In de rubriek VI Tijdmachine brengen we met regelmaat nieuwe verhalen over toen, en elke dag van het weekeinde herplaatsen we een artikelen uit ons rijke archief. Deze keer hebben we een uitgebreid interview met Mario van der Ende opgeduikeld. De topscheidsrechter die deze zaterdag zijn zeventigste verjaardag viert en op twee WK’s floot, liep helemaal leeg over het wereldje dat hem liever kwijt dan rijk was. Een monoloog vol venijn.
‘Bondsvoorzitter Michael van Praag en competitieleider Gijs de Jong van de KNVB zijn uitermate tevreden over het niveau van de scheidsrechters in Nederland’, begint Mario van der Ende zijn verhaal in januari 2014. ‘Dat hebben ze de voorbije weken tenminste herhaaldelijk duidelijk gemaakt. Ik noem dat het Ursul de Geer-gevoel. Als je maar vaak genoeg roept: “Het is hier fantastisch”, dan gaan de mensen dat uiteindelijk vanzelf geloven. Heel erg positief zijn is voor even leuk, maar op een gegeven moment keert de wal het schip.
We hoeven niet allemaal als Jules de Corte door het leven te gaan. Je ziet duidelijk dat te veel wedstrijden in de Eredivisie worden beïnvloed door scheidsrechters en dan bedoel ik arbitrale missers. Ik vind dat we kritisch moeten zijn. Kritiek is gratis advies, zeg ik altijd maar. Als ik vroeger thuis met mijn vader mee wilde jokeren aan de Champions League-tafel moest je geen fouten maken, want dan kon je drie weken toekijken. Topsport vereist het allerbeste. Met een 6 of een 7 mag je niet tevreden zijn. Voor een scheidsrechter geldt slechts: geschikt of ongeschikt.
Als ik in een vliegtuig stap, hoop ik dat die piloot zijn vak verstaat en geen al te grote fouten maakt. Datzelfde geldt voor een scheidsrechter
Aan de top moet je kunnen uitgaan van een arbitrage die niet ter discussie staat. Ik hou nog steeds alles bij. Het dieptepunt van dit seizoen was voor mij de laatste speeldag voor de winterstop, toen zes wedstrijden een andere uitslag of een andere wending hadden kunnen krijgen als de scheidsrechter geen foute beslissing had genomen. De arbitrage heeft een rechtstreekse invloed op het niveau van een wedstrijd. Mijn adagium is altijd: hoe beter de arbitrage, hoe beter het spel zich kan ontwikkelen. De scheidsrechter bepaalt het ritme van een wedstrijd, de dynamiek, de intensiteit. Als de arbitrage wekelijks een punt van kritiek is, móét je vaststellen dat er iets niet klopt. Het is mij te gemakkelijk om te zeggen: Een scheidsrechter is ook maar een mens of fouten horen bij het spelletje. Als ik in een vliegtuig stap, hoop ik dat die piloot zijn vak verstaat en geen al te grote fouten maakt. En als ik naar de dokter moet, verwacht ik dat hij de juiste diagnose stelt. In Nederland werken we met professionele scheidsrechters, die elk jaar tussen de 60 en 65 duizend euro kunnen opstrijken. Dan mag je kwaliteit verwachten.
Het begint al met het rekruteren van scheidsrechters. Het instroomniveau is enorm laag. Als jij morgen zegt: Vind ik leuk, dan ben je na zes cursusavonden een KNVB-scheidsrechter. Je hebt geen voetbalachtergrond nodig. Naar enige affiniteit met het profvoetbal wordt al helemaal niet gekeken. Als jij je diagonaaltje kunt lopen en die tien vragen bij het examen goed beantwoordt, kun je dat diploma boven je bedje hangen. Weet je waarop wordt gelet? Of jij een waardig representant bent van de voetbalbond. Dat je je keurig gedraagt, netjes kleedt, je rapporten op tijd inlevert en je conformeert aan de regels. Ik begon betaald voetbal te fluiten in de tijd dat Ab Schuurmans ook net begon. Schuurmans was een lookalike van Wally Tax en Atte Bouma. Ik kwam in een spijkerbroek en suède jasje en Ab had dat enorm lange haar. Zaten we daar tussen al die heren met stropdas en in een driedelig pak. Het was alsof ik naar het afdansen aan het kijken was, zo gelikt zag het eruit.’