Julien Althuisius is schrijver en voor de Volkskrant columnist over het dagelijks leven.
Ik weet niet wanneer bepaald gedrag wordt beschouwd als pathologisch, maar ik geloof dat de behoefte mijn schaamstreek aan wildvreemden te laten zien de grenzen een beetje begint te raken.
Nu sta ik midden in de duinen tegenover een oudere heer, hij zal ergens in de 70 zijn. Hij draagt een volledig zwarte hardloopoutfit en kijkt me vriendelijk aan. We staan aan weerszijden van het pad waarop we elkaar een paar keer per week kruisen als we aan het hardlopen zijn. Dan zeggen we elkaar vriendelijk gedag, misschien een kleine zwaai erbij en rennen we door. We stoppen nooit en we hebben verder nog nooit een woord gewisseld. Tot vandaag, als hij ziet dat ik niet ren, maar wandel.
Columnisten hebben de vrijheid hun mening te geven en hoeven zich niet te houden aan de journalistieke regels voor objectiviteit. Lees hier onze richtlijnen.
‘Ben je geblesseerd?’, vraagt hij. Ik vertel hem dat ik net geopereerd ben aan een liesbreuk en dat ik voorlopig even niet kan sporten. Hij trekt een pijnlijk gezicht. Dat is voor mij het signaal vol op het huilorgel te gaan. ‘Het is vreselijk’, zeg ik hoofdschuddend en vertel hem over de pijn. Alsof een criminele organisatie me ontvoerd heeft, een nier uit mijn lijf heeft gesneden en me daarna met een nietpistool en ducttape weer dicht heeft gemaakt. Ik besef dat deze operatie een ingreepje van niets was; een uitgetrokken neushaar in vergelijking tot het leed van andere mensen die op de operatietafel terechtkomen. Maar it’s my party and I’ll cry if I want to.
De opgezwollen, paarsblauwe balzak is nog wel het ergste. Eén van de Teletubbies heeft een ernstig verkeersongeluk gehad en is tussen mijn benen gelegd. Dat is blijkbaar heel normaal, vertelde de chirurg mij voorafgaand aan de operatie. ‘Je hoeft niet bang te zijn dat de boel afsterft.’ Geruststellend, maar dat neemt niet weg: dit is echt geen pan. Kijk maar. Dus nu sta ik op het punt aan een wildvreemde, onschuldige meneer, die een en al goede bedoeling en interesse is, te vragen of hij mijn bont en blauwe balzak en penis wil aanschouwen.
Maar dit keer houd ik me in. Het vergt al mijn wilskracht, maar het lukt. De meneer wenst me sterkte en hervat zijn hardlooprondje. Ik hobbel verder en na een paar kilometer kom ik langs het meertje waar de lokale vogels resideren. Normaal gesproken ren ik hier altijd voorbij, maar nu heb ik de tijd om goed te luisteren. Ik hoor een vink, een kokmeeuw en helemaal in de verte een kievit, een groenling en een putter. Dat is tenminste wat mijn vogelapp me vertelt. Een besefmomentje overvalt me: hier sta ik, midden in de duinen. Nieuwbakken vogelaar, met een enorme paarsblauwe balzak. Dit pakken ze me nooit meer af.
Geen column meer missen?
Volg uw favoriete columnisten via de app.
Geselecteerd door de redactie
Source: Volkskrant