Home

‘Het is altijd maar dat de dingen verdwijnen’ – Amsterdamse tram 3 rijdt zijn laatste ritjes

Stadsvervoer Geen „ruwe types met doorgroefde koppen” meer zoals NRC-journalist H.J.A. Hofland ze zag in tram 3, die Amsterdam doorkruist van oost naar west en terug. Wel passagiers verdiept in hairstyling-demo’s of een videocall. De lijn wordt dit weekend opgeheven.

Tram 3, bestuurder Ricardo Buhrs (54) zwaait naar zijn collega.

Na een lang stuk rechtdoor doet de trambestuurder de mededeling die ik al had gevreesd. „Eindpunt. End of the line.” Hij mindert vaart, roept door de intercom vrolijk „rondje van de zaak!” en neemt rechtsom de scherpe bocht over het plantsoen om in omgekeerde rijrichting te eindigen op dezelfde weg. Klaar voor de terugrit.

Daar sta ik dan, op het Frederik Hendrikplantsoen in Amsterdam-West. Terwijl mij door de redactie een reisje was beloofd naar de Zoutkeetsgracht, anderhalve kilometer verderop. Eindhalte tramlijn 3. Dat leek de krant wel een mooi idee nu deze tramlijn na 124 jaar op zaterdag 28 maart zijn laatste ritje rijdt. Een reisverslag in de geest van de beroemde NRC-journalist H.J.A. Hofland, die in zijn column in 1990 de rit met lijn 3 beschreef als een „expeditie naar de zoutketen”.

Volgens Hofland was tram 3 de langste en „misschien wel avontuurlijkste” van alle tramlijnen in Amsterdam. De 3 loopt dwars door de stad van Oost naar West en is volgens de journalist – in 2016 overleden – onze „hoofdstedelijke versie van de Trans-Siberische spoorweg”. Wie reisschrijver wil worden, tekende hij op, kan maar beter klein beginnen en om aan te tonen „dat reisschrijven geen kunst is” stapte hij zelf eens op de 3. Vanaf het Concertgebouw, om „onopgesmukt” te noteren „hoe het leven in de zoutketen is”.

„Het wordt wel druk hoor. Boodschappen, karretjes, álles komt erin. De 3 is echt een markttram.”

Zelf was ik, ambitieus, deze morgen helemaal opgestapt bij het beginpunt aan het Flevopark in Oost. Daar trof ik een gereedstaande tram en een goedlachse bestuurder, Renold Roethof, die me onder het genot van een sigaartje alvast voorbereidde op een reis die volgens de planning 33 minuten zou duren.

„Het wordt wel druk hoor. Boodschappen, karretjes, álles komt erin. De 3 is echt een markttram. Hij komt langs de Dappermarkt, de Albert Cuyp, de Ten Cate en op zaterdag de Noordermarkt. Van alle markten thuis! En veel toeristen hè. Rolkoffers. En ouderen. Rolstoelen. Want hij komt ook langs het ziekenhuis. En kinderwagens. Véél kinderwagens.” Glimlach: „Ze verwekken véél baby’s op deze route.”

Ik had vriendelijk meegelachen en pas na een blik op het informatiebord bij het instappen realiseerde ik me dat tramlijn 3 helemaal niet meer tot aan de Zoutkeetsgracht rijdt. „Al zeker een paar jaar niet”, vertelde Roethof die de tram in beweging zette. „Je kunt wel overstappen hoor.”

Overstappen ja. Maar nu ik na een lange rit als laatste passagier ben uitgestapt op eindhalte Frederik Hendrikplantsoen, slaat alsnog de verwarring toe. Op de tramhalte staat „lijn 12” terwijl toch echt alleen lijn 3 hier rijdt. Volgens de routekaart op de halte moet ik voor de Zoutkeetsgracht overstappen op lijn 5, verderop, maar op de 5 die langsrijdt zie ik ‘Van Hallstraat’ staan.

Zout? Zoutketen?

Het hele Gemeente Vervoer Bedrijf (GVB) is dezer dagen wat in verwarring, begrijp ik uit het infobord bij de halte: „Wij werken momenteel hard aan onze nieuwe dienstregeling vanaf 29 maart. Daardoor is het mogelijk dat niet alle reisinformatie klopt.” Het gehele netwerk gaat op de schop, begreep ik al. Dat is volgens het GVB ook reden voor het verdwijnen van lijn 3. Die wordt opgeheven om de capaciteit elders in de stad beter te benutten.

Toch maar even op straat vragen dan. „Zout? Zoutketen?” Een stel op de stoep kijkt me vragend aan. En als ik een dame met twee honden naar de Zoutkeetsgracht vraag kan ze alleen globaal wijzen naar de binnenstad. „De grachten zijn dáár.”

Bestuurder Ricardo Buhrs (54) reed vier jaar op lijn 3. Na de opheffing gaat hij op tram 26 verder.

Een oudere vrouw wachtend op lijn 3 terug richting Oost biedt uitkomst. „Je moet de 13 hebben.” Ze wijst naar een halte in de verte, ergens op de Marnixstraat nog voorbij de kruising. Maar eenmaal ter plekke blijk ik te wachten bij de bushalte in plaats van de tramhalte en zie ik lijn 13 zo aan me voorbijgaan. Eindhalte Zoutkeetsgracht. Dat wel.

Ik besluit te lopen. Het is mooi weer, de eerste lentezon. Al is de route niet bepaald uitnodigend. Almaar rechtdoor, best saai. De Marnixstraat is een uitgestorven straat met aan weerszijden sombere hoogbouw. Maar ik heb het ervoor over. „Reizen is geen pretje, maar arbeid”, had Hofland in zijn column opgetikt. „Nooit terugschrikken voor ontberingen.”

Persoonlijk had ik best uitgekeken naar de expeditie. Ik ben langs het tracé van lijn 3 opgegroeid, vlakbij het beginpunt in Oost, hoekje Dapperstraat/Wijttenbachstraat. In het jaar dat Hofland zijn column schreef was ik acht en vanaf het dakterras op vierhoog zag ik tram 3 stoppen voor mijn portiek. De gele banaan, heette-ie toen nog. Nu is het alweer decennia een blauwwit model genaamd Combino.

Naar het eindpunt was ik destijds nooit afgereisd en oog voor de tram had ik evenmin. Liever liet ik als achtjarige vanaf het dakterras een lege portemonnee aan een dunne draad naar beneden zakken om ’m snel weg te trekken zodra iemand de beurs van de grond wilde pakken. Het geluk was dat we boven De Snackstek woonden en beneden altijd mensen stonden te leunen tegen de muur. De hele dag. Geregeld – dat zag ik later – kwam er dan iemand langs en gaven twee mannen elkaar een hand met iets erin.

Desperado’s

De sfeer op tramlijn 3, beloofde Hofland, is anders dan die op de „rijkeluistrams”. Hier trof je „ruwe types met doorgroefde koppen, gelukszoekers, bekkensnijders en desperado’s die een seizoen in de zoutketen gingen doorbrengen in de hoop daar snel een fortuin te vergaren”. Heel anders dan de „kantoorheertjes” en „dames op weg om een hoedje te kopen” op tramlijn 4 en 16.

Tijden veranderen. We reden langs De Snackstek die nu Lunchroom Ernos heet en ik zag niemand meer leunen tegen de muur. Nog steeds is dit een sociaal-economisch kwetsbaar deel van de stad en ik zag mensen instappen die Hofland wellicht tot de ruwe types had gerekend. Maar als gevolg van gentrificatie stapten nu ook hordes studenten, keurige dames en een groep Britse meiden met rolkoffers in. Eigenlijk alle types wel.

Ploegend over de Marnixstraat krijg ik dorst en bij slagerij Rief reken ik een blikje kokoswater af. „2 euro 25.” Vanachter een vitrine vol vlees vertelt eigenaar Latif Rief dat deze straat, toen hij begon in de jaren negentig, veel levendiger was. Er woonden grote gezinnen in kleine huizen, veel Marokkaanse Nederlanders, en iedereen leefde op straat. Nu wonen hier vooral jongelui met drukke banen. Die tref je amper buiten. Ja, rennend, met oortjes in.

Even verderop, bij coffeeshop Bronx, maak ik een praatje met ene Hicham (53), die hangend tegen de etalageruit meezingt met de Dire Straits uit z’n telefoon. „Bob Dylan luister ik ook vaak. Is een filosoof hè. De Spinoza van de musici! Wist je dat de Rolling Stones én The Beatles nog naar zíjn concerten zijn geweest?”

Nog iets verder blijf ik staan kijken bij twee mannen vliegend door de Marnix Bowl, een skatebaan op een wat hoger gelegen plantsoen. „De beste bowl van Nederland”, zegt David Rocca (30) die op z’n skeelers even indropt. „De verhoudingen zijn gewoon goed.” De ervaren Ruud Jansen (49), op skateboard: „Deze bowl is wat vergevingsgezinder dan andere. Niet té steil. Iets toegeeflijker.”

Met de tram gaat Rocca liever niet. Ja, hangend erachter op het Weteringcircuit. „Dat vinden ze meestal niet zo leuk.” Maar waarom zou je het ov nemen als je over de weg kunt glijden op je eigen wieltjes? „Een veel vrijer gevoel. Zeker in de nacht. Alsof de hele stad van jou is.”

Daar kan ik me na dat ritje met lijn 3 wel iets bij voorstellen. Tot aan het Oosterpark viel het met de drukte wel mee, maar vanaf De Pijp begreep ik waarom trambestuurder Roethof zo had gewaarschuwd. We stonden opeengepakt terwijl de tram schokkend en tringelend zijn weg zocht door het drukke verkeer. Achterin had de conductrice haar handen vol aan het managen van de binnenkomende kinderwagens (max. twee) en aan iedereen die onterecht op de stoeltjes voor mindervaliden ging zitten. En bij elke halte stapten alleen maar méér lui in.

Terloops gesprek

De ware reiziger, schreef Hofland, zou zich er niets van aantrekken. Die kenmerkt zich door een gevoel van: „Zolang we rijden kan mij niets gebeuren.” En als je eenmaal zo ver bent, dan is reisverhalen maken volgens hem kinderwerk. „Je hoeft maar naar buiten te kijken, een beetje te onthouden wat je ziet, misschien nog een terloops gesprek aan te knopen met iemand in je buurt, en als je dan weer thuis bent, merk je tot je verrassing dat je een reisverhaal hebt.”

Naar buiten kijken lukte me wel, maar dat terloopse gesprek viel in de tram niet mee. Zowat iedereen om me heen volgde een eigen reis, op de telefoon. Meeglurend op de schermen zag ik passagiers verdiept in hairstyling-demo’s, stilteretraites en de trailer van de nieuwe Spiderman-film. Ze waren druk met een videocall of een voicememo – en zelfs als we de Amstel passeerden, glinsterend in de lentezon, en in de verte de Magere Brug, het Amstel Hotel en Carré, Het Concertgebouw, het Museumplein en het Vondelpark, was er vrijwel niemand die het zag. Ja, enkele toeristen. En de senioren. Die keken nog om zich heen.

En zo kwam het dat ik toch nog in gesprek raakte met een passagier. Paulette Richter (72), die al vijftien jaar tweemaal per week voor een bezoek aan haar vriend met tramlijn 3 heen en weer pendelt tussen Oost en West. Eerst had ik staan luistervinken en stiekem noteren terwijl ze een bekende tegenkwam.

„Karin, hoe is ’t nou met je moeder?”

„Slecht, ik dacht dat ze doodging.”

„Ooo, wat een zorgen allemaal hè. Dus je gaat op bezoek?”

„Normaal met de auto, maar ze hebben m’n autospiegel eraf getrapt dus nu met de tram.”

„Maar hij gaat weg hè, de 3.”

„Hoezo weg?”

„Gewoon weg. Geen 3 meer.”

„O, hoe moet het dan…”

„Ja, ik vind het ook niks.”

„Het is altijd maar dat de dingen verdwijnen.”

„Het is jammer”, knikte Richter, „dat er geen reservewereld is. Een wereld waarin de dingen hetzelfde bleven. Dan gingen we daar naartoe.”

Ze is gehecht aan lijn 3, vertelde Richter me. Omdat deze tram de hele stad doorkruist. Straks nemen tram 12 en tram 25 de route over, maar dat betekent dus overstappen en wachten op een halte waar je niet altijd kunt zitten. Zeker voor alle ouderen die lijn 3 nemen om het ziekenhuis in Oost te bezoeken, een niet te onderschatten gevolg.

Ik bereik het einde van de Marnixstraat en passeer de Bullebak, een brug vernoemd naar het gelijknamige waterspook dat volgens de overlevering hier ooit in het water heeft gelegen om de kindertjes angst aan te jagen. Ik eet een boterhammetje op het Haarlemmerplein en zie clubjes senioren met klapstoeltjes genieten van de zon. Op een bankje achter de haringkraam poogt een man met wandelstok zelfs een vrouw met rollator te versieren. Met Italiaans accent. „Je ziet er zo mooi uit. Je háár zit zo goed.” Al deze senioren – ik kan niet anders concluderen – zijn als vrije geesten, onbeteugeld door de schermen, toch de winnaars van deze tijd.

Ik moet door. Onder de spoorbrug door de rustige Planciusstraat in. Hier, op De Eilanden met doorkijkjes richting het IJ, is de sfeer anders dan in die drukke stad. Sereen. Verstild. En ik zie daar zelfs al in de verte de contouren van de Zoutkeetsgracht.

Eerst lijn 3, had Hofland geschreven. Dan Haarlem, Coevorden en tenslotte Patagonië, „het land van de mensen met de grote voeten en het einddoel van iedere geboren reiziger”.

En daarom ploeg ik door, benieuwd hoe de zoutketen erbij liggen.

Een poster van tram 3 op het GVB-kantoortje bij beginhalte Flevopark.

Schrijf je in voor de nieuwsbrief NRC Voorkennis

Economieredacteuren nemen je mee in de discussies die zij op de redactie voeren over actuele ontwikkelingen

Verkeer en infrastructuur

Lees meer

Lees meer

Lees meer

Source: NRC

Previous

Next