Papoea was tot 1963 een Nederlandse kolonie, maar is voor velen nog altijd onbekend. De tentoonstelling Tijd voor Papoea in het Wereldmuseum Leiden stelt nu kunst en kennis uit het gebied centraal.
schrijft voor de Volkskrant over tentoonstellingen, musea, kunst en geschiedenis.
‘Wat weten mensen nou van Papoea?’, vraagt Yonri Revolt. De filmmaker (34) zit in het café van het Wereldmuseum in Leiden, een stad die ten opzichte van zijn woonplaats Timika aan de andere kant van de wereld ligt. Zijn vraag is retorisch, hij doelt op de fietsers buiten, mensen die de regio alleen uit nieuwsberichten kennen. Het antwoord: bar weinig.
En dat terwijl Papoea, tegenwoordig onderdeel van Indonesië, tot 1963 een Nederlandse kolonie was. De Nederlandse interesse in het gebied was ooit groot, ook vanwege de rijke kunsttradities – de collectie van het Wereldmuseum bevat zo’n 50.000 voorwerpen uit Papoea.
Ruim vierhonderd van die objecten zijn nu, samen met internationale bruiklenen en hedendaagse kunstwerken, te zien in de tentoonstelling Tijd voor Papoea. Revolt maakt een film over deze expositie in het Leidse Wereldmuseum, zodat ook mensen in Papoea die kunnen bekijken.
Als het hier gaat over Papoea, dan wordt het westen van het eiland Nieuw-Guinea bedoeld, een gebied zo groot dat Nederland er twaalf keer in past, waar meer dan 250 verschillende talen worden gesproken. Na de onafhankelijkheid van Indonesië bleef het in Nederlandse handen, maar in 1963 werd het alsnog – ondanks intenties van zelfstandigheid – aan Indonesië overgedragen. Het onafhankelijkheidsstreven werd onderdrukt, maar is nooit verdwenen.
Daarbij kampt Papoea tegenwoordig met dringende problemen als grootschalige ontbossing door de aanleg van oliepalmplantages en rijstvelden, en zware milieuvervuiling door de Grasbergmijn, de grootste goud- en kopermijn ter wereld. Tienduizenden Papoea’s raakten hierdoor ontheemd.
‘Maar Papoea gaat niet alleen over verdriet, over vreselijke dingen’, zegt Revolt, die in Sulawesi is geboren, maar al sinds zijn vroege jeugd in Papoea woont. ‘Papoea heeft óók een voorouderlijke erfenis, een materiële cultuur, hoogstaande kennis. Dat is wat deze tentoonstelling laat zien.’
Alleen: veel van die materiële cultuur en kennis is al grotendeels verdwenen of staat onder druk. Daarom klopte Revolt bij het Wereldmuseum aan. Hij was al bezig met een film over de zo goed als verdwenen kunsttraditie uit het Sentanimeergebied en wilde Sentani-kunst uit het museumdepot bestuderen. Toen hij hoorde over de Papoea-tentoonstelling, stelde hij voor ook die te filmen. Nu maakt hij dus twee films in samenwerking met het museum; allebei bedoeld om te laten zien in Papoea, om er daar over te spreken en zo kennis te verspreiden.
Samen met conservator Wonu Veys neemt Revolt de Volkskrant mee langs een aantal hoogtepunten op de expositie. We beginnen bij de eerste blikvanger, die opvalt zodra je voet over de drempel zet: een grote, houten constructie, rijk versierd met verf, schelpen en veren, die ooit op het voorsteven van een prauw was bevestigd. Met zulke boten maakten de mensen van Biak, een eiland in de Geelvinkbaai in het noorden van Papoea, lange tochten over zee. De houten punt van het geheel kromt omhoog, wijst als een naald de hemel in.
‘Met die punt kon je je positie op zee bepalen’, legt Revolt uit. ‘De mensen van Biak waren echte zeilers en konden navigeren met behulp van de sterren. Als ze de hoge punt van hun boot op Venus richtten, de Morgenster, dan konden ze de weg naar het oosten vinden.
‘Ze hadden een grote astronomische kennis, maar die is inmiddels bijna verdwenen – ze hoeven geen lange afstanden meer te zeilen.’ Houten boten worden niet meer gebruikt, versierde voorstevens kent Revolt alleen uit musea.
Het is een terugkerend thema deze rondleiding: veel van de kunst die hier te zien is, de kennis waarover hier verteld wordt, is er in Papoea nauwelijks nog. Zoals de kunst uit het gebied rond het Sentanimeer.
Specifieke kunst uit dit gebied is van grote invloed geweest op westerse, meestal surrealistische kunstenaars, zoals Joan Miró en Alberto Giacometti. De eerste liet zich inspireren door tekeningen op boombastdoeken, de tweede werd beroemd om zijn beelden van langgerekte mensfiguren.
We staan stil bij een houten paal uit Sentani waarin, naast spiraalmotieven, een grote mensfiguur is uitgesneden: een naakte man met zijn armen langs zijn lichaam, lange neus en spitse kin. Ooit stond deze paal midden in het huis van een dorpsleider.
Dit soort leidershuizen, die ook een soort kunst- en kenniscentra waren, bestaan niet meer. Ze verdwenen al in de jaren twintig van de vorige eeuw, weet conservator Wonu Veys. ‘De Nederlandse koloniale overheid en protestantse zendelingen moedigden mensen aan om leidershuizen te vernietigen, en in plaats daarvan kerken te bouwen.’
En zo verdween er ook veel kunst uit het gebied. Sommige objecten zijn wel bewaard gebleven, bijvoorbeeld omdat mensen ze onder de modder verstopten. Deze specifieke paal is in 1952 door de professionele verzamelaar Carel Groenevelt gekocht. Met budget van musea in Amsterdam en Rotterdam, voorlopers van het huidige Wereldmuseum, ging hij naar Papoea om bijzondere spullen te kopen. Veel van wat er nu op de tentoonstelling te zien is, is ooit door hem verzameld.
‘Het is wel jammer dat ik naar Nederland moet om meer te leren over cultuur in Papoea’, zegt Revolt. ‘Maar juist daarom film ik. Niet iedereen kan naar Nederland reizen, maar ik kan wel kennis mee terug nemen.’ Met zijn film over Sentani hoopt hij de kunsten daar nieuw leven in te blazen.
Met de komst van het christendom is er wel meer kunst uit Papoea verdwenen. Een belangrijk deel van de traditionele cultuur draait om voorouders, waardoor veel kunstvoorwerpen verwezen naar overledenen, of bedoeld waren voor geesten om tijdelijk in te verblijven. Zendelingen en missionarissen keurden deze voorouderrelaties af, en veel objecten zijn, al dan niet onder dwang, weggegeven, verkocht of vernietigd.
Zo worden er geen korwars meer gemaakt, voorouderbeelden die voor het eerst op Biak maar uiteindelijk – onder invloed van het zeevarende volk – op eilanden langs de hele noordkust van Papoea voorkwamen. Korwars zijn zittende, hurkende of staande figuren, eerbetonen aan belangrijke overledenen, aan wie Papoea’s offers brachten en die zij om hulp vroegen.
In een vitrine in het Leidse Wereldmuseum zijn er nu drie op een rij te zien. De linker heeft groene kraaloogjes en in beide handen een slang, de rechter draagt een verentooi en een sierlijk uitgesneden schild. Alle drie hebben ze relatief grote hoofden, vooral de middelste: daarin zit, deels verscholen achter het houten gezicht, een mensenschedel.
Menselijke resten worden meestal niet getoond in het Wereldmuseum. In het geval van deze korwar gebeurt dat wel, omdat die bedoeld was om te laten zien, zegt Veys. ‘We hebben gesprekken gehad met mensen uit Papoea-gemeenschappen over het tentoonstellen van voorouderlijke resten. Mits het respectvol zou gebeuren, vonden ze dat een eer.’
Hoewel de meeste Papoea’s nu christen zijn, is het nog altijd belangrijk om voorouders met respect te behandelen, zegt ook Revolt. ‘We hebben nog steeds relaties met onze voorouders, al zijn die afstandelijker dan eerst. Het is nu makkelijker om met een hoop of wens naar de kerk te gaan. Maar nog steeds geloven mensen dat in elk ding, op elke straathoek een geest zit. Mensen zullen zeggen: niet daar spugen! Daar zit een voorouder.’
De traditionele vooroudercultuur leeft dus nog, en is op sommige plekken in Papoea sterker dan op andere. Dat wordt vooral duidelijk als we de ruimte binnenlopen over de Asmat, mensen die in het zuiden van Papoea leven. Het ronde atrium is de indrukwekkendste ruimte uit de tentoonstelling, vooral door de vier metershoge bisj-palen die er middenin staan.
Die palen zijn gemaakt van omgekeerde nootmuskaatbomen waarvan alle plankwortels zijn afgehakt, behalve één, die boven in elke paal als een soort vlag uitsteekt. Uit het hout zijn, naast krokodillen, neushoornvogelkoppen en andere dieren, op elkaar gestapelde mensfiguren gesneden: voorouders. Nog steeds worden met dit soort palen de doden geëerd.
Revolt loopt langs de palen naar een vitrine met daarin een maskerkostuum van plantaardig materiaal. Als iemand dit zou aantrekken, zou bijna diens hele lichaam met vlechtwerk of slierten worden bedekt, inclusief het gezicht. ‘Dit heb ik iemand nog zien dragen’, zegt hij. ‘Bij de Asmat zijn tradities wél goed bewaard gebleven.’
Zulke maskers worden gedragen tijdens speciale feesten, waarin de geesten van voorouders worden opgeroepen. Ieder gedragen masker representeert een andere overledene. Dorpsbewoners kunnen hun dan offers geven, om advies vragen of een laatste afscheidsgroet brengen. Revolt heeft relatief recent zo’n feest kunnen bijwonen, net als de fotograaf wiens foto’s op de wand hangen. Daarop zijn, inderdaad, precies zulke kostuums te zien als de ruim zestig jaar oude variant in de vitrine.
Revolt vindt het belangrijk dat de cultuur en kennis van Papoea nu wordt gedeeld – ook omdat daardoor des te duidelijker wordt wat beschermd moet worden.
Hij wijst omhoog naar de bisj-palen die, als je er pal voor staat, onvermijdelijk een gevoel van ontzag opwekken. ‘Zonder bomen, zonder bos kan zoiets niet gemaakt worden. Daarom zie ik deze tentoonstelling ook als een oproep om het land groen te houden.’
Tijd voor Papoea, Wereldmuseum Leiden, t/m 3/1/27.
Geselecteerd door de redactie
Source: Volkskrant