Onrustige geesten Een eetstoornis kan dienen als een identiteit, waardoor het lastig is om ervan af te komen. Corinne Heyrman en Jante Wortel schreven een boek om een steriele ruimte te creëren waarin de wond van een eetstoornis kan bestaan.
Rachel Aviv is nog maar zes jaar oud als ze in het ziekenhuis wordt opgenomen met een eetstoornis. „I had some thing that was a siknis its cald anexorea”, schrijft ze in haar dagboek. In haar briljante Vreemden voor onszelf (2023) volgt de Amerikaanse journalist jaren later vijf mensen met psychische stoornissen die op verschillende manieren zijn vastgelopen in het zorgsysteem. Haar eigen ervaring met anorexia, die ze enkel in de proloog en epiloog behandelt, wordt zo ingebed in een groter verhaal van psychische stoornissen en de behandeling daarvan.
Aviv weet niet meer precies waarom ze begon met vasten, maar ze herinnert zich: „De eerste keer dat ik me realiseerde dat het mogelijk was om nee te zeggen tegen eten […] had de religieuze kracht van de feestdag [Jom Kippoer] en droeg een aura van martelaarschap.” Ze haalt de Franse filosoof René Girard aan die „stelt dat anorexia is geworteld in ‘het verlangen als een heilige te worden gezien, niet om een heilige te zijn’. Hij schrijft: ‘Er schuilt grote ironie in het feit dat het moderne proces om religie uit te roeien talloze karikaturen ervan voortbrengt.’”
Corinne Heyrman en Jante Wortel: Het ongemak van een lichaam. Twee schrijvers over eetproblemen. De Arbeiderspers, 220 blz. €22,99
Zelf schrijft ze: „Anorexia kan aanvoelen als een spirituele oefening, een verwrongen manier om een verhevener identiteit te vinden”. De anorexia als vervanging, een karikatuur van de oude religie.
Rachel Aviv: Vreemden voor onszelf. Psychische stoornissen en de verhalen die ons vormen. (Strangers to Ourselves. Stories of unsettled minds) Vert. Jan Willem Reitsema en Albert Witteveen. Atlas Contact, 286 blz. €24,99
Amélie Nothomb: De hongerheldin. (Biographie de la faim) Vert. Marijke Arijs. Manteau / De Bezige Bij, 206 blz. (alleen tweedehands)
Eva Illouz: Explosieve moderniteit. Hoe emoties onze tijd bepalen. (Explosive Moderne: Eine scharfsinnige Analyse unsereremotionsgeladenen Gegenwart) Vert. Eelke Verhagen. Ten Have, 312 blz. €29,99
In het ziekenhuis ontmoet Aviv twee oudere meisjes, Hava en Carrie, die veel getrainder zijn in de ziekte dan zijzelf. Van hen leert ze ’s avonds ‘jumping jacks’ te doen. Ze voelde zich „aangetrokken tot het gegeven dat Hava en Carrie een nieuw waardesysteem hadden aangenomen”. Over Hava schrijft ze: „Het leek erop alsof ze haar lichaam disciplineerde voor een hoger doel dat ze nooit noemde.” Met de ziekte streeft Hava naar ascese.
Aviv haalt de antropoloog Nonja Peters aan die schrijft: „Als de ascetische weg eenmaal is ingeslagen, brengt het ascetische gedrag ascetische motivaties voort – het is niet andersom.” Ascese, het opgeven van aardse verlangens zoals eten, wordt een doel of een verslaving op zich en houdt zichzelf in stand. Peters stelt dat de eetstoornis weliswaar veroorzaakt wordt door een specifieke impuls, zoals maatschappelijke normen over schoonheid, maar wanneer deze „impulsieve beslissing” aan kracht heeft gewonnen „wordt deze steeds moeilijker terug te draaien”.
Behalve het gevoel verheven te zijn, kan een eetstoornis geruststelling bieden. „Etiketten [zoals een eetstoornis] zijn zo slecht nog niet”, schrijft Hava in haar dagboek. „Ze geven je tenminste een titel om naar te leven […] en een identiteit.” Het kan een taal opleveren waardoor je jezelf leert begrijpen. En met die taal creëren we verhalen over onszelf. Soms zijn die een geruststelling of zelfs een redding, maar mensen „kunnen er ook in vast komen te zitten”, schrijft Aviv. Zo’n verhaal kan een gevangenis worden en „als je midden in een ziekte zit, kan het heel moeilijk zijn om te weten wat wat is”.
Zorginstellingen proberen doorgaans te bepalen welke verhalen ‘helend’ zijn: welke zijn ‘goed’ en welke ‘fout’? Om iemand te kunnen genezen leunen zorgverleners op psychiatrische modellen om de ziekte te verklaren en te behandelen, maar deze modellen benadrukken ook het verhaal van de ziekte. „Een psychische aandoening wordt vaak gezien als een chronische en hardnekkige kracht die ons leven overneemt”, stelt Aviv. Maar ze vraagt zich af „in hoeverre de verhalen die we erover vertellen, vooral in het begin, het verdere verloop […] bepalen”. Zorgen de verhalen van deze psychiatrische modellen er soms niet voor dat een zieke juist vaster draait in zo’n verhaal?
Zelf begint Aviv na twee weken in het ziekenhuis van de ene op de andere dag weer te eten. In tegenstelling tot Hava had zij op haar zesde nog niet het gevoel vast te zitten „in een verhaal over de aandoening”. Misschien was het juist de afwezigheid van een verhaal die haar toen heeft gered. Was ze langer in het ziekenhuis gebleven, dan had het ook anders kunnen lopen.
In het onlangs verschenen Het ongemak van een lichaam beamen schrijfsters Corinne Heyrman en Jante Wortel het risico van een diagnose. Wortel schrijft: „Het gevaar schuilt erin dat we soms de neiging hebben om alles te koppelen aan de eetstoornis.”
Het idee achter dit boek, dat een correspondentie bevat tussen de twee schrijfsters over hun ervaring met een eetstoornis, ontstond na het verschijnen van hun beider debuutromans, waarin het over eetstoornissen ging. Waarna zij een stortvloed aan reacties ontvingen van mensen die ook met een eetstoornis te maken hadden. „Zij ook al? Ja, zij ook al.”
De bedoeling van hun boek is niet om een oplossing voor het probleem te bieden, maar om het erover te hebben, schrijft Heyrman. „Ik wil een steriele ruimte creëren waarin een wond kan bestaan.”
Hoewel goede zorg essentieel is om het toenemende aantal mensen met dergelijke stoornissen op te kunnen vangen, blijft het lastig om te bepalen hoe die er precies uit moet zien. Want zoals Heyrman en Wortel benadrukken: de ziekte, en daarmee ook de oplossing, is voor iedereen anders.
Een van de moeilijkheden is de vraag in hoeverre de persoon gescheiden kan worden van een eetstoornis. „Waar houdt de persoon op en begint de eetstoornis?” vraagt Wortel zich af. In de zorg wordt dit onderscheid vaak „keihard gemaakt”, maar „het kan heel schadelijk zijn om het gevoel te krijgen dat er íéts in je zit wat eruit moet”, stelt ze. „[A]ls er naar je wordt gekeken alsof je bezeten bent […] dan ga je dat na een tijdje ook zo voelen.” Er wordt gefoeterd op de eetstoornis, maar dat raakt mij ook als persoon. „Hoe cru het ook klinkt: mijn eetstoornis, dat ben ik wél.”
Tegelijkertijd is het voor zieken moeilijk om zich echt met hun eetstoornis te identificeren. Je bent het wel én niet. Voor velen voelt de ziekte als een ‘monster’ die hen overneemt. Heyrman ziet de ziekte als een niet-vastomlijnd personage, een personage dat „steeds weer een ander kostuumpje” aandoet. En Wortel stelt dat we steeds de controle willen terugpakken, maar in het „spelletje van: wie heeft hier de macht?” zal er uiteindelijk altijd maar één iemand winnen, namelijk „de eetstoornis”. De ziekte lijkt een tiran waar de zieken in theorie van af willen, maar wiens regime ze geïnternaliseerd hebben en waaraan ze zich daarom blijven vastklampen. En dat is begrijpelijk. Een tiran biedt houvast.
Het grootste probleem bij de behandeling is dan ook de weerstand van een zieke om beter te worden, stellen Wortel en Heyrman. De eetstoornis, die in de kern niet over eten gaat, helpt om grip te krijgen op andere onderliggende angsten en problemen. Velen hebben zich uit bescherming zodanig vastgeklampt aan de identiteit en de mechanismes van de ziekte, dat het loslaten ervan haast onmogelijk wordt. Deze zieken willen ziek blijven. Wortel schrijft: „Ik [wilde] nooit dun zijn. Ik wilde […] ziekelijk dun zijn. Ziek.” Ze schaamt zich wanneer ze het toegeeft.
In haar boek De hongerheldin (2005) beschrijft ook de Franse schrijfster Amélie Nothomb de periode van haar eetstoornis. Ze schrijft: „Ik [kwam] achter de etymologie van het woord ‘maladie’. Dat was afgeleid van ‘mal à dire’. Een zieke was dus iemand die moeite had om iets te zeggen. Zijn lichaam zei het voor hem in de vorm van een ziekte.” Maar deze definitie (die we aan Nothomb moeten toeschrijven) impliceerde ook het tegenovergestelde: „dat je beter werd zodra je iets kon verwoorden”. Alleen het probleem bleef: welke woorden moesten er gevonden worden?
Nothomb stopte op dertienjarige leeftijd met eten omdat ze de stem in haar binnenste, de stem van zelfhaat, de mond wilde snoeren. Ze schrijft: „De anorexia was voor mij een zegen: de stem in mijn binnenste was aan ondervoeding bezweken; mijn boezem was weer verrukkelijk plat […] eigenlijk voelde ik helemaal niets meer.” En vervolgt: „Het was een verademing: ik haatte mezelf niet meer.” Maar ze merkte dat met haar gewicht ook haar verstand aftakelde, wat ervoor zorgde dat zij anorexia niet beschouwde als ascese, een bevrijding van de geest, maar als het tegenovergestelde ervan: „Niets maakt een mens zo materialistisch als langdurig vasten. Op den duur sterft dat wat ze de ziel noemen helemaal af.”
Dat is de reden dat veel mensen met een eetstoornis er uiteindelijk toch van af willen, uit zichzelf of omdat ze hiertoe verleid of gedwongen worden door hun omgeving. Hoewel sommigen op het randje van de dood balanceren en vijf tot tien procent van de patiënten ook aan de ziekte overlijdt, willen de meeste zieken uiteindelijk niet dood. Ze lijken alleen niet meer goed te weten hoe te leven. Herstel van een eetstoornis is vaak een slopend proces waarbij niet simpelweg nieuwe eetgewoontes aangeleerd moeten worden, maar een nieuwe manier van leven gevonden moet worden, een nieuwe identiteit. En hoe vind je die? Als je weer gaat eten, komen alle gevoelens die weggestopt waren tien keer zo hard terug.
Nothomb beschrijft hoe pijnlijk de terugkeer naar een ‘normale’ verhouding met het lichaam kan zijn: „De stem van de haat, die door anorexia twee jaar lang tot zwijgen was gebracht, liet weer van zich horen en beledigde me erger dan ooit tevoren.” „Mijn lichaam begon er weer normaal uit te zien. Ik haatte het meer dan ooit.” „Ik koesterde een afschuwelijk waanidee: ik zag er nu uit als een gewoon meisje van zestien, wat niet meteen het ergste was wat een mens kon overkomen, maar vanbinnen voelde ik me een reusachtige kakkerlak.” „Wat was ik graag zo [als de vogels] geweest: iets onbepaalds, vrij om te vliegen waarheen ik maar wilde. In plaats daarvan zat ik gevangen in een ongastvrij, ziek lichaam en een door destructie geobsedeerde geest.” Deze helse gevoelens duurden bij haar zeker twee jaar, waarna ze pas langzaam haar focus kon verleggen. Het schrijven hielp.
Maar het ‘succesverhaal’ van Nothomb is niet vanzelfsprekend. Het is geen gegeven dat mensen zomaar door deze periode heen komen en vaak resulteren pogingen om weer te eten in terugvallen in de eetstoornis. Het is een angstig proces. Om weer een normale verhouding met het lichaam te krijgen, moet natuurlijk opnieuw geleerd worden om te luisteren naar intuïtie, behoeftes en gevoelens. Maar er zit ook een keerzijde aan deze focus op emoties die we in hedendaagse behandelmethodes veel zien.
In haar boek Explosieve moderniteit (2025) stelt sociologe Eva Illouz dat moderne therapeutische technieken „een zeer lucratieve bedrijfstak [zijn] van zelfverbetering”, waar mensen „hun emoties leren kennen, reguleren, disciplineren en transformeren”. Op deze manier kunnen „hedendaagse mensen met een droom zich omhoog [werken] van emotioneel bordenwasser tot psychologisch miljonair”. Het narratief is: als je emoties op de juiste manier disciplineert, kun je veel beter worden, of in ieder geval weer normaal. Maar wie Aviv leest, begrijpt dat het ‘verhaal’ waarmee we onze emoties disciplineren juist stigmatiserend kan werken in plaats van bevrijdend.
Wanneer we onze emoties proberen te vormen naar een ideaal van mentale gezondheid, dan zijn afwijkingen van dit ideaal ongezond. We mogen emotioneel niet uit balans raken en daar stellen we ons handelen op in. Via maatschappelijke etiketten wordt geprobeerd om „de onoverzichtelijke chaos van het innerlijke leven een naam te geven”, stelt Illouz die kritisch is op deze moderne wijze om met emoties om te gaan. In feite is het willen beheersen van onze emoties opnieuw een manier om grip te krijgen op een chaotische innerlijke wereld. Waar eerst het regime van de eetstoornis werd gevolgd om met deze chaos om te gaan, zijn het nu de eigen emoties die het leven dicteren. In beide gevallen worden we geleid door een verlangen naar houvast.
Wanneer Hava contact heeft met vriendinnen van vorige ziekenhuisopnames, schrijft ze in haar dagboek dat „iedereen met wie het goed ging haar nieuwgevonden leven aan God toeschreef”. Aviv vervolgt, „Ze konden verder met hun leven, zo leek het, omdat ze hun leven hadden heringericht rondom een nieuw verhaal”. Misschien zoeken we in onze emoties ook een soort God, een verhaal waaromheen we ons leven kunnen inrichten.
Heyrman en Wortel gaan in hun boek niet zo ver. Ze zien vooral met lede ogen aan hoe het zorgsysteem maar moeizaam verandert en lijken met hun boek te willen zeggen: genezen slaat ook een gat.
Economieredacteuren nemen je mee in de discussies die zij op de redactie voeren over actuele ontwikkelingen