Sophie van Doorm | Promovenda Universiteit Utrecht Het kabinet probeert al lang om de natuur te herstellen door boeren ‘stoppersregelingen’ aan te bieden. Maar die zijn weinig effectief, en bovendien impopulair onder boeren. Uit nieuw onderzoek blijkt dat er ook maatregelen zijn die boeren en politici allebei willen.
Een melkveebedrijf in het Friese Drogeham.
Conflict, protest, onvrede, uitzichtloosheid. Wie over boeren leest op sociale media, maar ook in de traditionele pers én wetenschappelijke onderzoeken, ziet vaak meningsverschillen.
Platgeslagen klinkt dat ongeveer zo:
De ene kant: minder boeren! Veestapel halveren! We produceren te veel vlees en melk! Boeren maken de natuur kapot!
De andere kant: stikstofhoax! Weg met de meetmethoden! Ze willen de boeren uitroken! Op de trekker naar het provinciehuis!
Zo groot kunnen die verschillen toch niet zijn, dacht promovenda Sophie van Doorm (26), die met enkele collega’s onderzoek doet aan de afdeling Innovatie- en Milieumaatschappijwetenschappen van de Universiteit Utrecht. Grofweg zien de meeste mensen in Nederland wel dat intensieve landbouw en veeteelt de natuur zwaar belasten. Dat Nederland nu niet aan de eigen wet kan voldoen door de slechte staat van de natuur, is door rechtelijke uitspraken ook duidelijk. Dat boeren in de toekomst anders zullen gaan werken is onontkoombaar, zoals ze zich altijd hebben aangepast aan nieuwe tijden. Waarom, dacht Sophie van Doorm (26), kijken we dan niet een keer naar oplossingen waarover iedereen het eens kan worden?
Ze bekeek de problematiek systematisch van alle kanten, sprak met twintig boeren, natuurorganisaties, belangenbehartigers en beleidsmakers en was zelf best verrast over de resultaten die ze opschreef in haar (nog ongepubliceerde) paper. „De verschillen tussen overheid en de boeren die ik sprak zijn helemaal niet zo extreem. Sterker nog: de regering en de meeste boeren willen dezelfde kant op. Alleen: het concrete beleid van de overheid richt zich nu vaak op maatregelen die onder boeren heel impopulair zijn. Terwijl wij in ons onderzoek óók een richting zien waar bijna iedereen achter staat”, vertelt Van Doorm in een kantine op de Utrechtse universiteitscampus.
Promovenda Sophie van Doorm.
„Mensen staan sowieso meer open voor oplossingen dan ik had verwacht. Het bedrijf omvormen om duurzamer en minder vervuilend te werken kwam eruit als meest populaire optie voor zowel boeren als beleidsmakers. Best verrassend, omdat het heel veel vraagt van een boer en bovendien financieel riskant is. Boeren zeggen daarom ook wel dat ze langdurig stabiel politiek beleid nodig hebben voor ze kunnen omschakelen. Ik denk dat er een grote stille meerderheid is die wel wíl.”
„Een boer die bijvoorbeeld zijn bedrijf biologisch maakt en de natuur en biodiversiteit probeert te herstellen. Je kunt ook denken aan boeren die langdurige contracten afsluiten om aan natuurbeheer te doen en daarvoor een vergoeding krijgen als deel van hun inkomsten.”
Dat laatste gebeurt nu al op veel plekken. Zo pachten ongeveer vijfduizend boeren gronden van Staatsbosbeheer of Natuurmonumenten. Van het Nederlands landbouwoppervlakte wordt nu ongeveer 5 procent gebruikt voor biologische teelt, en op ongeveer 14 procent worden ‘natuurinclusieve’ maatregelen genomen. Dat is allebei minder dan het Europees gemiddelde.
Er is dus veel ruimte voor groei, denkt Van Doorm, al kan het voor boeren die dicht bij beschermde natuurgebieden zitten – en veel maatregelen zouden moeten nemen als die natuur moet herstellen – lastiger zijn om voldoende duurzaam te gaan werken.
„Je ziet in ons onderzoek dat het ecologisch en economisch gezien wel interessant is voor boeren en beleidsmakers, maar dat ze het vanuit maatschappelijk-sociaal oogpunt niet willen. De meeste mensen houden van koeien in de wei, niet van een afgesloten stal waarin alles tot op de millimeter is gerobotiseerd. Dat past niet bij onze identiteit, je verliest dan als boer alle aansluiting met je omgeving.”
„Daar heeft het mee te maken. Ooit waren we knuffelboeren, zei iemand tegen me, maar nu worden we gezien als verlengstuk van de agro-industrie. Het helpt niet om dan je stallen hermetisch te sluiten en met allerlei hightech de productie en uitstoot te controleren. Bij omschakelen naar een duurzamere veehouderij heb je juist koeien in de wei, je geeft ze de ruimte, je doet als boer aan natuurbeheer, laat je land er dier- en plantvriendelijker uitzien. Misschien begin je een boerderijwinkel of bied je educatie aan, zoals je wel ziet gebeuren bij boeren die natuurinclusiever of duurzamer willen werken. Dan verbind je het voedsel met de mensen in de omgeving en dat willen veel boeren. Belangrijk is dan wel dat ze tijd en ruimte krijgen om die overgang te maken. En dat de overheid vertrouwen terugwint. Die moet laten zien naast boeren te staan, en niet boven hen.”
De conclusies van haar onderzoek liggen in het verlengde van een verkenning die de Wageningen University afgelopen week deelde met het ministerie van Landbouw. Acht experts beschreven daarin hoe de stikstofcrisis volgens hen wél opgelost kan worden. Ook zij schreven dat boeren vertrouwen moeten krijgen om zelf maatregelen te nemen die natuur, water en luchtkwaliteit verbeteren om onder een wettelijk vastgesteld stikstofplafond te komen. De huidige „cultuur van wantrouwen en controle” moet volgens hen worden doorbroken.
Het nieuwe kabinet lijkt er ook van doordrongen dat beter met boeren samengewerkt moet worden. De nieuwe minister van Landbouw, Jaimi van Essen (D66), gaat in zijn eerste weken regelmatig op werkbezoek en zegt dat hij van boeren wil leren wat ze in de praktijk kunnen doen om aan duurzaamheid te werken.
Van Essen en ook partijgenoot en premier Rob Jetten zullen niet meer beginnen, hebben ze allebei beloofd, over het halveren van de veestapel. Dat was in 2019 een idee van D66 – destijds een belangrijke aanleiding voor grootschalige en soms agressieve boerenprotesten. Kalmte en samenwerking, dat zoeken de D66-bewindslieden nu.
Het kabinet wíl boeren ook wel ruimte geven voor ‘omschakeling’ van hun bedrijf en heeft plannen daarvoor in het regeerakkoord gezet, maar concreet worden die voorstellen nog niet. Uitvoering van die plannen is ook ingewikkeld, omdat voor verandering van een bedrijf vergunningen nodig zijn, en die kunnen niet verleend worden zolang Nederland in de ‘stikstofknoop’ zit. De natuur moet eerst herstellen, daarna is er meer mogelijk.
Feit is wel dat er daardoor net als in de afgelopen jaren maar één concreet plan uit springt waaraan het kabinet direct werkt: een (vrijwillige) stoppersregeling. Juist dat soort regelingen bleken de afgelopen jaren ineffectief en nog lang niet voldoende om wettelijk vastgelegde doelen voor natuurherstel te halen.
Zo berekenden NRC, Follow the Money en Omroep Gelderland begin dit jaar dat de uitkoopregeling voor de meest natuurbelastende veehouderijen tot drie keer meer stikstofwinst had kunnen opleveren. Deze maand bleek uit onderzoek van het Planbureau voor de Leefomgeving en Wageningen University dat veelal boeren met grote, moderne stallen zijn uitgekocht, terwijl die veel meer technologie hebben om uitstoot te voorkomen. Oude en meer vervuilende stallen bleven staan.
„Breed onacceptabel, noemen we dat. Het is de minst populaire ingreep, en toch blijft de politiek proberen om die pleister te plakken. Maar boeren denken: wat los je daar nou mee op? Zeker omdat de grond van gestopte boeren niet per se wordt gebruikt voor een duurzame transitie van een andere boer. Soms komt er een ander soort intensieve teelt op die grond terug, dus de natuur schiet daar niks mee op.”
„Het gebeurt niet vaak dat mensen oprecht aan elkaar vragen wat ze verwachten van de toekomst. Hoe kunnen we dat op elkaar afstemmen? Wat moeten we doen om de verschillen te overbruggen? Gewoon een gesprek voeren uit nieuwsgierigheid, en niet vooraf al weten wat er moet gebeuren. Boeren hebben er een hekel aan als voor hen wordt besloten, maar wie heeft dat niet eigenlijk? Natuurlijk is het een complex en gepolariseerd debat, maar ik denk ook dat er meer is waarover men het eens is dan je zou denken. Dat vind ik best hoopvol.”
Economieredacteuren nemen je mee in de discussies die zij op de redactie voeren over actuele ontwikkelingen