Home

Ik hoef niks meer over koudwaterzwemmen te horen

Lente, goddank. En toch liepen de rillingen me vorige week nog over de rug, toen ik het essay van Christiaan Weijts over cold plunging (in koud water zwemmen) las. Ik geloof dat ik bereid ben om per dag nog maar één minuut met lauw water te douchen als we nooit meer iets over ijsbaden of koudwaterzwemmen hoeven te horen.

Lange tijd was in een koude zee duiken iets wat je alleen op 1 januari deed, tot je navel welteverstaan en niet langer dan vijf seconden, om daarna terug te rennen naar de warme chocolademelk. De feloranje Unoxmutsen benadrukten dat we hier absoluut niet van een normale situatie konden spreken. Toen kwam Wim Hof. Een goeroe met een voorliefde voor ijskou en, naar later zou blijken, een koud hart. Terwijl hij de wereld van de talloze gezondheidsvoordelen van zo’n ijsbad probeerde te overtuigen mishandelde hij zijn naasten. Je zou hopen dat die hele Wim Hof-methode daarmee naar de bodem van een diep dichtgevroren meer was gezonken, maar helaas. Meer dan genoeg mannen lijken in het wak te willen springen dat Hof heeft achtergelaten.

Nu was het dus Christiaan Weijts die ons van alles uitlegde over bioritmes, hard challenges en thermoflesjes warm water. Eén dag eerder stak ene Bill Gifford („I struggle with cold plunging, mostly because I dislike cold water and pain”) in The Atlantic van wal over de positieve effecten van koudwaterzwemmen. Twee maanden geleden – het sneeuwde – maakte de NOS een item over Tjalling en Geert, die samen de sloot in doken. ‘H.. h… heerlijk,’ klappertandden ze. Ook herinner ik me een stuk van Jelle Brandt Corstius over het onderwerp, inclusief foto’s in korte zwembroek.

Onlangs ontmoette ik een vrouw van 34 die in haar eentje de Pacific Crest Trail heeft afgelegd, een route van 4.265 kilometer van Mexico naar Canada – door woestijnen, bossen en gebergtes, met onderweg slangen, beren en schietende Amerikanen. Toen ik zei wat een ongelofelijke prestatie ik het vond, zei ze: „Eerlijk gezegd was dit het makkelijkste wat ik ooit heb gedaan. Ik genoot er gewoon zo van.”

Aan haar moest ik denken toen ik las hoe Christiaan Weijts ter voorbereiding op zijn duik in de Noordzee koud afdoucht. „Vijf verstijfde tellen hield ik het vol. Naast de straal hijgde ik na, zette me schrap en stapte er opnieuw onder. Ik dwong mezelf in de pijn te blijven. Een halve minuut later was mijn lijf gevoelloos, verdoofd vlees.”

Dat is zo erg aan (beginnende) koudwaterliefhebbers: ze komen altijd met precies dezelfde inzichten in dezelfde volgorde. En dit is inzicht nummer één: leuk is het niet. Het is afzien, het is voor diehards. In het geval van Weijts moest hij er zelfs vroeg voor opstaan, nog voor de eerste auto’s op de weg verschenen. Echt nodig is dat niet, ’s middags is het water nog steeds koud, maar het draagt wel bij aan het gevoel dat je iets bijzonders aan het doen bent.

Het volgende inzicht is dat het allemaal om ademhaling draait. Goed inademen en goed uitademen, dat is belangrijk. En dan de volta: als je eruit komt voel je je verrassend lekker. Echt! Weijts: „Ik wil nog een keer.”

Ook in Weijts’ essay staat de plichtmatige alinea over wat de wetenschap er allemaal van denkt. Kort gezegd is de wetenschap „ambivalent”. De wetenschap neemt weer eens lekker de tijd. Misschien krijgen we nu dan eens uitsluitsel, denk ik als er weer een artikel over koudwaterzwemmen verschijnt, maar nooit gaat het veel verder dan de persoonlijke observatie dat je huid er zo lekker van tintelt en dat de gemberthee achteraf zo goed smaakt.

„People do it because, for some reason, it makes them feel better”, schrijft Gifford (in Amerika zijn ze gelukkig niet veel verder dan wij). Misschien is die reden simpelweg dat het over cold plungen zo heerlijk uitweiden is. Gezond voor de verteller, maar minder voor de toehoorder.

Lees meer

Lees meer

Lees meer

Source: NRC

Previous

Next