Regisseur Harmen van Liemt ging op onderzoek uit in New York. Als jongen beschouwde hij de Democratische stad als een queer paradijs waar lhbti’ers sterke gemeenschappen bouwden en onbekommerd zichzelf konden zijn. Klopt dat beeld nog, nu hun vrijheid onder president Trump steeds meer in het gedrang komt?
Ik was 16 toen ik Paris Is Burning zag, een Amerikaanse documentaire over de pioniers van de ballroomscene in het New York van de late jaren tachtig. Beelden van extravagante queer mensen, de meesten van kleur, die hun eigen gemeenschap bouwden met zelfgekozen families, de zogenoemde houses. Deze houses organiseerden balls: dans- en performancewedstrijden die plaatsvonden in buurthuizen in Harlem.
Het contrast tussen de wereld die ik zag en het Twentse dorp waar ik toen, in 2016, woonde, was enorm. De beelden boden me troost, en wekten het verlangen naar een gemeenschap waar ik onvoorwaardelijk bij kon horen. Dat je jezelf kunt worden, omdat je niet alles alleen hoeft te dragen.
2016 was ook het jaar waarin Donald Trump, die opgroeide in de stad waar ballroom begon, werd verkozen tot 45ste president van Amerika. Terwijl ik in de documentaire zag hoe er was gestreden voor bewegingsvrijheid voor mensen zoals ik, bracht Trumps presidentschap conservatief verzet tegen precies die bewegingsvrijheid op gang. Sinds zijn herverkiezing in 2024 werd dat concreet: in meerdere staten werd wetgeving aangenomen die queerrechten drastisch inperkt – de toegang tot transgenderzorg is bemoeilijkt, dragoptredens worden aan banden gelegd, boeken verdwijnen uit bibliotheken, hiv-zorg is gekortwiekt.
De gedachte dat deze conservatieve wind niet alleen waait aan de andere kant van de oceaan, maar ook betrekking heeft op Nederland en op mij, dringt zich steeds sterker aan mij op. Ook in Nederland neemt het anti-lhbti-geweld toe. Cijfers tonen dat de queeracceptatie onder jongeren en in de publieke ruimte is afgenomen. Ik besluit dat ik daar, in New York, de stad van Paris Is Burning, moet gaan kijken. Hoe handhaven queers zich in New York – van oudsher de stad van vrijheid en kansen voor iedereen? En kunnen we daar wat van leren?
Ik begin in West Village, historisch gezien de bekendste gaybuurt van Manhattan en daarmee de logische start van mijn queer pelgrimstocht.
West Village dankt haar status aan de Stonewall-rellen van 1969, toen de politie voor de zoveelste keer een inval deed in gaybar The Stonewall Inn. Wat volgde waren dagenlange protesten die zouden uitgroeien tot hét symbool van de lhbti-beweging.
Op drie minuten lopen van Stonewall, aan West 13th Street, ligt The LGBT Community Center: een bakstenen gebouw met hoge ramen en brede trappen. De bibliotheek blijkt open. Ik ontmoet drie vrijwilligers: Anthony (62) en Ben (72), een koppel uit de buurt, en Sophie (60) uit New Jersey.
Ben vertelt dat The Center een schoolgebouw was tot de gemeente het in 1983, midden in de aidscrisis, van de hand deed. Act Up werd hier opgericht, de beweging die met protest en actie de stilte rond aids doorbrak. Sindsdien doet The Center wat nodig is: lhbti’ers ruimte bieden voor ontmoeting en mentale zorg.
Anthony: ‘Wanneer jonge mensen hier voor het eerst komen, aarzelen ze de drempel over te gaan. Maar zodra ze binnen zijn, zie je dat gevoel van ontzag op hun gezicht. Zo van: ik ben er, ik heb het gehaald.’
Ben: ‘Ik kwam in de jaren zeventig naar New York omdat iets in mij wist dat ik homo was. Ik groeide op in Minnesota, een ‘paarse staat’, best progressief, maar geen New York.’
Ben ervaart de stad als veilig. ‘In de jaren tachtig dacht je bij twee mannen hand in hand: wat goed. Maar tegelijk: wat gevaarlijk. Je wist nooit wie er achter je aan kon komen. Maar nu gebeurt dat zelden. We hebben veel gewonnen.’
Sophie: ‘Voor mij als trans vrouw ligt dat anders, zelfs in Manhattan. Als er op een wc geen genderneutrale optie is, probeer ik zo min mogelijk op te vallen.’ Ze haalt een flesje uit haar tas. ‘Pepperspray, de beste vriend van elke trans vrouw. The Center is de enige plek waar ik me echt veilig voel. Ik heb vijftig jaar in een Republikeinse bubbel geleefd en twee keer op Trump gestemd, maar toen hij mensen zoals ik begon aan te vallen, gingen mijn ogen open.’
Om dat te onderstrepen tovert ze haar ID-kaart tevoorschijn. ‘Negeer de foto.’ Ze drukt haar duim op de pasfoto, een portret van voor haar transitie. Dan legt ze de kaart naast die van Ben. Op de zijne staat een ster, op de hare niet.
Die ster, zegt Sophie, is onderdeel van de Real ID Act. Sinds mei kun je alleen nog vliegen of een federaal gebouw betreden met een ID-kaart mét ster. Of met een paspoort, maar meer dan de helft van de Amerikanen heeft er geen. ‘Om die ster te krijgen, moet je persoonlijk opdraven, met stapels documenten om te bewijzen wie je bent. Die heb ik allemaal. Maar als ik een nieuw ID aanvraag, verdwijnt dit’ – ze wijst naar de X bij ‘gender’ – ‘want die optie biedt Trumps overheid niet meer. Dan word ik teruggezet naar mijn geboortegeslacht.’
Anthony: ‘Na Trumps eerste verkiezing veranderde al veel. Op officiële sites werd ‘LGBTQ’ teruggebracht tot ‘LGB’. Verwijzingen naar trans personen verdwenen.’
Sophie: ‘Ze herschrijven de feiten. Als bibliothecaris word ik woest als ze aan de geschiedenis gaan sleutelen.’
Ben, die op de achtergrond meeluistert, is aangedaan. ‘We hopen dat the orange stain verdwijnt, maar het zal jaren kosten om te herstellen wat die man heeft aangericht.’
Naast zijn vrijwilligerswerk bij The Center begeleidt Anthony ook Supportive Connections: een tweewekelijkse praatgroep voor lhbti’ers om in veiligheid te delen wat ze niet met hun directe omgeving kunnen bespreken. In de huisregels staat nadrukkelijk: geen beeld- of geluidsopnames, geen gescheld, en: geen politieke discussies.
Een van die bijeenkomsten die ik onder de hoede van Anthony bijwoon, vindt plaats in een eethuis in Chelsea. We zijn met acht mannen, ik ben de enige zonder grijze haren. Ze vertellen dat ze allemaal de aidspandemie in de jaren tachtig en negentig hebben meegemaakt en dat veel familieleden het contact met hen hebben verbroken.
Het vermijden van politiek als gespreksonderwerp blijkt lastig: de mannen praten over hun zorgen om het homohuwelijk, nu meerdere Republikeinse staten proberen het landelijke recht op gelijke huwelijksrechten te ondermijnen. Toch zijn er ook mooie verhalen. Zoals toen Obama in 2015 tijdens de herdenkingsdienst voor de schietpartij in de kerk in Charleston Amazing Grace zong, in dezelfde week dat het homohuwelijk landelijk werd gelegaliseerd. Rouw en bevrijding vielen samen.
Wanneer ik word gevraagd om iets te delen, vertel ik over mijn opa, die eind jaren zestig uit de kast kwam, en dat ik aan hem te danken heb dat ik opgroeide in een familie waarin acceptatie vanzelfsprekend was. Terwijl ik praat en de mannen aankijk, realiseer ik me: dat veilige begin is precies wat de meesten hier niet hebben gekend. Mijn vrijheid komt voort uit hun strijd, iets van de pijn daarvan zie je nog in hun ogen en klinkt door in hun voorzichtige manier van spreken.
Chelsea is ook de wijk waar ik verblijf: brede straten, kunstgaleries, harde muziek. Het is een brutale buurt. Er zijn veel sportbars, waarvan een flink deel gay. Onder tv’s met American football flirten mannen onderling en wordt in hoog tempo bier gedronken. De sfeer is uitgesproken mannelijk: meer biceps dan nuance.
Rondom deze bars liggen men’s spas, waar massages met een happy ending en andere erotische diensten worden aangeboden. Volgens de mensen die ik er spreek is Chelsea veranderd. Tot de vroege jaren nul wemelde het van de ontmoetingsplaatsen, sauna’s en cruiseplekken. Tijdens en na de aidspandemie werden veel van die locaties gesloten, wat nu enigszins wordt gecompenseerd door de spa’s. Maar ik hoor ook dat dit niet in de buurt komt van het ‘gay walhalla’ dat Chelsea ooit was. Veel iconische plekken zijn er niet meer, clubs als No Parking, Splash, Rawhide, The Limelight en Castro Bar. Ook de opkomst van ontmoetingsapps als Grindr speelt een rol in het verdwijnen van de queer undergroundscene die New York vroeger kende.
Een paar dagen later ontmoet ik Jacob (30) in een restaurant waar hij werkt als ober. Hij valt op, met zijn Elvis Presley-kuif. Na een jeugd in een conservatief-christelijke streek van Florida verhuisde hij op zijn 18de naar New York om muziek en dans te studeren. Zijn doel was Broadway. Tijdens zijn eerste bijbaan in een club ontmoette hij Chris, een tien jaar oudere Puerto Ricaanse muzikant uit de Bronx, die optrad in gayclubs door de hele stad.
‘In het theater was ik gewend aan homo’s, het hoorde erbij, daar kon ik mezelf zijn. Maar daarbuiten wist ik weinig. Tot ik Chris ontmoette.’ Hij glundert. ‘In de Bronx woonde hij met iemand die ook gay en Latino was, en ’s nachts optrad als dragqueen. Ik luisterde naar hoe ze praatten, naar de gaytaal die ze gebruikten.’ Bijvoorbeeld? ‘I was gagged!, dat is zoiets als compleet overdonderd zijn. Of shady queen, iemand die venijnig grappig is. Sommige taal is bot, maar wel ontzettend grappig.’
‘Nu ik eraan terugdenk, probeerden Chris en zijn vrienden me echt iets te leren’, zegt Jacob. Kennis van de geschiedenis en de culturele wortels van de gayscene, onder andere. ‘Voor zwarte en Latino homomannen waren drag en performance, die voortkwamen uit de ballroomscene, een manier om zichzelf te representeren. Ze waren niet alleen zwart of Latino, maar óók gay. Veel van wat we nu als gaycultuur kennen, de glitter, de expressie, de taal van RuPaul, de beroemdste dragqueen van dit moment, komt daaruit voort.’
Wanneer het gesprek op politiek komt, zucht Jacob. ‘Als mensen zeggen: Trump dit, Trump dat... denk ik: arrest me, honey. We’ll survive.’ Hij zet zijn theaterstem op. ‘O really, you’re gonna make it illegal to own a gay bar? Fine. Then we’ll open the gayest damn bar you’ve ever seen.’ Dat is de energie hier.
Ik vraag hem wat hij van homo’s vindt die zich openlijk achter Trump scharen, de zogenoemde Log Cabin Republicans. ‘Dat is de schoonheid van Amerika: alle soorten mensen bestaan naast elkaar. Al is New York een land op zichzelf. Trump is hier geboren, veel mensen kennen hem van vroeger. Niemand neemt hem serieus. In Manhattan weten ze: je bent gewoon die foute vastgoedman.’
Onderweg naar mijn hostel realiseer ik me: het vanzelfsprekende ‘wij’ waarmee Jacob over de homogemeenschap spreekt, heb ik binnen de Nederlandse gayscene nooit zo ervaren. Als Twentse scholier pakte ik soms de trein naar Amsterdam om gay uit te gaan. Om te experimenteren, maar zeker ook in de hoop iets te vinden van het familiegevoel van Paris Is Burning. Dat vond ik niet. Na een avond feesten en flirten ging ieder zijns weegs, en dat paste mij ook wel. Want wat ik op zo’n avond meemaakte was spannend, maar vluchtig. Daar wilde ik mijn identiteit niet volledig aan verbinden. Nadien is dat voor mij niet wezenlijk veranderd. Queer zijn in Nederland is toch vooral een individuele aangelegenheid van kleine groepjes gelijkgestemden.
Met Paris Is Burning nog in mijn achterhoofd, om sporen te zoeken van de oorsprong van de New Yorkse queercultuur, neem ik de metro naar Harlem. Onderweg maken witte forenzen van Midtown plaats voor reizigers van kleur – Afro-Amerikaans, Caribisch, Latino’s – in een stad die nog altijd langs raciale lijnen verdeeld is.
Ik stap uit bij 125th Street en passeer de Elks Lodge, een brownstone-pand, ooit een belangrijke locatie van de ballroomscene. Ik herken het uit de documentaire. De deuren zijn dicht, maar ik verbeeld me hoe veertig jaar geleden de leden van de houses binnenstroomden richting de balzaal met zijn jurytafels, een zinderende ruimte gevuld met muziek. Ik stel me de vrijheid voor die daarbinnen bestond en buiten ontbrak.
Iets verderop ligt 4West Lounge. Ik ben de enige witte bezoeker. Om me heen wordt gelezen, gelachen en worden margarita’s gedronken. De sfeer is huiselijk. De barvrouw vertelt dat 4West een van de twee queer cafés in Harlem is. Omdat er weinig plekken zijn als deze, trekken sommige avonden zelfs bezoekers uit Brooklyn en New Jersey. Ik begrijp de aantrekkingskracht. Anders dan in downtown draait het hier minder om uiterlijk vertoon en verovering, en meer om oprechte ontmoeting.
Indigo (28) en zijn vrienden vormen er een bont gezelschap. Wanneer ze naar buiten gaan om te roken, loop ik mee. Indigo ziet mijn camera en vraagt of ik foto’s wil maken. Hij poseert zonder gêne.
Indigo is geboren en getogen in de Bronx. Ik vraag hem wat 4West Lounge voor hem betekent. ‘Het is prachtig hier. Ik heb in heel New York nog nooit een plek als deze gezien. Als Afro-Amerikaan is het fijn een veilige plek zoals hier te hebben. Iedereen is hier welkom. We sluiten niemand buiten, maakt niet uit hoe je eruitziet.’
Over de geschiedenis van Harlem als bakermat van zwarte queer cultuur zegt hij: ‘We zijn meer dan alleen ballroom. Natuurlijk hoort dat bij onze geschiedenis, maar we hebben nu ook queer modellen, acteurs, politici, sporters. Mensen vergeten hoeveel wij hebben opgebouwd.’
Als de politiek ter sprake komt, begint Indigo meteen over de Real ID Act: ‘Het is duivels. Ze hebben al mijn gegevens, maar zodra ik met officiële instanties van doen heb, halen ze me opnieuw door de molen en moet ik wéér al die documenten meenemen. Niet alleen mijn trans sisters worden daar hard door geraakt, ook mensen van kleur, migranten, iedereen die niet alle papieren netjes op orde heeft.’
Zijn generatie groeide op met de belofte van vooruitgang en meer gelijkheid. Indigo is vastberaden. ‘De geschiedenis herhaalt zich als je haar dreigt te vergeten. Maar ik vergeet haar niet, want ik ben erdoorheen aan het gaan, net als mijn voorouders – queer én van kleur, waardoor we al twee stempels tegen hebben.’
Indigo en ik wisselen gegevens uit. In de weken die volgen probeer ik contact te leggen, maar na een paar berichten blijft het stil. Later krijg ik van Indigo telefonisch toch nog een verklaring: ‘Velen van ons zijn bang.’
Jessica (37), een lesbische trans vrouw, geboren in Boston en sinds 2011 woonachtig in New York, begrijpt dat lhbti’ers van kleur terughoudend zijn met het geven van interviews: ‘Vertrouwen is hier niet vanzelfsprekend. Al bedoel jij het goed, als witte Europeaan word je toch gezien als buitenstaander.’
In Brooklyn maken de mensen indruk, het is het deel van New York waar iemand als Jessica thuis is: een culturele smeltkroes waar queer kunstenaars, studenten en nachtwerkers hun eigen infrastructuur bouwen, buiten de mainstream om. In de buurt Bushwick opende ze Full Spectrum, een fotolab dat ze runt met twee andere lesbische trans vrouwen. ‘Veel mensen uit de transcommunity komen hun rolletjes brengen en blijven hangen om te praten en hun fotografie en werkwijze te bespreken. Dat het lab eigendom is van trans vrouwen maakt het waarschijnlijk het eerste trans fotolab ter wereld.’
Jessica legt uit waarom het als trans persoon slim is om in New York te wonen. ‘Het land is een puinhoop, maar hier is de zorg nog goed. Je kunt via Medicaid toegang krijgen tot hormoonbehandelingen, feminiserende of masculiniserende chirurgie. Allemaal gratis als je blut bent.’ Maar die genderbevestigende zorg staat nu wel onder druk. Texas en Florida hebben transzorg al grotendeels verboden.
In de praktijk heerst grote onzekerheid voor ziekenhuizen en patiënten. Ook in New York, waar de wet nog bescherming biedt. ‘Het is beangstigend. Mensen proberen alternatieve manieren te vinden om zorg te krijgen, in de hoop dat ze het redden. Burgemeester Mamdani wil fondsen en gezondheidszorg op stedelijk niveau organiseren, los van de federale overheid. Dat is goed.’
Ondanks alles ziet ze hoe de onderlinge verbondenheid is toegenomen. ‘Maar er is ook die neiging om te veroordelen en buiten te sluiten. Mensen willen zo graag geaccepteerd worden dat ze zichzelf dwingen moreel perfect te zijn, niets fout te doen of te zeggen. Ik denk juist: laat dat los. We moeten elkaar beschermen.’
In de dagen die volgen verken ik het queer nachtleven in groot Brooklyn. Three Dollar Bill organiseert op maandag voguewedstrijden. House of Yes trekt een gemengd publiek van queer en straight feestgangers. Sinds kort is er ook het Queer Nightlife Community Center, waarvan ik de opening bijwoon. Het voormalige fabriekspand is omgevormd tot een cultureel centrum voor queer nachtwerkers, zoals dj’s, performers, barpersoneel en sekswerkers.
Overdag is het een plek voor educatie en activisme rond veiligheid, arbeidsrechten en mentale gezondheid; ’s nachts wordt het een club. Op de dansvloer liggen mensen op matjes bij te komen van het dansen, sommigen met een joint in de hand. Sm-pakken, oversized jeans, maskers en make-up: het is een afspiegeling van de veelzijdige queer gemeenschap hier. Wie ’s nachts werkt, vindt hier overdag een thuis.
Iemand die op de hoogte is van alle raves en lesbische hotspots is Krysia (34), die ik ontmoet op een feest in Williamsburg, een voormalige arbeiderswijk die populair is bij een jong, queer publiek. Ze heeft een hese stem die moeiteloos boven de muziek uitkomt.
Krysia is een first-generation Amerikaanse met een vader uit Polen en een moeder uit Canada. Haar ouders werkten hard voor wat ze zelf de American Dream noemt. ‘Ze gaven ons echt alles wat ze konden, familie is bij ons heilig.’ Al verliep haar coming-out niet soepel. ‘Mijn ouders wisten niet hoe ze ermee om moesten gaan. Het was chaos. Het was ook een andere tijd. De lhbti-beweging werd pas echt zichtbaar tijdens Obama’s presidentschap, toen het homohuwelijk werd gelegaliseerd.
‘Mijn ouders zijn super rechts, katholiek en echte Trump-Republikeinen.’ Haar eigen politieke positie noemt ze ‘grijs’. ‘Ik sta geregistreerd als Democraat, maar beschouw mezelf meer als een vrije denker. Links en rechts zijn inmiddels allebei ziek van haat. We hebben een nieuw midden nodig, een plek waar mensen kunnen landen.’
Ik vraag wat ze waardeert in Republikeinse waarden. ‘Het gaat me om stabiliteit. Een zekere structuur, familie, eigendom, financiële veiligheid. Ik geloof dat de economie beter draait onder de Republikeinen. Maar ik ben ook voor vrijheid, voor queerrechten, voor keuze. Het probleem is dat er geen ruimte meer is om allebei te zijn.’
Identiteit, weten wie je bent, of althans proberen dat te ontdekken, lijkt de onderstroom van bijna elk gesprek dat ik in New York voer. Een zoektocht die ik herken in mijn eigen queer-zijn, balanceren tussen vrijheid en aanpassing, iets wat me in queer New York goed afgaat.
Mijn huidskleur speelt daarin een grote rol; ik ben wit en word niet op mijn uiterlijk aangesproken. Dat besef wordt scherper wanneer ik modeontwerper Samuel (32) ontmoet. Als kind emigreerde hij vanuit Korea naar Californië, en als twintiger verhuisde hij naar New York om mode te studeren. We spreken af in The Exley, een queer bar.
‘Natuurlijk kwam ik hier voor mijn modecarrière, maar ook om te ontdekken wat de gayness was die ik van jongs af aan ervaarde.’
Op mijn vraag hoe hij wist dat New York daarvoor de juiste plek was, schiet hij in de lach. ‘Sex and the City. Ik wist dat het fictie was, maar het liet zien dat je alles kon zijn, vrouw, man, gay, straight, en dat dat niemand iets uitmaakte.’
Samuel was erbij toen Trump in 2016 voor het eerst werd verkozen. ‘In de metro was het muisstil. Alsof de hele stad door een rouwproces ging. Iedereen was in shock omdat ook hier mensen ervoor uitkwamen dat ze op Trump hadden gestemd.’ Het verbaasde hem niet zo. ‘Toen ik hier een jaar eerder kwam wonen, hoorde ik al veel racistische opmerkingen naar mij en mijn vrienden. Veel van hen zijn Aziatisch, zwart of mixed. Conservatisme was er altijd al.’
Zelfs op Fire Island, ooit een toevluchtsoord voor homo’s uit New York toen openlijk gay zijn nog verboden was, ervoer hij ongemak. ‘Het is een prachtige plek, ik ga er elk jaar heen. Maar een keer was ik daar met een Chinese vriend die in het Chinees aan het bellen was. Er liepen witte gays voorbij die nep-Chinees begonnen te praten en vroegen of we wel Engels spraken. Ik dacht: ik ben op Fire Island, for God’s sake!’
Als ik hem vraag naar de toekomst, is Samuel stellig. ‘Mijn ouders groeiden op onder een dictatuur, mensen in Korea laten zich niet zomaar de mond snoeren. Hier wel. Mensen denken: queerrechten zijn binnen, we zijn veilig. Maar zodra vrouwen- of migrantenrechten worden ingeperkt, staan ook de onze op het spel. Ik hoop dat de queer gemeenschap beseft hoeveel macht ze heeft. Stonewall veranderde de wereld, dat moeten we niet vergeten. Als de queer gemeenschap van New York weer zou staan voor waar ze ooit in geloofde: vrijheid, zichtbaarheid, verzet, dan zou dat overal in het land weerklank vinden.’
Tijdens mijn laatste dagen in de stad denk ik aan Samuels woorden: dat vrijheid pas echt iets betekent als die samen wordt gedragen en verdedigd. Vooral dat ‘samen’ blijft hangen. Wanneer ik mezelf eerder relateerde aan de lhbti-gemeenschap, sprak ik over ‘ik’ in plaats van ‘wij’. Pas hier, in New York, begrijp ik dat dat ook een politieke houding is, een die samenhangt met luxe.
Omdat ons bestaansrecht in Nederland (nog) niet zo genadeloos ter discussie staat, kunnen we het ons permitteren om in de ik-vorm te praten. Door de mensen die ik hier heb ontmoet en de plekken die ik heb bezocht, wordt dat ‘wij’ voor het eerst tastbaar, en dat emotioneert me. Niet alleen als iets om met trots deel van uit te maken, maar ook als een betrokkenheid met noodzaak, voor verzet. Queer New York kent reële angsten, daar kunnen we niet omheen. Maar bovenal is het een fort, de hoofden zijn opgeheven. En dat geeft hoop.
In de vertrekhal op JFK zie ik posters met ‘Be your REAL ID self.’ Erop afgebeeld: een blonde vrouw, identiteitskaart met ster in de hand. En ik denk: wat de ‘orange stain’ ook van plan is, geen president zal ooit kunnen bepalen wie deze mensen werkelijk zijn. Wij zijn er en we gaan nergens heen.
Geselecteerd door de redactie
Source: Volkskrant