Wist u dat vrouwen vaak meer pijn voelen, maar daarvoor juist minder worden behandeld? Of dat de populaire band Radiohead de luisteraar bij de les houdt met priemgetallen? Vijf opmerkelijke inzichten uit onlangs verschenen wetenschapsboeken.
Vrouwen kampen veel vaker met pijnklachten. Ze hebben vaker migraine, chronische pijn, rugpijn en gewrichtspijn, om nog maar te zwijgen over vrouwspecifieke pijnsyndromen als endometriose en PCOS.
Dat is biologisch verklaarbaar: vrouwen hebben gemiddeld twee keer zoveel zenuwvezels in de huid en vrouwelijke hormonen maken de zenuwen gevoeliger. Met als gevolg dat vrouwen eerder en intenser pijn ervaren. ‘Het is alsof de volumeknop van pijn een tikje wordt opengedraaid, de signalen klinken harder door’, schrijft Monique Steegers, hoogleraar pijngeneeskunde aan het Amsterdam UMC.
Toch worden vrouwen veel minder vaak geloofd en dat heeft allemaal te maken met ‘een oud verhaal’, aldus Steegers, een verhaal waarin de man domineerde, als arts, onderzoeker en deelnemer aan wetenschappelijk onderzoek. Vrouwenpijn is eeuwenlang verkeerd begrepen, klachten van vrouwen werden toegeschreven aan stress, hormonen of emotionele labiliteit.
Waar dat toe leidt, ziet Steegers in de pijnkliniek waar ze werkt: ‘Klachten die niet in een hokje passen, lichamen die anders reageren.’ In haar boek verweeft ze wetenschappelijke informatie met verhalen van vrouwen naar wie veel te lang niet is geluisterd en dat levert een confronterende boodschap op. Pijn is niet objectief vast te stellen en kan alleen door woorden en gebaren worden begrepen. Vrouwen moeten daarvoor vaak meer bewijs leveren, stelt Steegers vast, alsof hun gevoel minder betrouwbaar is.
De situatie verandert, vrouwen worden mondiger, onderzoekers hebben de ‘vrouwtjespatiënt’ nu wel in beeld. Maar zolang artsen de pijn van vrouwen nog altijd lager inschatten dan die van mannen en vrouwen langer op hun diagnose moeten wachten, blijft de boodschap van Steegers van groot belang. (Ellen de Visser)
Monique Steegers: De pijnparadox. Thomas Rap; 176 pagina’s; € 22,99.
Vreemde maatsoorten en ritmes: ziedaar een deel van de verklaring voor het succes van de populaire Engelse alternatieve rockband Radiohead. ‘Hun gebruik van priemgetallen om verwachtingen te doorbreken is een van de wezenlijke factoren die bijdragen aan de unieke en baanbrekende klankenwereld van de band’, schrijft Oxford-wiskundige Marcus du Sautoy in zijn heerlijke boek Blauwdrukken: over schoonheid in de wiskunde, kunst en natuur.
Als voorbeeld noemt hij het nummer Everything in Its Right Place. ‘De titel van de song is nogal ironisch, want niets lijkt ritmisch op de juiste plaats te staan. Het heen en weer schakelen tussen vijf, vier en zes tellen creëert het vreemde, golvende geluid waar je op kunt meewiegen alsof je door de wind wordt voortgeblazen, in plaats van erop te dansen.’
En Radiohead is niet de enige. Neem Björk, die ‘een zich herhalende structuur van 17 noten gebruikt voor haar song Crystalline’, die bedoeld is ‘als nabootsing van de vorming van een kristal’.
Of kijk naar niemand minder dan William Shakespeare, die zijn standaardritme, de jambische pentameter, die normaliter bestaat uit tien lettergrepen, bij belangrijke zinnen soms doorbreekt en ineens een elfde (een priemgetal) toevoegt om je wakker te schudden. Tel zelf maar: to be, or not to be, that is the question.
Maar waarom priemgetallen? Omdat die afwijken van de vertrouwde ritmes, zoals de alomtegenwoordige vierslagsmaten in popliedjes. Dat creëert spanning, zoals in de jazz-evergreen Take Five, dat ‘met zijn vijfnotenritme een heerlijk ontspannen, loom gevoel’ heeft, ‘alsof het zich niet laat opjagen’.
Het is slechts een van de fijne inzichten in dit boek, dat net als de rest van het oeuvre van Du Sautoy aantoont dat wiskunde en kunst niet zo ver uit elkaar liggen als je misschien zou denken. (George van Hal)
Marcus du Sautoy: Blauwdrukken. Nieuwezijds; 370 pagina’s; € 27,99.
Wie ook maar met enige liefde over natuur schrijft, ontkomt niet aan een gevoel van verlies en rouw. En voelt al snel de morele plicht op zoek te gaan naar lichtpuntjes, sprankjes hoop in een kwijnend landschap. Logisch dus dat Marc van Houten in zijn monografie De kemphaan met weemoed mijmert over vijftig jaar geleden, toen hij in de Eempolder nog tientallen kemphanen had zien baltsen. Nog eens vijftig jaar eerder was die soort de meestvoorkomende weidevogel van het land. Nu is een kemphaan zien een zeldzaamheid.
Toch zien kenners nog kansen voor de bijzondere vogel, zo blijkt. Zoals Jan van der Geld, lang beheerder van het Wormer- en Jisperveld. ‘Hij ziet een zeer open weidevogellandschap voor zich, van minimaal een paar honderd hectare, dat beheerd wordt door (...) beheerders die er verstand van hebben én durven.’ Wat moeten zij durven? Grasland creëren met een waterpeil van 0 tot 20 centimeter boven het maaiveld, dat overwegend extensief mag worden gebruikt.
Daarnaast moet minstens 1 hectare van april tot en met juli drassig blijven. Er mag pas gemaaid wanneer alle kuikens kunnen vliegen, halverwege juli. ‘Als natuurbeheerders in staat zijn zeker 150 hectare in te richten speciaal voor kemphanen, moet dat onherroepelijk tot succes leiden’, aldus Van der Geld. Zo eenvoudig is het om een vogel voor uitsterven te behoeden. (Jean-Pierre Geelen)
Marc van Houten: De kemphaan. Atlas Contact; 312 pagina’s; € 27,99.
Ook Ben Koks, gerenommeerd kiekendief- en akkervogelonderzoeker, ontkomt niet aan weemoed in zijn boek Jodelende wulpen & keukentafels. Het boerenland van weleer, vol met weidevogels en insecten, is verworden tot strijdpunt in een politiek landschap, concludeert hij. ‘Die strijd maskeert alle mogelijkheden om jodelende wulpen en lyrisch zingende veldleeuweriken te behouden voor toekomstige generaties’, schrijft hij. Koks hoop zit in zogeheten BAM-akkers, waarbij BAM staat voor ‘biodivers akker mozaïek’.
Die akkers zijn opgebouwd uit 70 procent luzerne en klaver en 30 procent kruidenmengsels voor de randen. Koks ontdekte nieuwe details om de zaak te verfijnen: de zaaiafstand vergroten van 12,5 centimeter naar 25 centimeter per rij, biedt bijvoorbeeld veel meer ruimte voor broedende leeuweriken en kwikstaarten.
Zo biedt Koks in zijn boek een nauwgezette handleiding voor een model waarin primaire voedselproductie en rijke cultuurlandschappen uitstekend te combineren zijn, zoals al op zeventien locaties (in Groningen, Gelderland en Zuid-Holland) is aangevangen. Het vergt precisiewerk en vooral goede wil en samenwerking van boeren en natuurbeschermers, maar het kan dus gewoon.
In een epiloog droomt Koks hardop over het jaar 2050, wanneer hij (dan 87) samen met zijn vrouw aan de voet van een Groningse zeedijk zal staan tussen de spotvogels en blauwe kiekendieven. ‘Onder een paraplu van zingende veldleeuweriken kijken we elkaar nog steeds verliefd aan. En telkens realiseren we ons: er zijn tijden geweest waarin we de hoop op een leefomgeving als deze bijna hadden opgegeven.’ (Jean-Pierre Geelen)
Ben Koks: Jodelende wulpen & keukentafels – Landbouw door vogelogen.
Noordboek; 224 pagina’s; € 24,90.
Nee, geeft Madeleine Beekman in Het ontstaan van taal al snel toe: haar analyse van de evolutionaire nadelen van de menselijke baby is niet nieuw. ‘Onze soort, homo sapiens, heeft een ontwerpfout die ons einde zou moeten hebben betekend’, schrijft ze. Doordat we rechtop gingen lopen, werden onze heupen smaller. Vervolgens begon ons brein uit te dijen en moest ons hoofd zich aanpassen.
Plots werden mensenbaby’s biologisch gezien te vroeg geboren: hun hoofden zouden anders te groot worden voor de smalle heupen van hun moeders én het ontwikkelen van het brein was ‘te duur’, kostte te veel energie, om dat alles helemaal in de baarmoeder te kunnen afvinken.
‘Velen hebben vergelijkbare ontstaansgeschiedenissen verteld, maar ik bleef voor een raadsel staan’, schrijft Beekman. ‘Waarom liet de natuurlijke selectie onze soort wegkomen met het voortbrengen van deze nutteloze en hulpbehoevende baby’s? Ik realiseerde me al snel dat de ontwerpfout waarmee het probleem begonnen was ook de oplossing bood. Die oplossing is taal.’
Dankzij taal konden moeders zorg organiseren voor hun baby’s, ontstonden er hechtere gemeenschappen en bleven ‘moeders, vaders, broers en zussen, neven en nichten en anderen’ langer bij elkaar.
Taal werd al snel een steeds groter evolutionair voordeel, zo luidt de hypothese die ze in dit boek uitvoerig bepleit.
‘Als je iets beter bent dan de anderen in het uiten van je behoeften, is dat misschien net voldoende om je een voorsprong te geven op je concurrenten. Moeders zouden er ook van profiteren als ze er net iets beter in zouden zijn om anderen over te halen om te helpen bij het grootbrengen van de kinderen. Met elk beter stukje spraak en elk moment van gedeeld begrip verhoogden we de kans dat onze baby’s – en onze soort – zouden blijven leven.’ (George van Hal)
Madeleine Beekman: Het ontstaan van taal. Nieuwezijds; 272 pagina’s; € 26,99.
Alles over wetenschap vindt u hier.
Geselecteerd door de redactie
Source: Volkskrant