Bert Flint Als Nederlandse kunstenaar in Marokko stortte Bert Flint zich op de Amazigh-cultuur. Het werd hem door de autoriteiten niet in dank afgenomen, zo blijkt uit een boek over zijn leven.
De medina in Tétouan.
Zijn verzameling van Marokkaanse volkskunst, een van de allergrootste ter wereld, leidde de laatste jaren van zijn leven een kwijnend bestaan. Pogingen om het bij musea onder te brengen waren mislukt. En een aardbeving verwoestte een deel van zijn huis in de binnenstad van Marrakesh.
Lejo Siepe: Een vreemdeling in de medina. Een portret van Oost-Groninger kunstverzamelaar Bert Flint. Bulaaq, 140 blz. € 20,-
Getriggerd door zijn overlijdensadvertentie in een Nederlandse krant schreef de Groningse journalist Lejo Siepe een fraaie biografie over het avontuurlijke en eigenzinnige leven van een van de belangrijkste verzamelaars van Marokkaanse volkskunst, de Groningse Marokkaan Bert Flint.
Bert Flint (Winschoten, 1931-Marrakesh, 2022) was het kind van een katholiek middenstandsechtpaar – zijn ouders runden een meubelzaak. Al op jonge leeftijd was hij ervan overtuigd dat zijn toekomst niet in Groningen lag.
Zijn studie Spaans bood hem de gelegenheid te ontkomen aan de sociale druk van zijn familie. Na een maandenlange reis door het zuiden van Spanje raakte hij in de ban van de Moorse architectuur. Begin 1955 nam hij, geheel tegen de zin van zijn moeder die hem tijdens zijn Spaanse reis voor een deel had vergezeld, de boot naar Marokko.
„Ik vertelde haar dat ik op zoek ging naar de bron van el Andalus, naar de plekken waar men nog de sleutels bewaart van de huizen in Sevilla en Grenada”, zei hij. Maar meer nog dan de mythe van el Andalus trok Marokko hem vanwege het liberale seksuele klimaat. Hier konden mannen hand in hand over straat lopen zonder dat er neerbuigend op hen werd neer gekeken. Voor de jonge homoseksuele Bert Flint voelde dit als een verademing na de stijve burgercultuur die hij in Winschoten had ervaren.
Een bepalend moment in Flints leven was zijn eerste bezoek aan Tétouan. Daar werd hij volledig verpletterd door de pracht en praal en de schitterende architectuur. „Ik ervoer de effecten van een beschaving gemaakt van zowel fysieke sensualiteit als spirituele verfijning.”
Die ervaring was uiteindelijk bepalend voor zijn beslissing om zich in Marokko te vestigen.
Hij vestigde zich, in de nadagen van de Marokkaanse onafhankelijkheidsstrijd, in Marrakesh, de stad waar hij de rest van zijn leven zou blijven. Hij koos er bewust voor om niet, zoals alle andere buitenlanders, te gaan wonen in een buitenwijk maar midden in de oude binnenstad (de medina). In de overvolle straten vol kleine winkels waar ambachtslieden hun waar aanprezen. De schoonheid en sensualiteit die hij in Tétouan had ontdekt, zag hij hier opnieuw terug in ‘gewone’ gebruiksvoorwerpen. Ambachtelijk gemaakte objecten; tapijten, keramiek, kleding en sieraden. En vanaf dat moment begon hij serieus te verzamelen.
Flints belangstelling voor ‘volkskunst’ werd in Marokko niet altijd begrepen. Het land richtte zich na de onafhankelijkheid vooral op de Arabische wereld. Daarmee deed het land zichzelf te kort volgens Flint. In plaats van die blik op de Arabische wereld zou men meer naar de eigen cultuur en de eigen wortels moeten kijken. En die wortels lagen, zo ontdekte Flint tijdens zijn speurtochten naar nieuwe voorwerpen voor zijn verzameling, niet in het Oosten – in Caïro of Damascus – maar in het zuiden, in Afrika. Die zuidelijke, Afrikaanse, wortels zag hij vooral terug in de Berberse (Amazigh-)cultuur.
Omdat zijn collectie bleef groeien en het beheer en onderhoud ervan steeds grote financiële wissels trokken op zijn bescheiden kapitaal, deed hij diverse pogingen om zijn verzameling, die hij jarenlang in zijn eigen huis midden in de medina tentoonstelde, bij bestaande musea onder te brengen. Mede door zijn koppige (Groningse) karakter mislukten al die pogingen echter. Het politieke klimaat werkte ook niet mee. Flints belangstelling voor de Berbercultuur viel namelijk niet goed bij het Marokkaanse regime.
Dat laatste heeft Flint ernstig gefrustreerd. Zijn werk, zijn bijdrage aan de Marokkaanse cultuur, werd niet op waarde geschat. En dat deed pijn.
De ironie van de geschiedenis is dat ruim drie jaar na zijn dood de erkenning waar Flint zo lang naar zocht er toch van lijkt te komen. Er is zelfs een nieuw, geheel aan zijn verzameling gewijd, museum in de maak.
Wat het boek dat Lejo Siepe over deze eigenzinnige man en zijn verzameling bijzonder maakt is dat hij zonder pathetisch te worden de tragiek van Flints leven inzichtelijk maakt. Het leven van een man die een hartstochtelijke liefde had voor Marokko, maar die van Marokko nooit de waardering kreeg die hij zocht.
Het laatste boekennieuws met onze recensies, de interessantste artikelen en interviews