Cultuur Het gevaar voor Europa is niet verdeeldheid, maar eenvormigheid. Juist in een tijd die schreeuwt om eenheid, moeten we meer oog en waardering hebben voor de Europese verscheidenheid in talen en culturen, schrijven Stine Jensen, Lotte Jensen en Ronald van Raak.
Het was een opmerkelijk moment in het Élysée in Parijs, toen Emmanuel Macron eind januari de premiers van Groenland (Jens-Frederik Nielsen) en Denemarken (Mette Frederiksen) ontving. Hij sprak vanachter zijn zonnebril behalve zijn moedertaal ook Deens en Groenlands met een zwaar Frans accent. Drie talen in één toespraak. Op het moment dat Europa zijn onafhankelijkheid van de Verenigde Staten heroverwoog, koos de Franse president voor een daad van cultureel respect en solidariteit: hij erkende de eigenheid van Groenland en week af van het Engels als vanzelfsprekende voertaal.
Het is precies het soort gebaar dat past bij het thema van de Maand van de Filosofie dit jaar: ‘Ken onszelve’. Want wie zijn wij eigenlijk, als Europeanen? Wat houdt ons bijeen? En wat geven wij prijs wanneer wij datgene loslaten wat ons onderscheidt van de Verenigde Staten, namelijk onze diversiteit aan culturen en talen?
Lotte Jensen is hoogleraar Nederlandse literatuur- en cultuurgeschiedenis aan de Radboud Universiteit Nijmegen.Stine Jensen is hoogleraar publieksfilosofie aan de Erasmus Universiteit Rotterdam.Ronald van Raak is hoogleraar Filosofie in Nederland aan de Erasmus Universiteit Rotterdam.
Die vraag is actueel. Europa moet zich opnieuw uitvinden. De Russische agressie in Oekraïne, de oorlog in het Midden-Oosten, de onzekerheid over de NAVO, de permanente dreiging van handelsblokkades uit Washington: deze gebeurtenissen dwingen ons na te denken over onze positie in de wereld. Overal klinkt de roep om meer samenwerking en meer Europa. Maar meer Europa betekent in onze optiek niet alleen dat er samengewerkt wordt op militair en economisch vlak. ‘Ken onszelve’ houdt ook in dat we meer oog en waardering hebben voor de Europese verscheidenheid in talen en culturen.
De filosoof Hans-Georg Gadamer schreef in 1989, kort na de val van de Berlijnse Muur, in zijn essay Das Erbe Europas: het gevaar voor Europa is niet verdeeldheid, maar nivellering. Europa mag geen ‘eenheidsworst’ worden, waarschuwde hij. De kracht van dit continent schuilt juist in de veelvormigheid: de veelheid aan talen, tradities, verhalen en manieren van samenleven. Dat maakt samenwerken op politiek niveau lastig. Toch denken we dat het geen zwakte is die overwonnen moet worden, maar een erfenis die bescherming verdient.
Gadamers waarschuwing is vandaag relevanter dan ooit. Wanneer wij spreken over Europese identiteit, denken velen meteen aan instituties: de Europese Commissie, het Europees Parlement, de euro. Maar identiteit begint niet in Brussel. Ze wordt gevormd door taal, door de humaniora, de verhalen waarmee een gemeenschap zichzelf begrijpt, door de gedeelde herinneringen die mensen verbinden met een plek en een land.
Talen zijn meer dan gebruiksmiddelen. Een gedeelde taal creëert ook een gemeenschap: ze biedt mensen een gezamenlijke manier van uitdrukken, vergelijkbare informatie en toegang tot dezelfde publieke debatten. Ze draagt culturele codes in zich die vaak onbewust aangeven wie tot dezelfde groep behoort.
Neem het Nederlands. Deze taal heeft een lange traditie als bron van kennis en cultuur. In de dertiende eeuw waren de Middelnederlandse teksten van Hadewijch invloedrijk en in de zestiende eeuw schreef Dirck Coornhert een Nederlandstalige ethica – de eerste filosofie in Europa in een volkstaal. In de negentiende eeuw bepleitten liberale filosofen als Cornelis Willem Opzoomer het gebruik van Nederlands aan de universiteiten, in plaats van het Latijn. Onderwijs in de eigen taal werd gezien als een voorwaarde voor gedeeld burgerschap.
Des te betreurenswaardiger is het dat de taaldiversiteit in het hoger onderwijs steeds verder verdwijnt – het Nederlands voorop. Opleidingen als Spaanse, Duitse en Franse taal en cultuur staan eveneens onder druk. Om nog maar te zwijgen van Oost- en Midden-Europa-studies of de Scandinavische talen. Wanneer kennis alleen nog in het Engels wordt aangeboden, ontstaat een nieuwe elite: internationaal georiënteerd, academisch gevormd, maar vervreemd van de eigen samenleving en haar tradities. De ivoren toren, losgemaakt van de stad, de regio, het land.
Het resultaat is een merkwaardig schisma: we vieren onze Europese diversiteit in het Engels en we betalen voor onze culturele onafhankelijkheid met een neoliberale eenheidstaal die onze eigenheid juist uitholt. We worden niet onafhankelijker van Amerika. We worden juist Amerikaanser.
Het is merkwaardig dat het nieuwe Nederlandse regeerakkoord enerzijds stelt „trots op onze talen en dialecten” te zijn, terwijl tegelijkertijd de aandacht voor Europese talen op school marginaal is en in het hoger onderwijs de verengelsing onbeperkt doorgaat. Nieuwe en bestaande opleidingen hoeven niet langer te verantwoorden waarom het noodzakelijk is in het Engels te onderwijzen. Er is zelfs een speciaal potje voor het aantrekken van Amerikaans toptalent, vanwege de ‘kenniseconomie’. Wie zo denkt, vergeet dat kennis ook cultuur is.
Universitair onderwijs dient meerdere doelen. We bereiden jonge mensen voor op een toekomst in de wetenschap of op een internationale loopbaan, en daarvoor is academisch Engels essentieel. Maar veel studenten zullen later een verantwoordelijke positie bekleden in het bestuur, de economie of de culturele wereld van dit land. Daarvoor is het belangrijk dat universiteiten ook verbonden blijven met de samenleving. Een gedeelde taal is dan een voorwaarde, om te voorkomen dat leiders in een academische bubbel terechtkomen.
Wie een sterker Europa wil, zou de culturele en talige diversiteit niet moeten ondermijnen maar koesteren, inclusief het Nederlands. Juist de Nederlandse literatuur houdt ons bij tijd en wijle een gewetensvolle spiegel voor. Neem bijvoorbeeld Grand Hotel Europa (2018) van Ilja Leonard Pfeiffer. De Europese identiteit is in dat boek een relict uit het verleden geworden, waar de hotelgasten slechts naar kunnen terugverlangen. Grand Hotel Europa komt in handen van een Chinese magnaat, en de onnozele Amerikaanse gasten hebben geen enkel besef van de rijke Europese tradities.
Of lees het vorige maand verschenen Een woord voor van Eva Meijer. In deze briljante en eloquente satire verdwijnt het Nederlands langzaam uit de samenleving (en uit de roman) om plaats te maken voor functioneel Engels. Achteloos is niet voor niets het eerste woord dat uit de moeder-language verdwijnt. Maar daarmee verliezen de taalgebruikers ook de toegang tot hun eigen geschiedenis, cultuur en identiteit.
Europa op zijn best is het continent dat durft te zeggen: onze diversiteit is onze kracht. Onze talen en culturen zijn niet obstakels voor samenwerking, maar de redenen waarom die samenwerking de moeite waard is. Een Europa dat zijn diversiteit viert en zijn talen koestert, dat universiteiten verbindt met de samenlevingen waarin zij staan, dat leiders opleidt die hun eigen land kennen én de wereld: dat is het Europa waarvoor wij pleiten.
Europaredacteuren praten je bij over de belangrijkste ontwikkelingen in de EU