Home

Strenge wijn

Ik ging een nacht alleen in een hotel slapen. Overdag bezocht ik in mijn eentje twee musea. Er is niets nieuws aan zo’n zee van tijd die zich voor me uitstrekt, ik heb wel vaker de stilte opgezocht, maar toch bleek het, ook zoals altijd, weer te lang geleden dat ik me van mijn leven had los gemaakt.

Zorgeloos wilde ik me voelen. En vrij. Maar ik hield de leuning van de trappen van het Rijks vast, alsof ik opnieuw moest leren lopen. Eenmaal in het café was ik al wat meer gewend aan mezelf. Ik bestelde een koffie en een plak bananenbrood. Ik nam een hap en wist opeens weer dat ik bananenbrood helemaal niet lekker vind. Na nog een half uur performative reading in mijn boek ging ik naar het Stedelijk. Daar keek ik heel lang naar foto’s van Erwin Olaf. Ik maakte foto’s van de foto’s en overwoog meteen maar even huis te bellen, maar dat moest ik niet doen. Ik was net weg.

Buiten dronk ik weer koffie. Misschien even appen of ze goed uit school waren gekomen. Nee. Hou op, er kan niks met ze gebeuren. Ze bestaan ook zonder mij. Hier ben ik toch wel een beetje aan voorbij, zei ik, misschien wel per ongeluk hardop.

In de avond ging ik eten met mijn oom en een vriend. De oom heeft zijn zoon, mijn neefje, verloren. Ik was acht en ik was daarbij. Hij niet. Het neefje verdronk in de vijver bij ons huis. Mijn oom en ik zijn geen bloedverwanten, maar zoeken elkaar regelmatig op. Dan praten we er niet over, en uiteindelijk ook wel. Soms heel lang, soms tot heel laat. Dan ben ik opeens weer klein en hij ook een beetje. Twee kinderen, zoekend naar een antwoord dat er nooit zal komen. Deze avond hadden we het ook over het grote verdriet, maar niet te veel. Niet te larmoyant. De vriend heeft zijn zus verloren, het is makkelijker om op het terrein van rouw terecht te komen met iemand die daar ook vaak is, maar we besloten er gezamenlijk voorzichtig omheen te wandelen.

Mijn oom deed alsof hij de kaart bestudeerde en vroeg toen peinzend om een strenge wijn, de ober zei dat hij dat niet de beste term vindt voor wat mijn oom waarschijnlijk bedoelde. ‘Wij wel!’ riepen we in koor en moesten daarna giechelen. Een tijdelijk pact, een avond die zich vernauwde tot alleen de mensen aan de tafel. Het werd later, nog meer strenge wijn. Moest ik toch nog even naar huis bellen om te vragen of er goed geslapen werd? Nee. Dat moest ik niet. Zorgeloos moest ik zijn. Zorgeloos en vrij.

Zorgeloos en vrij ging ik nog naar een andere kroeg, zorgeloos en vrij aaide ik een vreemde over haar wang. Toen realiseerde ik me dat ik helemaal niets had overwonnen. Ik was gewoon dronken en zou morgen dus allesbehalve herboren terugkeren.

De volgende ochtend ging ik, voor ik naar huis moest, bibberend van de kater, waarschijnlijk om mezelf te straffen, naar het rouwdrama Hamnet. Moet ik dit nu wel doen?’ appte ik de vriend van gisteren. ‘Ja joh, heerlijk janken’, appte hij terug.

Het jongetje in de film stierf, ik huilde mezelf helemaal leeg en ving gesloopt de weg naar huis aan.

‘Leven ze nog?’ appte ik onderweg. ‘Ze leven nog’, kreeg ik terug. Ik ademde langaam uit.

Zorgeloos en vrij, toch nog even.

Lees meer

Lees meer

Lees meer

Source: NRC

Previous

Next