Home

Een bom, machtige mediamagnaten en lasterzaken: journalisten in Italië krijgen het steeds moeilijker

Persvrijheid Er heerst onrust binnen de Italiaanse media, over de verkoop van La Repubblica, de laatste grote progressieve krant, en over journalisten die worden aangeklaagd, afgeluisterd en bedreigd. Daarbij komt groeiende politieke druk: „Italië staat qua persvrijheid dichter bij Centraal-Europa dan bij het Westen.” 

Bij een bijeenkomst ter ere van het vijftigjarig jubileum van La Repubblica in januari demonstreerden journalisten van de krant tegen ceo John Elkann. Op hun spandoek staat de tekst 'Elkann, dit is niet jouw feestje'.

Een donkere auto stopt vlak bij een visbistro in de Romeinse wijk Monteverde. Twee politieagenten in burger stappen uit, gevolgd door Sigfrido Ranucci (64). Hij is een van de bekendste onderzoeksjournalisten in Italië, komt veel op tv en is zoals vaak gekleed in wit overhemd en jeans.

In 2005 had Ranucci een internationale scoop door aan te tonen dat het Amerikaanse leger een jaar eerder in het Iraakse Fallujah witte fosfor tegen burgers had gebruikt. In eigen land neemt hij al jaren ondernemers, politici en maffiosi op de korrel. Dat zijn machtige vijanden, waardoor Ranucci net als 27 andere journalisten onder politiebescherming staat. Zo’n 250 journalisten krijgen in Italië een lichtere vorm van bescherming, zoals een patrouille langs hun huis.

De noodzaak daarvan bleek in oktober, toen een bom ontplofte voor Ranucci’s huis in Pomezia, ten zuiden van Rome. Zijn auto brandde uit, de ernaast geparkeerde auto van zijn dochter is goed voor de schroothoop. „Je weet natuurlijk dat dit beroep risico’s inhoudt”, zegt hij zacht, terwijl hij in een bord pasta met venusschelpen prikt. „Maar ze hadden ook mijn dochter kunnen raken.” Een agent die buiten op de stoep patrouilleert, werpt af en toe een blik op de tafel. Naar de daders – mogelijk afkomstig uit de georganiseerde misdaad – is het nog gissen.

Journalist Sigfrido Ranucci spreekt tijdens een bijeenkomst die georganiseerd is nadat er een bom afging voor zijn huis.

Het rommelt flink in het Italiaanse medialandschap. Op de persvrijheid-index van Verslaggevers Zonder Grenzen staat Italië op de 49ste plaats van de 180 landen, een positie die de afgelopen jaren verslechterde en laag is voor een West-Europees land (Nederland staat op plek 3). Journalisten lopen niet alleen het risico op bedreigingen door de maffia, Italië is in Europa ook het land waar de meeste aangiftes wegens laster tegen journalisten worden gedaan – doorgaans een manier om hen financieel uit te putten en de mond te snoeren.

Begin vorig jaar bleek bovendien dat twee journalisten van de onlinekrant Fanpage waren afgeluisterd met spyware van een Israëlisch bedrijf dat die alleen aan overheden verkoopt. „De regering, die ik zonder bewijs nergens van beschuldig, praat heel ontwijkend en summier over deze spionagezaak”, zegt hoofdredacteur Francesco Cancellato, die zelf werd afgeluisterd. De rechtse regering van premier Giorgia Meloni laat haar invloed ook flink voelen bij de publieke omroep Rai, klagen journalisten. En de laatste grote progressieve krant van Italië, La Repubblica, werd maandag verkocht aan een Griekse conservatieve ondernemer.

Intimidatie van de pers

Ranucci verzamelt al jaren aangiftes. „In mijn dertigjarige carrière waren het er al 240. Maar ik heb nog steeds een blanco strafblad.” Volgens Case, een ngo die strijdt tegen intimidatierechtszaken in Europa, voert Italië de Europese lijst aan wat betreft smaad- en lasterprocedures of ‘SLAPP’-zaken. SLAPP staat voor ‘strategische rechtszaken tegen publieke participatie’ en worden vaak aangespannen door machtige personen of bedrijven tegen journalisten en activisten. In 2025 ging het in Italië om 57 zaken, waarin soms torenhoge schadevergoedingen worden geëist.

„SLAPP-zaken zijn een manier om de pers te intimideren, en ook leden van deze regering maken er gebruik van. Deze regering reageert erg geïrriteerd op onderzoeksjournalistiek,” zegt Vittorio Di Trapani, voorzitter van de Nationale Italiaanse Persfederatie.

Om verslaggevers en activisten te beschermen tegen ongegronde vorderingen, keurde de Europese Unie in 2024 de anti-SLAPP-richtlijn goed. Wie doelwit is van zo’n zaak kan de rechtbank onder meer verzoeken om een duidelijk ongegronde vordering in een vroeg stadium af te wijzen.

EU-lidstaten moeten de richtlijn uiterlijk in mei dit jaar hebben omgezet in nationale wetgeving. Italië is hier pas twee maanden voor de deadline mee begonnen, vertelt Di Trapani, en past de richtlijn uitsluitend toe op grensoverstijgende aangiftes. „Dit verandert niks aan 90 procent van de ongegronde aangiftes die door Italiaanse burgers worden gedaan.”

Op smaad staat formeel een celstraf in Italië, in de praktijk eindigt een lasterzaak tegen een journalist hooguit met een schadevergoeding. Zo kreeg misdaadschrijver Roberto Saviano in oktober 2023 een geldboete van 1.000 euro (die werd opgeschort), na een klacht van premier Meloni. De Napolitaanse auteur had haar in 2020, toen zij in de oppositie zat, wegens haar harde migratiestandpunten op tv een „kreng” genoemd.

Vittorio Di Trapani, voorzitter van de Nationale Italiaanse Persfederatie, in 2024 tijdens een presentatie in het parlement.

Freelancejournalisten in Italië zijn nog kwetsbaarder tegenover zulke schadeclaims dan journalisten met een vast dienstverband. „Als je per stuk maar een habbekrats krijgt, moet je maandelijks veel produceren. En dus gaan sommige journalisten uit voorzorg ingewikkelde en delicatere thema’s uit de weg”, zegt persvoorzitter Di Trapani.

Doorgaans laten politici smaadaangiftes tegen journalisten vallen als ze in de regering komen, zegt Roberta Carlini van het centrum voor mediapluralisme en persvrijheid van het European University Institute, in een videogesprek. Ze omschrijft het als „een ongeschreven regel, een manier van bestuurders en journalisten om met een schone lei te beginnen”. Maar „dit is geen gangbare praktijk voor de regering-Meloni, op een zeldzame uitzondering na”, zegt ze erbij.

Zo ontving Ranucci aangiftes van regeringspartij Fratelli d’Italia, van Senaatsvoorzitter Ignazio La Russa en zijn kinderen, en van minister van Economische Zaken Giancarlo Giorgetti, diens vrouw en haar zus. „De Rai [de publieke omroep, waarvoor hij al decennia werkt] is verdeeld”, zegt hij. „Een deel van het bedrijf steunt me zeker, maar een ander deel tolereert me of is onverschillig. Het ergst vind ik dat ik een reportage maak over La Russa, en dat de Rai hem de volgende dag uitnodigt zodat hij mij een serie-lasteraar kan noemen. Terwijl ik nooit veroordeeld ben en op zo’n moment geen wederwoord krijg.”

‘Culturele hegemonie’ doorbreken

Het Italiaanse medialandschap ligt in Europa al jaren onder een vergrootglas, zegt media-onderzoeker Carlini: „De bezorgdheid ontstond in 1994, toen mediamagnaat Silvio Berlusconi premier werd.” Berlusconi was eigenaar van de holding Fininvest, met daarin onder meer het grootste commerciële tv-netwerk van Italië. Als premier kreeg hij invloed op de Rai, die hij zonder aarzelen gebruikte. Ooit oefende hij zoveel druk uit dat de publieke omroep twee prominente journalisten en een satiricus ontsloeg. Carlini: „Heel wat Europese normen zijn nadien opgesteld om zo’n enorme politieke druk op de media te voorkomen.”

Berlusconi’s media-imperium bleef na zijn overlijden in 2023 grotendeels intact, net als de invloed van zijn kinderen op regeringspartij Forza Italia. Daarbij heeft Italië nog heel wat ‘mini-Berlusconi’s’ in huis. De bekendste is Antonio Angelucci (81): hij is eigenaar van de rechtse kranten Il Tempo, Il Giornale en Libero, die dagelijks de regering-Meloni verdedigen, én parlementslid voor de rechtse regeringspartij Lega.

Ook op lokaal niveau worstelen de media met belangenconflicten, zegt Carlini: „Heel wat regionale kranten die in financiële moeilijkheden verkeerden, zijn overgenomen door zakenlui die zijn verstrengeld met de lokale politiek.”

In 2024 zette Angelucci zijn zinnen op AGI, het tweede grootste persbureau van het land. Na protest van de redactie ging de verkoop niet door. De journalisten spraken hun vrees uit voor verdere verschraling van het medialandschap – een angst die ook speelt bij de maandag verkochte krant La Repubblica. Met 1,3 miljoen lezers is dat het grootste progressieve dagblad van het land, vertelt journalist en lid van het redactiecomité Alessandra Ziniti, bij een cappuccino in Rome.

La Repubblica uit Rome en La Stampa uit Turijn behoorden allebei tot uitgeversgroep Gedi, die onder de holding van de familie Agnelli‑Elkann valt. Ook luxeautomerk Ferrari en voetbalclub Juventus zitten in die holding. „Maar terwijl ceo John Elkann onlangs zei dat Ferrari en Juventus niet te koop zijn, bleek hij aan de kranten duidelijk minder gehecht”, zegt Ziniti.

Uitgeversgroep Gedi is maandag overgenomen door Antenna Group, het media- en entertainmentconcern van de Griekse familie Kyriakou. Die wil La Repubblica houden, naast een aantal radiozenders en tijdschriften, terwijl La Stampa overgaat naar de Italiaanse uitgeversgroep SAE.

De 315 journalisten en 50 medewerkers van La Repubblica verkeerden maandenlang in het ongewisse over hun toekomst en weten nog steeds niet of de nieuwe uitgever alle banen behoudt en de progressieve koers van de krant zal respecteren. De Griekse scheeps- en mediamagnaat Theodore Kyriakou staat bekend als zeer conservatief, doet zaken met Saoedi-Arabië en Qatar, en heeft een goede band met de Amerikaanse president Donald Trump. In Griekse en Italiaanse media wordt hij „de Berlusconi van de Balkan” genoemd.

Politieke greep op de openbare omroep

De Italiaanse overheid houdt in de gaten of de verkoop van Gedi leidt tot banenverlies, maar bemoeit zich er verder niet mee. De regering-Meloni lijkt meer geïnteresseerd in het reilen en zeilen bij de Rai, want op tv wordt de publieke opinie gevormd. „Italianen zijn tv-kijkers, die veel minder kranten en boeken lezen dan Fransen of Duitsers”, zegt media-onderzoeker Carlini.

De politieke greep op de Rai is de afgelopen jaren alleen maar gegroeid. De huidige Rai-topman Giampaolo Rossi komt uit dezelfde neofascistische jeugdbeweging als Meloni en kan de toon bepalen door hoofdredacteuren van de journaals te selecteren. Het doel: volgens Fratelli d’Italia moet de ‘linkse culturele hegemonie’ worden doorbroken, en dus plaatst radicaal-rechts vertrouwelingen op strategische posten, ook bij vooraanstaande cultuurlocaties als operahuis La Fenice en cultuurfestival Biënnale, allebei in Venetië.

Na het aantreden van de regering-Meloni verdwenen bij de Rai drie populaire progressieve gezichten. Fabio Fazio en comédienne Luciana Littizzetto verlieten de Rai omdat hun contract niet werd verlengd, Serena Bortone werd naar de radio verschoven nadat zij de gecensureerde tekst van schrijver Antonio Scurati toch op tv had voorgelezen. In die monoloog verzocht Scurati de huidige machthebbers hun neofascistische erfenis onder ogen te zien. Scurati’s optreden werd op het laatste moment geschrapt.

Dat het fascistische verleden met deze regering niet erg bespreekbaar is, bleek opnieuw in januari. Ter herdenking van de Tweede Wereldoorlog zond de Rai een speelfilm uit over de razzia’s in het getto van Rome. In de film waren enkel de Duitse nazi’s te zien, de Italiaanse fascisten kwamen nauwelijks aan bod. In 1943 hielpen zij de nazi’s nochtans meer dan duizend Romeinse Joden op te pakken en naar Auschwitz te deporteren. De scenarist zei in de pers dat hij „geen historisch proces wilde maken, maar de emoties achter de gebeurtenissen belichten”.

Fanpage-hoofdredacteur Francesco Cancellato stelt premier Giorgia Meloni tijdens een persconferentie een vraag over het afluisteren met Israëlische spyware.

Hoe gevoelig het fascisme-thema ligt, ondervond ook Fanpage-hoofdredacteur Cancellato. In 2024 bracht zijn onlinekrant via een undercoverreportage fascistische, nazistische en antisemitische uitingen aan het licht binnen Gioventù Nazionale, de jongerenafdeling van Meloni’s partij. Sindsdien, zegt Cancellato in een videogesprek, „hebben we nog geen rechtszaak afgehandeld of de volgende begint al”, terwijl Fanpage onafgebroken wordt bestookt door rechtse media en op sociale media.

Militaire spionage

Het meest verontrustend was de ontdekking vorig jaar dat de telefoons van Cancellato en zijn collega Ciro Pellegrino waren gehackt met Israëlische spyware. De ontwikkelaar, Paragon, had contracten met de Italiaanse overheid. Wie er achter de spionage zat, blijft onduidelijk. Wel bracht de parlementaire veiligheidscommissie daarna aan het licht dat dezelfde spyware wél — en legaal — was gebruikt om twee vluchtelingenactivisten af te luisteren. Cancellato verwacht antwoorden: „In een democratie is het onaanvaardbaar dat militaire spionage tegen journalisten wordt gebruikt.”

Sinds Meloni aan de macht is, voelt Italië volgens Cancellato merkbaar minder vrij: „Het media-ecosysteem schuift richting het Hongaarse model.” Media-onderzoeker Roberta Carlini nuanceert dat, maar bevestigt wel de trend: Italië staat qua persvrijheid „duidelijk dichter bij Centraal‑Europa dan bij de oude democratieën van West‑Europa”.

Schrijf je in voor de nieuwsbrief NRC Film en series

Wat moet je deze week kijken? Tips en achtergronden over boeiende films, series en tv-programma’s

Media

Lees meer

Lees meer

Lees meer

Source: NRC

Previous

Next