We waren maar net in New York of we namen de metro naar de 86ste straat om in het Central Park te gaan spelen. Er lag nog flink wat sneeuw.
We stapten de metro uit, ik draaide me om en zag een beentje van mijn zoon in de ruimte tussen het perron en de metro bungelen. Ik probeerde het eruit te trekken, maar het been zat behoorlijk vast. Gek genoeg was ik niet in paniek, ik dacht alleen, ik moet hier een foto van maken voor zijn moeder.
Een vrouw begon ook aan mijn zoon te sjorren. Zij was wel in paniek. Uiteindelijk trokken we hem los, maar daarbij verloor hij een schoen, een blauwe leren schoen die nu eenzaam op de rails lag.
De vrouw zei: ‘Hij heeft zijn been nog, dat is het belangrijkste.’
Dat vond ik ook. Wel zei ik tegen mijn zoon: ‘Nu kunnen we niet naar Central Park, want op één been kun je niet door de sneeuw lopen.’
Hij begon te huilen. In een winkel die zich Little Eric Shoes on Madison noemde kocht ik een paar nieuwe schoenen à 180 dollar. Online had ik al gelezen dat ze duur waren, maar dat de service voortreffelijk was.
De verkoper vroeg niet: ‘Waar is die ene schoen gebleven?’ Hij zei alleen: ‘Ik zie het al.’
Twee dagen later begon de lente en de oorlog tegen Iran, of misschien moet ik zeggen dat die oorlog werd vervolgd.
Een Iraanse kennis in Nederland zei dat hij een fles champagne zou opentrekken als Ali Khamenei dood was, maar toen hij inderdaad dood was, bleek mijn kennis geen champagne in huis te hebben. Het werd sekt.
Ik trok niets open. Niet omdat ik voor de ayatollahs ben, maar aan het begin van een oorlog moet je nuchter blijven.
Geselecteerd door de redactie
Source: Volkskrant columns