Biografie Wessel Kruls biografie van schilder Charley Toorop is een monument voor een karaktervolle kunstenaar. Zij werkte zichzelf omhoog in een mannenwereld, waarin grote ideeën bestonden over hoe kunst en de maatschappij eruit moesten zien.
Bergen (N.H.) 1941, Charley Toorop in haar atelier
Het was een Engel der Liefde, die Jan Toorop begin vorige eeuw opnam in een kerkelijke decoratie, voor de Aloysiuskapel in de Haarlemse Sint-Bavokerk. Met opgeheven wijsvinger prijkt ze daar onder het motto ‘Ad maiorem gloriam Dei’, tot meerdere ere Gods. Voor een toonbeeld van engelachtigheid hoefde Toorop het niet ver te zoeken: hij gaf zijn eigen dochter Charley wel vaker geïdealiseerd weer.
Het is wat, om als kind te worden neergezet als engel in een kerk. En dat is nog niet eens de grootste last die ze meekreeg van haar jeugd, opgroeiend als enig kind in het artiestenbestaan van haar vader en het ijzig slechte huwelijk van haar ouders. „Uit deze twee mensen ontstaat mijn conflict”, is een uitspraak die haar biograaf Wessel Krul optekende in Charley Toorop. Een schildersleven, 639 pagina’s dik. Een kloek boek voor een kloeke persoonlijkheid die honderd jaar geleden, net als haar vader voor haar, een spilfiguur in het Nederlandse kunstleven werd.
Wessel Krul: Charley Toorop. Een schildersleven. Boom, 639 blz. € 39,90
Krul had genoeg materiaal om op te varen, want Charley Toorop (1891-1955) had weliswaar al vroeg een telefoon, maar schreef gelukkig ook ellenlange brieven aan haar vele vrienden. Waarschijnlijk had Krul het makkelijker dan destijds Bram Hammacher, die een biografie schreef voor Toorops zestigste verjaardag en de tekst zo ongeveer door haar gedicteerd kreeg. Zo’n voortvarende aanpak was een goede eigenschap voor kunstenaar tijdens de avant-gardes. Want die waren zo nieuw dat niemand op je zat te wachten. Stevig in je schoenen staan was helemaal nodig als je Charley Toorop was: vrouw in een mannenwereld, een moeilijke jeugd, dan een problematisch huwelijk, in een veeleisende professie waar ze alles voor gaf.
De biografie neemt een lange aanloop met het schetsen van haar ouders en voorouders, net als Kruls biografie van Boijmans-directeur Dirk Hannema uit 2018. Hier heeft die aanloop als voordeel dat je er eigenlijk een tweede interessante kunstenaar gratis bij krijgt, haar vader. Uiteraard was het geen doorsnee gezin. „Ik leerde natuurlijk niets”, zei Charley over de scholing in het rondreizende bestaan van haar jeugd. Muziek leerde ze wel en ze zou zelfs professioneel violist worden, vonden haar ouders die haar zo onder druk zetten dat ze er overspannen van werd.
Ze koos liever voor schilderkunst en toen bleek die beroemde vader best een pluspunt. Hij introduceerde haar in de kunstwereld waar ze zich omringde met kunstenaars en intellectuelen die net als zij wilden dat kunst van maatschappelijke betekenis was. Daarom is dit boek zo dik: al die gesprekken, relaties, bespiegelingen pasten in een hartstochtelijk kunstenaarsbestaan. Kunst en leven vallen samen en dat wordt in detail beschreven. Toch verveelt zelfs het dagelijkse gedreutel niet en dat komt door de manier waarop Krul alles steeds met duiding samenbalt.
Dat is heel welkom, al betekent duiding ook interpretatie en zou een andere auteur wellicht tot andere duiding kunnen komen. Zo had Charley haar zoon John, toen hij een baby was, met een kussen willen smoren. Getuigt dat inderdaad van een ongeduldig karakter zoals Krul zegt, of is het diepe stille wanhoop? Zo jong al zwanger, plots gehuwd, meteen het ouderlijk huis uit, tijdelijk gebroken met haar ouders, naar een rampzalig huwelijk met de gewelddadige filosofiestudent Henk Fernhout, halsoverkop kostwinner geworden in een artistiek beroep zonder houvast. En dan blijft de baby huilen. Is het dan niet eerder een onbeschrijflijke postnatale uitputting waardoor je dat niet aankunt?
Er drukte veel op haar schouders, vaker dan eens volgden oververmoeidheid of zelfs een depressie. Een moeilijk leven van een moeilijke vrouw, Krul heeft het over het ‘klaaglijke refrein’ in haar brieven en ook haar tijdgenoten moesten soms flink wat verzuchten – een „militaire sfeer, afschuwelijk”, zei Bep Rietveld over Toorops huishouden waar ze vaak logeerde.
Die militaire discipline vertaalde zich uiteindelijk, na hobbels en negatieve recensies, naar artistiek succes. Kunstpaus H.P. Bremmer werd fan. Hij overtuigde Boijmans-directeur Hannema dat Toorops nieuwe expressionisme geen spontane gevoelsuiting was, maar een vorm van vergeestelijking. Zoals haar vader dat vond in het katholicisme – Charley ergerde zich als kind kapot aan al die katholieke geestelijken die er de deur plat liepen – vertaalde zij haar spiritualiteit vanuit theosofische invloeden naar een expressieve schilderstijl. Harde portretten met grote ogen, als „hogere psychische expressie”, combineerden het hogere met het medemenselijke.
Daarachter, om het nog ingewikkelder te maken, zat dat verlangen dat kunst een collectieve en politieke uitwerking zou hebben. Supervaag, maar juist dit is zo boeiend aan het boek: die rijkdom aan de grote wilde ideeën van die tijd. Grote ideeën kunnen zorgen voor grote inzichten, of voor gapende leegtes, zoals bij Henk Fernhout. Hij wilde als filosoof van betekenis zijn maar kwam tot niets, ging drinken, waardoor nog minder lukte en hij dus nog meer ging drinken, enzovoorts. Toen Toorop later portretten maakte in een psychiatrische kliniek, hield ze dat niet lang vol: de patiënten deden haar te veel denken aan Fernhout, inmiddels haar ex, en inmiddels draaideurpatiënt.
Charley Toorop: Zelfportret met palet, 1934.
Hij is niet de enige man die er in het boek niet goed vanaf komt. Grote geest Arthur Lehning, een van Toorops vele minnaars, blijkt een kleinzielig mannetje. Terwijl hij zijn visionaire teksten over kunst en politiek schreef, mishandelde hij haar zoals haar ex-man ook had gedaan. Lehning verwachtte door haar te worden onderhouden en verzorgd, en hanteerde een dubbele moraal: hij mocht wel vreemdgaan, zij niet. Treffend beschrijft Krul hoe de liefde in die langdurige conflictueuze relatie verwerd tot een dwanggedachte.
Een andere tegenslag, ietwat onvermijdelijk, is dat kunstenaars uit de mode raken. Toorops goede vriend Mondriaan zat er beteuterd bij toen in de jaren dertig abstracte kunst als passé gold. Ook Toorops beste jaren kwamen achter haar te liggen. Later, postuum, zou de waardering opnieuw schommelen – een ander boek moet eens belichten waarom veel vrouwen in de tweede helft vorige eeuw zo negatief beoordeeld werden.
Want bij leven was haar toch veel eer te beurt gevallen, met belangrijke tentoonstellingen, de Biënnale van Venetië, publicaties. Voormalig verzetskrant Het Parool noemde haar in 1948 in het artikel ‘Zij hielpen Nederland grootmaken’. Tijdens de bezetting was ze door haar compromisloos antifascisme opgeschoven naar het communisme, al kreeg de CPN later twijfels over het ideologisch gehalte van die toch wel erg harde portretten van boeren en arbeiders. Maar Toorop, die zichzelf net zo onvoordelig portretteerde, trok zich van kritiek nooit zo veel aan.
Vooral werd uitgepakt bij de eretentoonstelling voor haar zestigste verjaardag, waar zelfs het Amerikaanse blad Time aandacht aan besteedde. Ze is iemand die geen interesse heeft in het leven, vertelde ze hen, alleen in de kunst. Maar dit boek spreekt dat tegen: die twee zijn onlosmakelijk verbonden. Zonder leven geen kunst, zonder kunst geen leven.
Het laatste boekennieuws met onze recensies, de interessantste artikelen en interviews