebben.”
Voor Nederlanders klinkt die retoriek misschien ongemakkelijk. Komt een Amerikaan ons de les lezen over ongelijkheid? Toch valt juist vanuit de Verenigde Staten op hoe weinig gepolitiseerd de vermogenskloof in Nederland nog is — en hoeveel ruimte dat ook hier laat aan radicaalrechts.
U kunt ondertussen vast meer Amerikaanse miljardairs noemen dan Nederlandse. Nu is dat geen doodzonde, maar het onderstreept de stelling van socioloog Jan Willem Duyvendak dat vermogensongelijkheid amper als probleem wordt ervaren, terwijl het de diepste kloof is die Nederland kent. Het past niet bij ons zelfbeeld, maar volgens Duyvendak en andere onderzoekers is de ongelijkheid slechts in een paar Europese landen groter dan in Nederland. Baanbrekend onderzoek wijst bovendien uit dat de superrijken in Nederland, zodra je hun werkelijke inkomen meerekent, effectief maar ongeveer half zoveel belasting betalen als de gemiddelde Nederlander
Intussen verhoogde het kabinet-Schoof het defensiebudget met bijna vijf miljard euro. Om dit te betalen, speelde het kabinet-Jetten onder andere met het idee om het ouderschapsverlof te versoberen. De diepe zakken van de vermogenden lijken de laatste plek waar het nieuwe kabinet de ‘vrijheidsbijdrage’ zoekt.
Aan pogingen om de vermogenskloof te agenderen, heeft het niet ontbroken. Sinds de financiële crisis van 2008 hebben sociale bewegingen, economen en andere intellectuelen herhaaldelijk blootgelegd hoe rijkdom zich aan de top ophoopt en wat daar de gevolgen van zijn. Ook politiek werd het thema telkens aangesneden, van Kamerdebatten tot in linkse verkiezingsprogramma’s. Onlangs sprak econoom Gabriel Zucman de Kamer nog waarschuwend toe. Toch blijft een doorbraak uit.
Dat heeft in eerste instantie te maken met de machtsverhoudingen. Sinds 2010 regeert de VVD onafgebroken en voert zij een economisch beleid dat gunstig is voor vermogenden: het belasten van fictief rendement in box 3, het behoud van de hypotheekrenteaftrek en lage erf- en vennootschapsbelastingen. Vanuit dat perspectief is het economische beleid van het kabinet-Jetten geen breuk, maar een voortzetting.
De VVD beheerst al jaren niet alleen ons economische beleid, maar ook ons economische verbeeldingsvermogen. Politicologen noemen dat issue ownership: kiezers zien de partij als de vanzelfsprekende en beste beheerder van de economie. Die reputatie heeft een sociale basis die politiek is opgebouwd. Het beleid van de afgelopen decennia stimuleerde huizenbezit en beschermde vermogensgroei, waardoor er simpelweg een steeds grotere groep is ontstaan die belang heeft bij het behoud van regelingen als de hypotheekrenteaftrek en bij het uitblijven van herverdeling.
En met effect. Opinie-onderzoek laat zien dat minder dan de helft van de Nederlanders vóór een verhoging van vermogensbelasting is. Ze zijn zelfs voor een aanzienlijke verlaging van erfbelasting en tegen belasting op schenkingen.
Zijn we nou eenmaal een rechts land als het op vermogen aankomt? Dat hoeft niet per se. Er is ook een andere verklaring voor het uitblijven van vermogenskloof als politiek thema. Rechts presenteert maatregelen die de vermogensongelijkheid verkleinen, zoals het afbouwen van de hypotheekrenteaftrek, steevast als een bedreiging voor starters en gezinnen. Herverdeling klinkt en voelt dan niet als een correctie op scheefgroei, maar als een aantasting van zekerheid. Angst voor verlies van welvaart en status wordt zorgvuldig ingezet.
Rechts gebruikt ook de figuur van ‘de hardwerkende Nederlander’ om de bevolking te verdelen. De morele scheidslijn van ‘hardwerkend’ loopt uitdrukkelijk niet tussen grote vermogens en de gewone Nederlanders, maar dwars door die laatste groep heen: tussen wie zijn geld zogenaamd eerlijk verdient en wie slechts zou parasiteren. Waarbij de parasiet niet de belastingvrije multinational of de pandjesbaas met een passief inkomen is, maar de zogenaamd luie of uitkeringtrekkende burger.
Juist omdat vermogen zo weinig zichtbaar is — het zit in bakstenen, fondsen en digitale portefeuilles — is er veel ruimte voor verbeelding. Wie de vermogenskloof politiek wil maken, heeft naast plannen vooral een taal nodig waarin herverdeling niet langer klinkt als afpakken. Zolang rechts begrippen als ‘zekerheid’ en ‘hard werken’ monopoliseert, blijft vermogen buiten schot.
Precies daar lijkt nu een opening te ontstaan. De verbazing dat ook het kabinet-Jetten de vermogenskloof grotendeels ongemoeid laat, heeft voorzichtig een debat losgemaakt. Voor de oppositie ligt daar een kans: niet slechts om de verzorgingsstaat te verdedigen, maar om de verdeling van bezit zelf tot politiek strijdpunt te maken — in een landschap waarin rechts het economische debat domineert en radicaalrechts de schuld bij de immigrant legt.
In de Verenigde Staten is ongelijkheid al veel sterker gepolitiseerd. Het is verleidelijk dat toe te schrijven aan hun grotere kloven, of aan een paar charismatische figuren als Zohran Mamdani, maar hun succes staat of valt met iets anders: een solidariteitsbeweging voorbij individuele grieven. Mensen verbinden rond een materiële werkelijkheid van te hoge huren, onzekere arbeid, uitgeklede voorzieningen en een economie die rijkdom naar boven trekt.
Hoe laat je de kiezer de vermogenskloof voelen? Amerikaanse progressieve campagnes laten zien dat politieke dramaturgie daarbij een hoofdrol speelt. Ze doorbreken de in Nederland zo hardnekkige, maar valse tegenstelling tussen ‘economische’ en ‘culturele’ thema’s door te laten zien hoe die in de politieke praktijk in elkaar grijpen. Een strategie die rechts al langer toepast, door bijvoorbeeld de schuld voor de woningnood in de schoenen van statushouders te schuiven. Maar waar links zelden effectief op antwoordt.
In toespraken van Ocasio-Cortez en Mamdani keert steeds dezelfde gedachte terug: rechtse politici wakkeren haat en verdeeldheid aan om de aandacht af te leiden van economische belangen, lobby’s en corruptie. Racisme verschijnt daarbij niet alleen als moreel kwaad, maar ook als politiek instrument dat economische machtsverhoudingen verhult en beschermt. Hun toespraken beginnen vaak bij herkenbare ervaringen — de huur die te hoog is, het koophuis dat onbereikbaar wordt — en wijzen dan op de vijandige krachten die van die schaarste profiteren. Daarna volgt de oplossing: solidariteit en collectieve actie.
In eerste instantie draait het om behendig koppelen van thema’s. Zo trekt AOC soepel een lijn van stijgende premies en uitgeholde voorzieningen naar Trumps keuze om juist méér geld naar repressie en grenshandhaving te sturen. Toen zij onlangs op de trappen van het Capitool in Washington DC naar het enorme budget van de politiedienst ICE werd gevraagd, zei ze: „Dat geld komt uit de bezuinigingen op jouw gezondheidszorg.” Ze deed precies wat links in Nederland te weinig doet: budgetkeuzes verbinden met machtskritiek.
Effectieve dramaturgie vereist een vijandbeeld. Rechts heeft afgelopen jaren een scherp vermogen ontwikkeld om vijanden te benoemen. In populistische verhalen zijn er duidelijke boosdoeners: de immigrant en de asielzoeker aan de onderkant, de ‘woke elite’ en Brussel aan de bovenkant. Links vermijdt vaak vanuit moreel oogpunt zulke simplificaties, en heeft moeite om een eigen politieke tegenstander te formuleren. Abstracte begrippen als ‘neoliberalisme’ of ‘marktwerking’ zijn analytisch correct, maar spreken niet tot de verbeelding. Zonder duidelijk vijandbeeld blijft het onduidelijk waarvoor of waartegen je knokt. En gaat uiteindelijk rechts met de ontevredenheid van kiezers aan de haal.
Een enkele keer doorbreekt links in Nederland de abstractie, zoals met de campagne tegen Prins Bernhard als huisjesmelker. Een structureel probleem — de roofzuchtige woningmarkt — kreeg een gezicht, een klassencode en een morele lading. De woningmarkt is op dit moment de plek waar links de vermogensongelijkheid het meest invoelbaar en urgent weet te maken. Voor erfbelasting of het belasten van multinationals lukt dat nog niet goed.
Wie de vermogenskloof politiek wil maken, zal daarom iets moeten leren van de Amerikaanse progressieven, of dichter bij huis van de Spaanse premier Pedro Sánchez, die migratie koppelt aan economische welvaart en het financieren van de verzorgingsstaat. Niet door hun standpunten klakkeloos te kopiëren, maar door hun politieke logica toe te passen: maak economische structuren zichtbaar, verbind ze aan herkenbare belangen en breng losse grieven samen in een gedeeld belang. Zo ontworstelt de vermogenskloof zich uit excelsheets en box-3-rapporten en kan ze haar rechtmatige plek innemen – als zaak van iedereen. Een klassenstrijd, zo je wilt.
Begin de dag met de belangrijkste politieke ontwikkelingen uit Den Haag