Home

Hoe goed hij later ook was als trainer, weldoener of filosoof; niets is mooier dan de voetballer Cruijffie

Tien jaar geleden, op 24 maart 2016, overleed Johan Cruijff. Maar zoals hij zelf al voorspelde: in zekere zin is hij onsterfelijk. Nog altijd denkt voetbalverslaggever Willem Vissers met vreugde aan hem terug. Nooit meer was er een Cruijff.

is voetbalverslaggever van de Volkskrant.

Elke foto van Johan Cruijff is schitterend, laat staan bewegende beelden van Johan Cruijff. Of het nu de gratie is, de feilloze balbehandeling, het spichtige, hoekige lijf en het wapperende haar. De snelheid spat van het beeld. Een voetballer van vroeger, in de snelheid van tegenwoordig.

Kijk naar dat voetenwerk. Buitenkant, binnenkant. De achteloosheid van de balbehandeling. De vrijheid in het spel. Het inzicht. Het effect aan de bal of de strakke pass, de inventiviteit. De regie. Het mooist zijn de verticale dribbels op topsnelheid, tijdens de bekerfinale van 1972 tussen Ajax en Den Haag bijvoorbeeld, met dat verheffende lalala-gezang van Letty de Jong uit de film Nummer 14.

Het zijn ietwat donkere beelden soms, met een flits van links naar rechts in beeld, of van rechts naar links. Die flits is Cruijff. Cruijff is de TGV van voor de uitvinding van de hogesnelheidstrein. Hij snelt langs boemeltreintjes, met het verschil dat hij een trein is die geen rails nodig heeft. Tegenstanders vallen om, of ze proberen hem te raken. Stop die man. Soms valt hij zelf bijna, maar voor de struikelpartij rent hij alweer door. Eigenlijk past hij hier niet, in deze wedstrijd, op dit moment. Cruijff is uit de futuristische tijdmachine neergelaten tussen de stervelingen. Anderen zijn opeens zo houterig en gewoontjes.

Door zijn techniek en inzicht had hij altijd tijd genoeg, zegt Ruud Gullit in de nieuwste documentaire over Cruijff. Hij had ook in 2026 kunnen meedoen, en in 2214 vermoedelijk ook. Deed hij trouwens maar mee, in het huidige Nederlandse voetbal, dat zo vaak verzandt in een oefening in breedte en veiligheid. De eredivisie is toe aan een vleugje Cruijff.

Pure schoonheid

Als ik naar beeldcompilaties kijk, is dat altijd emotionerend, zeker bij bijvoorbeeld een samenvatting van bewegende kunst in beeld en geluid op YouTube van ene Jeroen E, met Vivaldi’s Vier jaargetijden als begeleidende muziek. Zomer. Dat heb ik anders nooit, dergelijke emoties. Alleen bij Cruijff. Het is meer dan een kwestie van melancholie. Het is de pure schoonheid, de verrukking.

Het stomme is: mijn eerste echt bekeken wedstrijd op televisie was de finale van de Europa Cup I (nu Champions League) in 1972, tussen Ajax en Internazionale in De Kuip (twee doelpunten Cruijff), maar als jongen van 7 jaar weet je niet wie echt goed is, wat uitmuntend precies betekent, omdat elke referentie ontbreekt. Ik was al blij dat ik pas naar bed hoefde toen de wedstrijd was afgelopen. Achteraf blijkt dat je het beste dan al hebt gezien, terwijl het leven als kijker net is begonnen.

Een paar maanden later nam oom Leo Spetter me mee naar Hoogeveen – Ajax, tijdens de vakantie in Drenthe, in de voorbereiding op het seizoen van Ajax. Eind juli. Een zomer zonder Vivaldi. Er was eindelijk iemand in de familie die van voetbal hield. Nou ja, ik was net verliefd op het spel en wist weinig van Cruijff noch Keizer. Die waren ver weg voor een knul uit Midden-Limburg. Voetbal kwam meestal in brokjes op televisie, tenzij het zo’n finale betrof.

Maar oom Leo, die twee jaar later tijdens de WK-finale tegen West-Duitsland bij ons thuis een hartinfarct kreeg (en overleefde), was zichtbaar ontroerd. Wat was die normaal zo relativerende man opgewonden. Hoogeveen – Ajax, 0-7. Cruijff was gewisseld na rust. Hij wandelde voorbij, vlakbij. Oom Leo, een man van boven de 40, wilde Cruijff het liefst aanraken. Hij was een bakvis. Ik begreep pas jaren later waarom dat zo was.

Revolutionair

Iemand van de voetbalclub in Hoogeveen stuurde vorige week een vergeeld knipsel over die wedstrijd. De plaatselijke krant schrijft: ‘Men mag tevreden zijn met de grandioze show die Ajax weggaf. Men houdt het als toeschouwer niet voor mogelijk dat dit uitsluitend aangeleerd kan worden, wanneer men voetballen als beroep heeft gekozen, want een grote mate van aangeboren begaafdheid speelt hierbij ook een rol.’

Dat citaat is tekenend voor de verbazing van die tijd. Het was net nieuw, topvoetbal in Nederland. Er waren pas net echte profs. Het spel op niveau werd gespeeld door Feyenoord en Ajax, en iets later door het Nederlands elftal, dat zijn wedergeboorte beleefde, of beter nog: zijn geboorte. Voordien waren er best mooie dingen gebeurd, maar het hield niet over.

In die relatief nieuwe tijd schonken moeder Nel en God, of wie dan ook, ons Cruijff. Spichtig, snel, hard, revolutionair, binnen en buiten het veld. Maar hoe goed hij later ook was, als speler, trainer, duider van problemen, als oprichter van een eigen Foundation nadat hij de kracht van sport voor kinderen met een beperking had ingezien, als taalkunstenaar of als filosoof: niets is mooier dan de voetballer Cruijff. Cruijff bleef altijd een beetje Cruijffie.

Met terugwerkende kracht past hij perfect in die tijd. Weinig reclame rond het veld, toeschouwers zijn herkenbaar op foto’s, rijen dik op elkaar gepakt. Staanplaatsen. We hebben helder zicht op Cruijff, in het begin van de nieuwe jaartelling voor het voetbal in Nederland. Met Cruijff als buitenaards wezen tussen wereldse mannetjes. Een donderslag, als aftrap van een tijdperk.

Nooit meer gezien

Cruijff, over wie boeken met citaten zijn gevuld. Eentje dan: ‘Er is maar één moment dat je op tijd kunt komen. Ben je er niet, dan ben je óf te vroeg, óf te laat.’ Laat hem iemand zijn geweest die bijna altijd op tijd was, die met zijn verticale dribbels aan tijdversnelling deed. Hoe hij dwars door het mijnenveld van uitgestoken benen loopt, ja, dat hebben we eigenlijk nooit meer gezien daarna van een Nederlander. Nou ja, soms, van Arjen Robben of zo, of in het begin van zijn loopbaan door Frenkie de Jong, al was die minder aanvallend.

Cruijff ging ook pas op zijn 26ste naar Barcelona, na veel gekrakeel, terwijl tegenwoordig elke bovenmodale voetballer vertrekt naar het buitenland, waar het gras groener is dan bij ons. Eigenlijk gaat iedereen ervan uit dat de 20-jarige Kees Smit, die zich maandag voor het eerst bij Oranje meldde, niet meer te houden is voor Nederland.

Nooit meer was in het Nederlandse voetbal zoiets moois te aanschouwen, al is het maar omdat er nooit meer een Cruijff is geweest. Argentinië kreeg na Diego Maradona tenminste nog Lionel Messi, al speelde die nooit voor een club in Argentinië. Ja, Ruud Gullit was geweldig, Marco van Basten ook, en tal van anderen, maar nooit meer was er een Cruijff. Vermoedelijk is het ook de enige keer in de geschiedenis dat we een Cruijff hebben gekregen en omdat dat zo uniek is, kun je niet anders dan met vreugde terugdenken aan die ene Cruijff. Of dat nu melancholie heet, of gewoon een kwestie is van genieten van openbaar kunstbezit, dat maakt dan in feite niet uit.

En dan is het een mooie bijkomstigheid dat trainers die hun werk het meest met hem identificeren het aardig doen in deze week van herdenking. Pep Guardiola won zondag de League Cup met Manchester City. Hansi Flick staat bovenaan met Barcelona. Peter Bosz wordt kampioen met PSV, al kan hij dan niet winnen van Telstar. Dick Schreuder beleeft met NEC het beste seizoen in de clubhistorie.

‘Hij heeft mijn jeugd verrijkt’, zegt cabaretier in ruste Youp van ’t Hek ergens in het archief. Zo is het precies. Niet alleen de jeugd, alles, het hele leven. Dat blijft. Al is hij al tien jaar dood.

Lees ook

Geselecteerd door de redactie

Source: Volkskrant

Previous

Next