AI Schrijven, mijn beroep, mijn roeping, verliest aan betekenis. En het onderwijs, waar ik ooit vol idealen en inspiratie in stapte, dreigt een intensief samenwerkingsverband met Sam Altman en consorten te worden, schrijft Merel Kamp.
Voor me ligt een bijzonder slecht geschreven artikel van één van mijn derdejaarsstudenten. Waar werk van slechte kwaliteit me vroeger licht moedeloos zou maken, of bezorgd, of geërgerd, maakt het sinds kort een milde vreugde en opluchting in me los: Het komt in ieder geval niet uit Chat, denk ik steeds vaker verguld bij teksten waar de honden geen brood van lusten. Dat het taalgebruik van deze hbo-student een X aantal jaar geleden in 5-havo niet door de beugel had gekund, is geen factor meer. Het is mensenwerk!
Merel Kamp is schrijver en docent. In 2027 verschijnt haar eerste boek bij Alfabet Uitgevers.
De meeste van mijn studenten gebruiken voor het schrijven van hun opdrachten ChatGPT. In eindgesprekken, een door de komst van AI haast noodzakelijke vorm van toetsen, vragen wij docenten ze niet of maar hoe ze AI hebben gebruikt. „Nou, ik heb met Chat gespard over de invalshoek, gevraagd of het de belangrijkste informatie uit mijn bronnen wilde samenvatten, gevraagd daar een gestructureerde tekst van te maken en gevraagd sommige alinea’s een beetje anders te formuleren”, antwoorden studenten dan zonder gêne. „Oh ja, en een spellingscheck.”
„Hoe zou je dit alles hebben gedaan als de stroom was uitgevallen?”, vroeg ik onlangs door bij een student. „Nou dan zou ik het gewoon op internet hebben opgezocht”, antwoordde ze fijntjes. Domme vraag, mevrouw, las ik in haar ogen. Inderdaad een domme vraag van mij. Voor deze generatie zit aan het internet helemaal geen stekker. Techniek voelt voor hen al lang niet meer als techniek, zo naadloos gaat ieder nieuw hulpmiddel op in hun leefwereld. Of eigenlijk andersom: zo naadloos worden ze met ieder nieuw hulpmiddel een nieuwe, frictieloze leefwereld ingeleid. Een wereld waarin je nooit om een antwoord verlegen hoeft te zitten. Een wereld waar schrijven gelijk staat aan tekst produceren en nadenken als belichaamd wezen achterhaald is verklaard. Een wereld ook, die geheel in handen is van een stuk of wat enge witte mannen in Silicon Valley. Mannen die wel degelijk weten waar de stekker van dit alles zich bevindt en die daar ook bij kunnen. Als enigen. Maar dat terzijde.
Het punt dat ik hier eigenlijk wil maken, is dat ik een docent in rouw ben. De opleiding waarvoor ik werk verkeert, zoals veel opleidingen sinds de komst van AI, in crisis. Bij onze opleiding, een hbo-opleiding waar studenten mediaproducten van verschillende pluimage leren maken, is de crisis net iets fundamenteler, omdat veel van de ‘content’ die studenten leren maken nu (en anders binnenkort) gemakkelijk door AI kan worden gegenereerd. Waarom een invalshoek bedenken, daarvoor onderzoek doen, met je medestudenten in gesprek gaan, als je het gewoon aan Chat kunt vragen?
Ondertussen zijn we bezig met een onderwijsvernieuwing ingegeven door de vorige onderwijsvernieuwing. Het hele curriculum moet wéér opnieuw uitgedacht. En een beetje snel. En „omdat we het toch niet tegen kunnen houden”, moet het gebruik van AI in het curriculum worden verwerkt. Dan moeten we onze studenten voortaan maar om promptverslagen vragen. Dan kunnen we daarin nalezen of ze nog iets zelf hebben bedacht of gemaakt. Ja, leuk, zin in.
In een vergadering krijgen we in een bijzin te horen dat de taalnorm – een norm waarmee we het teruglopende taalniveau op het hbo een beetje binnen de perken probeerden te houden – is afgeschaft. In dezelfde vergadering vraag ik of de opleiding het eigenlijk nog noodzakelijk vindt dat studenten zélf een tekst kunnen schrijven zónder Chat. Collega’s reageren geërgerd. Alsof ze mij, een oeroude, logge kei, aantreffen op het traject van hun ‘laten-we-deze-technologie-omarmen’-snelweg. Moeten we godverdomme die asfalteermachine weer stopzetten voor zo’n kutkei. Want er is haast met dat nieuwe curriculum. En doe eens niet zo negatief.
Maar, sorry, zoals ik al zei: ik ben in rouw. Schrijven, mijn beroep, mijn roeping – als ik het even hoog mag spelen – is aan betekenis aan het verliezen. En het onderwijs, waar ik ooit vol idealen en inspiratie en met de teksten van bell hooks onder mijn arm in stapte, dreigt een intensief samenwerkingsverband met Sam Altman en consorten te worden. En niemand heeft dat echt besloten. Het is ons gewoon overkomen. Of opgedrongen. Of heb ik een memo gemist?
Het maakt me behalve verdrietig ook boos. Ik mocht het al niet erg vinden dat mijn studenten haast niets meer lezen. Dat ze niet meer in de lessen verschijnen. Dat kennisoverdracht werd verruild voor coaching. Nu mag ik het ook niet erg vinden dat figuren als Sam Altman en Mark Zuckerberg permanent in het lokaal aanwezig zijn. Dat hun uitvindingen de aandachtspanne van de mensen die ik voor me heb decimeerden en hun hun ideeën over makerschap volledig afvlakten. Alles is zo plat als de rijstwafels die mijn studenten tijdens mijn lessen wegspoelen met liters water uit hun oversized waterbekers. Tekst komt uit chat, opmaak komt van Canva.
Binnen de opleiding hebben we het steeds over kwaliteitsbesef: „Leer studenten wat kwaliteit is, dan kunnen ze daarnaar streven”. Maar er wordt met geen woord gerept over het gegeven dat studenten en docenten het in de eerste plaats al niet eens zijn over de definitie van het woord kwaliteit. Waar ik als veertiger in de woordwolk van het begrip kwaliteit bijvoorbeeld ook de term ‘moeite’ heb zitten, hebben zij dat niet, want ze groeien op in een wereld waarin dingen (ogenschijnlijk) weinig tot geen moeite kosten. Een wereld waarin ze de godganse dag overspoeld worden door de korte fragmenten contextloze content op hun tijdlijn. Leg kwaliteit maar eens uit aan iemand die 24/7 fastfood naar binnen geduwd krijgt.
Alles wat ik liefheb – schrijven, aandacht, de tijd nemen om mooie dingen te maken, ideeën te overdenken – doet er niet meer toe. Niet echt. Het is stukgemaakt. Door die mannen in Silicon Valley. Move fast and break things, was hun motto ooit. Missie geslaagd. En niet dat het zin heeft, maar ik neem ze dat bijzonder kwalijk. Dezelfde mannen die hun eigen kinderen weghouden bij de slimme tech die ze de rest van de wereld verkopen – want we vergeten het steeds, maar we betalen die frictieloze werkelijkheid met stukjes van onszelf. En de mensen die te snel roepen dat je ‘technologische veranderingen toch niet tegenhoudt’, die neem ik het ook kwalijk. Ik weet het wel: „Cats do not go back in bags”, zoals Zadie Smith schrijft in Some Notes on Mediated Time (2025), een essay over de effecten van sociale media op onze jeugd. Die geest krijg je niet terug in die fles.
Kritiek op en verzet tegen technologische ontwikkelingen gelden bovendien als negatief en fatalistisch. Maar jezelf willoos laten overspoelen door wat die paar mannen daar bedenken, dat vind ik pas fatalistisch. Of, zoals Maxim Februari in een column in NRC betoogde: „Weet je wat ik denk? Ik denk dat het slim en gezellig en positief is om wél aan risicoanalyse te doen. Om de data-industrie […] wél kritisch te volgen.”
Maar het oogt natuurlijk heel modern en avant-garde, dat snap ik wel, om ‘Wij gaan met de tijd mee!’ te roepen. „We moeten de doelgroep bedienen!”, zegt het management steeds. Dat er verschillende scharniermomenten in de wereldgeschiedenis zijn geweest waar met de tijd meegaan en de doelgroep bedienen echt een slecht idee was, dat laten we even buiten beschouwing. De doelgroep wil niet meer lezen. En eigenlijk ook niet meer écht hoeven nadenken. De doelgroep wil vermaak en gemak. Daar kan de doelgroep niet zoveel aan doen, want de doelgroep is ook maar een mens.
Is is niet hetzelfde als ought, zei filosoof David Hume ooit. Uit hoe de dingen zijn, kun je nooit afleiden hoe de dingen móeten zijn. Hij had het natuurlijk niet over marketing noch over het onderwijs, maar sta me toe hem daar toch even voor in te zetten: als de doelgroep domme dingen wil, moet je de doelgroep misschien soms voor zichzelf behoeden. Juist in het onderwijs. Want als er één situatie bestaat waar je mensen van is naar ought brengt, is het daar wel. Het hele punt van het onderwijs is dat je mensen anders aflevert dan hoe ze binnenkwamen. Niet dat ze vier jaar op je opleiding rondlopen in volledige volrijm met de werkelijkheid waarin ze daarbuiten al leven. Juist een doelgroep die het grootste gedeelte van de dag in een door algoritmen gecreëerde echoput doorbrengt, moet je op school iets radicaal anders voorschotelen.
„Volwassenen en kinderen die in de openbare ruimte lopen en/of zitten, en zich stuk voor stuk op hetzelfde moment in dezelfde werkelijkheid bevinden. Ik geloof niet dat er nog een plek op aarde over is waar dat gebeurt”, schrijft Zadie Smith in hetzelfde essay. Silicon Valley stal die gedeelde werkelijkheid van ons, door ons allemaal te kluisteren aan gepersonaliseerde feeds en een immer beschikbare gesprekspartner in blik die ons permanent van pasklare antwoorden voorziet, zonder daarvoor een beroep op de ander te hoeven doen.
Met de verwelkoming van Silicon Valley in het onderwijs is het niet langer een publiek domein met een gedeelde werkelijkheid, maar dreigt het onderwijs een verlengstuk van het privédomein te worden. En als we ons daar niet collectief heel hard tegen gaan verzetten, en niet met een stevige invulling van ons ought – oftewel een visie – komen, voldoen we in het onderwijs niet aan de zorgplicht die aan de basis ligt van elke vorm van scholing of opvoeding. Of, voor wie liever redeneert vanuit eigenbelang: vergeet niet dat wat wie we nu onderwijzen, straks de wereld gaat bestieren. Is dat slikken?
Er zijn inmiddels docenten die het door AI gegenereerde studentenwerk nakijken met behulp van AI. En onlangs ontving ik een visiedocument voor het nieuwe curriculum „geschreven met behulp van ChatGPT”. Dat stond er keurig onder. Eerlijk, zou je denken. Transparant.
We kunnen wel inpakken, dacht ik. Zijn we in het onderwijs op weg naar een collectief prepensioen? Nog een memo die ik heb gemist.
Met elke grote technologische ontwikkeling ontstaan nieuwe mogelijkheden én houdt een bepaalde versie van de werkelijkheid op te bestaan. Alles wat de techbro’s ons hebben verkocht, is tot nu toe allesoverheersend gebleken. Als je Sam Alman en consorten bij je thuis uitnodigt op de koffie, eten ze je koelkast leeg en trekken ze bij je in. Als we in het onderwijs niet hier en daar wat kamers op slot doen zodat ze niet naar binnen kunnen, maken zij met hun technologieën straks volledig de dienst uit.
Voor bell hooks was onderwijs een vrijheidspraktijk. De vrijheden die zij in het klaslokaal met haar studenten bevocht (vrijheid ongeacht etniciteit, klasse en gender), moeten nog altijd bevochten worden. Inmiddels is er in het onderwijs echter een vrijheidsstrijd bij gekomen: de vrijheid om zélf te denken, en zélf te maken, onafhankelijk van Silicon Valley.
Doorzie de wereld van technologie elke week met NRC-redacteuren