Indonesië treedt eindelijk op tegen illegale plantages en belooft verdwenen natuur te herstellen en dieren hun leefgebied terug te geven. Te beginnen op Sumatra, waar het leger in een natuurpark hele dorpen ontruimt. ‘Jullie beschermen de dieren, maar wie beschermt de mensen?’
Door Noël van Bemmel
Fotografie en video Hendra Eka
Welkom in het befaamde Tesso Nilo Nationaal Park op Sumatra! De enige plek op aarde waar olifanten, tijgers, honingberen en tapirs nog samenleven in ongerept regenwoud. Waar meer dan vierduizend soorten planten voorkomen en ruim tweehonderd soorten tropische bomen ongehinderd doorgroeien tot 70 meter hoogte. Althans op papier. Want wie het uitgestrekte natuurpark bezoekt, vraagt zich al snel af: waar zijn de dieren? Sterker nog: waar is het regenwoud?
Pak de halfverharde weg die het park doorsnijdt van noord naar zuid – een rammelende tocht van vijf uur – en je passeert louter plantages die doorlopen tot aan de horizon. Eindeloze rijen oliepalmen waarvan de toppen elkaar raken als middeleeuwse kruisgewelven, en oneindige rijen acaciabomen die als hoge pluimen tegen de lucht afsteken. Zware vrachtwagens denderen over kaarsrechte bedrijfswegen; langs grote weegstations, langs bedrijfsketen voor werknemers en slagbomen waar particuliere bewakers je kenteken noteren en vragen wat je komt doen. Tesso Nilo is – kortom – niet bepaald een natuurbeleving.
Parkdirecteur Heru Sutmantoro somt de trieste cijfers op: ‘Ik schat dat er nog 150 olifanten in Tesso Nilo leven; 3 tot 5 tijgers, minder dan 50 tapirs en 30 tot 40 beren.’ Oprukkende plantages, brand en stroperij zijn volgens hem de voornaamste bedreigingen voor het park. Zelfs het laatste stukje regenwoud, in het hart van Tesso Nilo, kan hij niet beschermen tegen de mannen met kettingzagen. ‘We hebben maar 23 parkwachters en een klein budget.’
Dat bleek funest. De Indonesische regering richtte het natuurpark in 2004 op om met name de Sumatraanse olifant voor uitsterven te behoeden. Daar zijn er nog 1.500 van over in het wild, en dat is een optimistische schatting. De laatste dikhuiden van Tesso Nilo zwerven voornamelijk door het laatste stukje oerbos van zo’n 7.000 hectare. De rest van het 82.000 hectare grote park is ingepikt door de palmolie- en houtpulp-industrie, of door tienduizenden landloze migranten die een kleine plantage begonnen. Zo verdween gestaag 90 procent van een zeldzaam ecosysteem.
1999
Satellietbeelden Tesso Nilo
Hoe heeft dat kunnen gebeuren? Dat vragen deskundigen en activisten zich al jaren af. De Amerikaanse acteur Harrison Ford vloog in 2013 per helikopter over het gebied – op uitnodiging van het Wereldnatuurfonds – en hield na afloop zijn woede niet in tijdens een ontmoeting met de Indonesische minister van bosbouw. Dat clipje ging eind vorig jaar weer viraal toen duizenden Sumatranen omkwamen door overstromingen en aardverschuivingen – volgens deskundigen verergerd door illegale ontbossing.
De nieuwe president Prabowo Subianto, die zich graag afficheert als een sterke leider, belooft eindelijk illegale plantages en mijnen aan te pakken. Hij confisqueerde afgelopen jaar – naar eigen zeggen – 3,2 miljoen hectare land en is nog lang niet klaar (Nederland telt 3,4 miljoen hectare land). Een haastig opgericht staatsbedrijf dat alle in beslag genomen plantages beheert, is in één klap de grootste palmolieproducent ter wereld. Prabowo koos in mei Tesso Nilo uit als pilotproject voor alle 58 nationale parken en stuurde het leger om het gebied te ontruimen. Bedrijven en bewoners kregen drie maanden om hun spullen te pakken.
Kerkleider en plantagehouder Noris Siregar.
‘De soldaten reden opeens ons dorp binnen!’, zegt de 43-jarige kerkleider Noris Siregar in het gehucht Toro Raya. Nergens is het verzet zo fel tegen de ontruimingsplannen. De rooms-katholieke voorganger – en kleine plantagehouder – wijst naar een parkeerplaats tegenover de dorpsmoskee. ‘Daar hesen ze de Indonesische vlag en zetten een groot bord neer.’ De bewoners lazen tot hun ontzetting: verboden het bosgebied illegaal te gebruiken, te bebouwen of te verbranden. Op last van de presiden Republik Indonesia. ‘Ze patrouilleerden door het dorp, ze sloten de school en niemand durfde nog naar zijn plantage.’
Toro Raya.
Toro Raya is een kruispunt van modderige wegen tussen eindeloze palmplantages. Volgens Google Maps bestaat het niet eens. Mannen met ontbloot bovenlijf rijden er op crossmotoren met manden achterop of met een lange lans op hun schouder waarmee de vruchten van de palm worden gesneden. Langs de weg staan eenvoudige eethuisjes, werkplaatsen om vrachtwagens te repareren en een kloeke kerk in aanbouw. Tijdens de drukbezochte zondagsmis galmt voorganger Siregar: ‘Laat ons bapak (meneer) Noël welkom heten. Die helemaal uit Nederland is gekomen om naar ons te luisteren en met eigen ogen te zien dat wij hier een echte gemeenschap hebben opgebouwd.’
Kerkdienst in Toro Raya.
Die samenleving geven de bewoners niet graag op, blijkt uit een rondgang. ‘We wonen hier samen en we sterven hier samen!’, gromt de 40-jarige Mulyanto, die een zoete ijskoffie drinkt. Hij bewerkt oliepalmen op 4 hectare grond die zijn ouders in 2004 kochten voor 75 euro. ‘Euh nee, we hebben geen eigendomsbewijs.’ De plantagehouder verzet zich tegen het beeld dat hij en zijn dorpsgenoten het regenwoud hebben vernietigd. ‘Toen mijn ouders begonnen, stond hier al geen boom meer.’ Zij volgden de weg die door een bosbouwbedrijf was aangelegd.
Mulyanto, die een kleine plantage bezit.
De 58-jarige Sinurat, een vrolijke dame in haar zondagse jurk, herinnert zich die begintijd. ‘Toen ik hier twintig jaar geleden kwam wonen, groeiden hier al oliepalmen.’ Wijzend op haar heup: ‘Alleen waren de bomen nog zo klein!’ Wel zag zij toen meer dieren. ‘Er stond soms een olifant in mijn achtertuin en één keer een tijger. Ik ging heel hard bidden, ik was doodsbang, haha!’ Na tien minuten liep de tijger weer door. Sinurat zag Toro Raya groeien van vijftig naar duizend families. ‘Mijn leven is hier. Als ik denk aan relokasi (gedwongen vertrek door de overheid) krijg ik hoofdpijn.’
De 26-jarige activist Wandri Saputra Simbolon zet zich in voor de naar schatting zesduizend families in het natuurpark. ‘Rakyat kecil (de kleine man) is weer de klos’, verzucht hij. Veel bewoners zijn volgens Simbolon geschokt en getraumatiseerd dat hun manier van leven plots illegaal is verklaard. ‘De plantagehouders, onder wie mijn ouders, gaven alles op om hier een nieuw leven te beginnen. Zij werden verwelkomd door de lokale bevolking en kochten land van een dorpshoofd.’ Mede dankzij de protesten die Simbolon hielp organiseren, verdween het leger weer uit de dorpen, bemoeide de Indonesische mensenrechtencommissie zich met de uitzetting en bood de overheid vervangend terrein buiten het park aan.
Aanvankelijk hadden weinig parkbewoners zin het resultaat van twintig jaar arbeid op te geven, hun gemeenschap vaarwel te zeggen en elders opnieuw te beginnen. Maar in de zeven dorpen binnen het park en de 22 dorpen eromheen lijkt de sfeer langzaam om te slaan. Zo hebben in het dorp Bagan Limau, vrijwel op de parkgrens, inmiddels 227 families besloten tot relocatie. Ook elders lopen die aantallen op.
‘Ik ben net gaan kijken in ons nieuwe dorp’, zegt de 50-jarige Cardi met opgewekte stem. Daar – op drie uur rijden – verdeelt de overheid een geconfisqueerde palmplantage onder vertrekkers uit Tesso Nilo. Dat levert daar ook weer scheve ogen op, maar Cardi heeft hier zelf niks van gemerkt. Hij verhuist met zijn ouders, vrouw en drie kinderen. ‘Ik krijg daar evenveel land van goede kwaliteit, gratis en met eigendomsbewijs.’ Een huis moet hij zelf bouwen. Cardi begint vooral opnieuw voor zijn kinderen. ‘Zij krijgen meer zekerheid voor hun toekomst.’
Komt de ontruiming nog wel op tijd voor de flora en fauna van Tesso Nilo? Parkdirecteur Sutmantoro, wiens hoofdkwartier is aangevallen door bewoners en die doodsbedreigingen heeft ontvangen, is blij met de komst van de militairen. Op tevreden toon: ‘Sinds zij checkpoints hebben gebouwd en dagelijks patrouilleren, rijden er geen zware graafmachines meer door het park en horen we geen kettingzagen meer.’ Een opmerking die hij sindsdien krijgt van plantagehouders: ‘Jullie beschermen de dieren, maar wie beschermt de mensen?’
Een uniek onderdeel van Tesso Nilo is de Flying Squad, een groep parkwachters die beschikt over zeven getrainde olifanten. Hun taak is om – rijdend op hun olifant – wilde olifanten weg te jagen uit plantages en uit dorpen. Niet zozeer om bewoners te beschermen, maar om te voorkomen dat groepen olifanten worden vergiftigd of doodgeschoten (wat is gebeurd). De Flying Squad berijdt voormalige probleem-olifanten die zijn getraind met behulp van Thaise mahouts (olifantentrainers). Hoe meer de mens zich opdringt, hoe groter de kans op conflicten met dieren.
De olifanten van de Flying Squad krijgen een wasbeurt.
De Indonesische mahout Junjung Daulay ontdekte een alternatieve manier om Tesso Nilo te herstellen. ‘Olifanten blijken dol op de vruchten en de bast van de oliepalm. En dat overleven de bomen niet!’ Die aanpak werd toegepast op bescheiden schaal, totdat bewoners het mahoutkamp aanvielen. ‘Zonder bewaking beginnen we daar niet meer aan.’ De Flying Squad legt ook aan bezoekende scholieren het belang van natuurbescherming uit. ‘Eigenlijk komen ze om een stukje op een olifant te rijden, maar dat doen we niet meer. Het dagelijkse bad van de olifanten in de rivier vinden ze ook mooi.’
Volgens parkbaas Sutmantoro is het nog niet te laat. Alles hangt volgens hem af van het verdere verloop van de operatie. Het bos is volgens hem in principe herplantbaar in dertig jaar tijd en ook de dierpopulaties kunnen zich nog herstellen. ‘De grote vraag is hoelang de militairen bereid zijn te blijven.’
Dat weet luitenant Sutrisno, die – op patrouillepost 3 aan de rand van het regenwoud – radiocontact houdt met zijn mannen op crossmotoren. ‘Wij bewaken hier sinds mei 2025 vierduizend hectare park. Tot 2028, zo luidt het bevel.’ Volgens de infanterie-officier zijn er in totaal 260 militairen gestationeerd in Tesso Nilo, verspreid over veertien posten. ‘We stoppen ontbossing, onderhoud aan plantages, stropen en bosbranden. Dat lukt goed.’ De militairen zijn naar eigen zeggen geïnstrueerd om vriendelijk en begripvol om te gaan met de bewoners. ‘Na drie maanden moesten we zelfs onze wapens thuislaten.’
Militairen rijden door Tesso Nilo.
Installatie van een wildcamera.
In eerste instantie reageerden de bewoners woedend, merkte Sutrisno. ‘Ze lieten papieren zien die er officieel uitzagen. Ze stelden dat ze niks illegaals deden.’ Inmiddels vertrekken volgens hem de eerste families richting vervangende plantages buiten het park. ‘We hebben honderd hectare palmen omgehakt, met de zegen van de bewoners, maar het gaat pelan-pelan (kalm aan).’ De ervaren luitenant maakt zich meer zorgen over de toekomst: ‘Wie houdt nieuwe palmoliebedrijven en migranten tegen als wij weer vertrokken zijn?’
Dat vraagt milieuorganisatie Walhi zich ook af. ‘Natuurlijk zijn we blij dat er eindelijk wat gebeurt in Tesso Nilo’, zegt provinciaal manager Eko Yunanda op zijn kantoor in de nabijgelegen stad Pekanbaru. ‘Maar we lopen ook al langer mee ...’ Walhi schrijft al jaren rapporten over hoe grote bedrijven, met hulp van corrupte bestuurders en politici, de natuur in Indonesië vernietigen. ‘Hebzucht en een gebrek aan toezicht zijn de belangrijkste oorzaken.’ Als voorbeeld noemt Yunanda een vonnis uit 2013 waarin de rechter enkele grote oliepalmbedrijven veroordeelt tot natuurherstel. ‘Er is nog niks gebeurd. Waarom zou dat in de toekomst opeens anders zijn?’
Yunanda maakt zich tevens zorgen om de kleine plantagehouders. ‘Zij krijgen nu een stigma opgeplakt, maar hun rol valt in het niet bij die van de grote bedrijven!’ De milieuorganisatie vindt sociale rechtvaardigheid even belangrijk als natuurbehoud. De overheid, stelt Walhi, moet de grote spelers dwingen de natuur te herstellen. Op de vraag hoe de Tesso Nilo er over twintig jaar uit zal zien, antwoordt de milieu-activist gelaten: ‘Misschien wordt het beter, misschien wordt het nog erger.’
De Nederlandse bioloog Erik Meijaard, die al 34 jaar onderzoek doet in Indonesië, vindt de inzet van het leger in Tesso Nilo een interessante ontwikkeling. ‘Laaglandbossen op Sumatra zijn zo belangrijk voor de biodiversiteit dat we er alles aan moeten doen om die te beschermen en te herstellen.’ Als positief voorbeeld noemt hij Nepal, waar het aantal tijgers en neushoorns enorm is toegenomen sinds de inzet van militairen in natuurparken. ‘Tesso Nilo ontruimen is echter niet genoeg, er moet ook beter management komen.’
Wat Meijaard betreft besteedt Indonesië zijn natuurparken voortaan uit aan professionele beheerders met concrete natuurdoelstellingen. ‘Mijn advies: plaats een hek om dat park; hak alle oliepalmen om; betaal de lokale bevolking om het bos te herplanten en hou dat vijftig jaar vol.’
Noël van Bemmel is correspondent Zuidoost-Azië voor de Volkskrant. Hij woont in Denpasar.
Hendra Eka is fotojournalist en woont in Jakarta. Hij bestrijkt voor de Volkskrant heel Zuid-Oost Azië.
Veel Balinezen hebben genoeg van de wildgroei aan vakantiebungalows, luxe restaurants en strandresorts die volgens hen de cultuur en natuur op hun eiland bedreigen. De gouverneur laat enkele bekende projecten weer afbreken. ‘We kiezen voor schoktherapie.’
De Indonesische hoofdstad Jakarta is uitgegroeid tot de grootste stad ter wereld. Waar 42 miljoen inwoners eindeloze files, luchtvervuiling en overstromingen trotseren voor een betere baan en misschien wel enig geluk. ‘Het is een bitterzoete ervaring.’
In Spanje staan de lokale en regionale verkiezingen van zondag in het teken van de strijd om het water. Nergens wordt die zo goed geïllustreerd als rond het Nationaal Park Doñana. Daar waar flamingo’s horen te waden, is de lagune kurkdroog. De hoofdschuldigen: aardbeienboeren.
Source: Volkskrant