Home

Zou discrimineren wel oké zijn als het niet strafbaar was?

Dat mag jij vinden Thomas Hogeling beschouwt wekelijks de publieke opinie. Wat wordt er gezegd en vooral niet gezegd? Deze keer: het juridiseren van het debat.

Gert-Jan Segers voelde zich geroepen om in zijn column in de Volkskrant uit te leggen waarom Rabin Baldewsingh, de Nationaal Coördinator tegen Discriminatie en Racisme, moslimdiscriminatie bestrijdt: „Discriminatie is een strafbaar feit, ook als moslims er slachtoffer van zijn. Baldewsingh wil daarom werk maken van de bestrijding van deze specifieke vorm van discriminatie.” Sinds ik dat heb gelezen, laat het me niet los. Is dat echt waarom discriminatie bestreden dient te worden? Omdat het bij wet verboden is? En wat nou als die wet wordt afgeschaft? Of als er in de wet komt te staan dat het verboden is, behalve als moslims er slachtoffer van zijn? Is moslimdiscriminatie dan wel oké?

Ik denk terug aan mijn studententijd, toen ik voor mijn master strafrecht het vak ‘oefenrechtbank’ volgde. Het was geweldig; we kregen een echte zaak en mochten pleiten in een echte rechtbank met echte rechters. Ik kreeg de rol van officier van justitie en betoogde dat de verdachte van een gewapende overval een gevangenisstraf van zeven jaar verdiende. Een belangrijk argument in mijn requisitoir was dat we in Nederland een verbod kennen op gewapende overvallen, ik wees op artikel 312 in het wetboek van strafrecht. Het commentaar van de rechter was dodelijk: „Dus even voor de duidelijkheid, je mag niet met een geladen pistool een tankstation overvallen, begrijp ik dat goed? Had u me dat maar eerder verteld, meneer Hogeling, dan had ik al die overvallers die ik hier in de rechtszaal heb gehad nóóit vrijgesproken.” Zesje gescoord, lesje geleerd.

Naarmate het vergrijp ernstiger wordt, voelt het raarder om de wet erbij te halen. Als ik een boete krijg voor door rood lopen terwijl er in de verste verte geen verkeer in aantocht is, kan ik me nog voorstellen dat de politie me erop wijst dat het dan net zo goed niet mag. Maar als ik word opgepakt voor het doodschieten van de buurman, hoeft niemand me te herinneren aan de wettelijke verboden op moord en doodslag.

Het is ook zwak om op de wet te wijzen als er geen consensus over bestaat. Neem het verbod op kraken, dat in 2010 met een kleine meerderheid werd aangenomen. In debatten over de woningnood wordt er sindsdien regelmatig op gewezen dat kraken een misdrijf is – en dat krakers dus criminelen zijn. Maar als een aanzienlijk deel van de bevolking zo’n wet niet steunt, is het niet genoeg om erop te wijzen dat die wet nou eenmaal bestaat. Leg uit waarom je vindt dat die wet moet blijven bestaan. Waarom kraken zelfs in een woningnood en met zoveel leegstand toch onwenselijk is. Want zoals de tekst op een poster die ik zag in een Amsterdams kraakpand het kernachtige samenvatte: „Het mag niet, maar het kan wél!”

Door het juridiseren van het debat lijkt de wet een soort natuurverschijnsel, iets waar je niets aan kunt veranderen. Zeker met de opkomst van extreemrechts schuilt daarin een gevaar. Aanhangers van een partij als Forum voor Democratie hebben bijvoorbeeld niets met het discriminatieverbod. Als je erop wijst dat discriminatie verboden is, is het antwoord snel gegeven: dan schaffen we dat verbod toch af? Het voelt misschien als een stap terug, maar het verbod op discriminatie zal opnieuw inhoudelijk verdedigd moeten worden. 

Dat is op zichzelf ook waardevol. Als je zo’n verbod voor lief gaat nemen, kan het een dead dogma worden. Het bestaat dan nog wel, maar mensen weten niet zo goed meer waarom. Dat maakt zo’n wet kwetsbaar, zelfs als het is vastgelegd in artikel 1 van de grondwet.

Dat mag jij vinden

Lees meer

Lees meer

Lees meer

Source: NRC

Previous

Next