Propaganda is een glibberige zaak. Dat dacht ik bij het kijken van Onze man bij de vijand van Thomas Erdbrink. Zijn Rusland-serie heeft geen boodschap, vertelde hij in een interview met Buitenhof, en zeker geen pro-Russische, in NRC. Om dat laatste kracht bij te zetten, benadrukt hij dat het de Russen waren die Oekraïne binnenvielen, niet andersom. En hij noemt het conflict ‘oorlog’, geen ‘speciale militaire operatie’. Dus nee, niks propaganda, hij staat als journalist open voor alle kanten. Terecht.
Laat me een paar dingen noemen die me opvielen bij het kijken. Het viel me op dat Erdbrink over een Russische soldaat zegt dat die gruwelijk geweld heeft „gezien en meegemaakt”, maar niet gepleegd. Dat omdat de VS ook aan landjepik doen, we misschien „met heel andere ogen” naar Rusland moeten kijken. Dat een aflevering over een Rus die een Oekraïner met een mes doodde, volledig draait om de vraag of deze Rus daar een trauma aan heeft overgehouden.
En er viel me veel meer op. Feitelijke onjuistheden (in WOII vielen niet 27 miljoen doden „aan Russische kant”, want Sovjet-burgers zijn niet per definitie Russen, al zou Poetin die twee graag gelijkstellen), het niet doorvragen naar de doodsoorzaak van Navalny, de denkfout dat Rusland hetzelfde is als Iran; maar het is te veel om scène voor scène te ontleden. Het kost altijd meer tijd om propaganda tegen te spreken dan om het te verspreiden, en ook als je die moeite doet, loop je in de val die propaganda zet.
Want succesvolle propaganda hoeft niemand te overtuigen. Twijfel zaaien is genoeg. Nederlanders zullen niet snel geloven dat Poetin een held is. Maar je kan hun gevoel van waarheid doen wankelen. Zoals door Erdbrinks reactie op de suggestie van een geïnterviewde dat Oekraïners op eigen burgers schoten: de waarheid „laat zich niet zo makkelijk vangen”. Dat er nu in Nederlandse kranten wordt besproken of het de Oekraïners waren die het theater in Marioepol opbliezen, is al propaganda-winst.
Wat is verder de afdronk van deze „boodschaploze”-serie? Hij eindigt met een overdenking over het spel van heldenverering, dat „al eeuwenlang gespeeld wordt”. „Totdat”, concludeert Erdbrink, „in het land van de vijand, maar ook dat van onze vrienden, íémand tot rede komt, en die patstelling durft te doorbreken”. Oftewel: Rusland en Oekraïne moeten allebei bij zinnen komen en deze waanzin stoppen.
Dat is misschien Erdbrinks belangrijkste conclusie: oorlog is zinloos. Eens. Zomaar mensen in een buurland vermoorden is zinloos. Maar je land verdedigen tegen een imperialistische dictator, zodat jouw land niet ook onder deze dictatuur belandt, is niet hetzelfde. En maar een van de twee partijen heeft er baat bij om dat onderscheid te vertroebelen.
In Buitenhof gaf Erdbrink nog wat beleidsadvies. We kunnen Oekraïne blijven steunen, zei hij, maar als we zien hoeveel Oekraïners en Russen sterven „vanwege de beslissingen van hun leiders” (niet die ene leider), dan is het volgens hem de rol van Europa om „te gaan bemiddelen in oorlogen, om ook gesprekken aan te gaan. En nogmaals, de serie heeft geen boodschap”. Grappig. Mijn gedachten schoten naar FVD’er Ralf Dekker die deze week voorstelde Oekraïense steun te stoppen. „Zowel Oekraïne als Rusland zijn bezig met bloedvergieten, wat wij ten zeerste afwijzen.”
Goede propaganda doet een appèl op je redelijkheid, medemenselijkheid zelfs, en bovenal: op je afkeer van oorlog. In die geest neemt Erdbrink zijn kijkers aan de hand en leidt ze naar dat aanlokkelijke, knusse grijze gebied waar alle onderscheid tussen dader en slachtoffer vervaagt, en er enkel nog ‘tragedie’ overblijft. En er valt nog best wat voor te zeggen dat oorlog uiteindelijk, als het stof is neergedaald, alleen maar verliezers kent. Maar het stof is nog niet neergedaald, en dit is geen contemplatieve human interest achteraf. Deze serie verschijnt terwijl de oorlog in volle gang is, de uitkomst ongewis, en afhangt van Europese beleidskeuzes. En Erdbrink zich maar afvragen waarom hij toch toestemming kreeg om te filmen.
Het zou hem sieren als hij net zo eerlijk uitkwam voor de boodschap van zijn documentaire, als voor zijn gebrek aan relevante talenkennis. In plaats daarvan gebruikt hij zijn reputatie als iemand die écht iets weet over een ander land, om een serie te verkopen over een land waar hij niets van weet, om een politieke boodschap te verkopen die de dictator van dat land ons wil voeren. En zovelen zullen hem vanwege deze reputatie het voordeel van de twijfel geven.
Ik bewonderde Erdbrink. Ik vond hem uitzonderlijk on-Nederlands, met zijn doorleefde kennis van Iran. Hij was wereldwijs: een zeldzaamheid in ons kneuterland. Maar toen ik hem zo bezig zag – jolig in Moskou zijn gebrek aan expertise etalerend, trots op zijn onwetendheid, „Hello! I’m from Holland!” – herkende ik hem als in en in Nederlands. Met zijn overtuiging dat ‘het buitenland’ één ding is, zijn schadelijke naïviteit, in de overmoed en ijdelheid, zag ik het plots heel helder. Ja, Thomas Erdbrink is, waarlijk, onze man.