Het fascisme, in hedendaagse vorm, rukt op. Wat verklaart deze aantrekkingskracht? Aan de hand van denkers en – verrassend – Commodus uit Gladiator meent Joost de Vries het antwoord te kunnen vinden in de paradox.
is schrijver en chef van Zondag, het essay- en boekenkatern van de Volkskrant.
De beste film van deze eeuw, en misschien wel van alle eeuwen, totdat de zon in een rode reus verandert en het leven op deze planeet wegbrandt, is natuurlijk Gladiator.
Het gaat me niet zozeer om Russell Crowe – ‘Are you not entertained?!’ – die in het Colosseum allerhande spectaculaire dingen doet met zwaarden, speren en Kaspische tijgers.
Wat de film zijn bezieling geeft, tussen alle veldslagen door, is dat ieder personage gedreven wordt door een welhaast metafysisch streven. Ieder personage handelt vanuit een eigen moraliteit. Het duidelijkst zit dat aan het begin. In het Romeinse legerkamp bij Vindobona, waar nu Wenen ligt, neemt de filosoof-keizer Marcus Aurelius zijn zoon Commodus apart.
Marcus Aurelius wordt gespeeld door Richard Harris en ziet eruit als een broos, hees, wegwaaibaar hoopje botten. Joaquin Phoenix speelt Commodus met een air van de gepamperde erfgenaam van wie je meteen weet dat hij papa’s Porsche in de prak zal rijden zodra hij de sleutels krijgt.
Ik laat je niet de troon na, zegt Marcus Aurelius tegen zijn teleurgestelde zoon. De Senaat zal over het rijk regeren.
Je schreef me ooit een brief, zegt de zoon, door de tranen heen, ‘waarin je de vier belangrijkste deugden opsomde. Wijsheid, rechtvaardigheid, standvastigheid en gematigdheid. Toen ik de lijst las, wist ik dat ik er geen van bezat. Maar ik heb andere deugden. Ambitie kan een deugd zijn, als die ons helpt te excelleren. Vindingrijkheid, moed – misschien niet op het slagveld, maar er zijn vele andere vormen van moed. Toewijding, aan mijn familie en aan u’.
De oude keizer valt zijn zoon in de armen, ze zeggen elkaar hun fouten te vergeven, en dan wurgt Commodus zijn vader om toch de troon te krijgen.
In de film wordt Commodus een tiran. In het echt was hij dat ook (van 180 tot 192 n.Chr.). Hij omringde zich met sycofanten, leende zich voor elke steekpenning en dwong een persoonlijkheidscultus af. Hij liet zijn volk toekijken hoe hij in het Colosseum hoogstpersoonlijk ontelbare leeuwen, neushoorns en, heel onnodig, een giraffe over de kling jaagde.
Hij kreeg geen genoeg van het applaus, en maakte zichzelf wijs dat hij daadwerkelijk iets bijzonders deed. Commodus lijkt het type dat een verzonnen Fifa-vredesprijs uit handen van Gianni Infantino in ontvangst zou nemen, en nog zou vinden dat hij hem verdiend heeft ook.
Het is anachronistisch om Commodus een fascist te noemen. Het zou bijna twee millennia duren voordat Mussolini en zijn zwarthemden Rome overnamen.
Toch moest ik aan hem denken tijdens het lezen van het recente Het woord dat de dood verslaat, door Rob Riemen, de oprichter-directeur van het Nexus Instituut.
Interessant genoeg begon het huidige debat over hedendaags fascisme in Nederland – vanuit de vraag: telt Wilders als fascist? – met Riemens pamflet De eeuwige terugkeer van het fascisme in 2010. Riemen zag in de opmars van Wilders’ populisme iets ouders, iets engers, iets jarendertigs doorschemeren. Maar anno 2010 wilden weinig opiniemakers daarvan weten. Van links tot rechts werd hij door critici en columnisten – variërend van Jonathan van het Reve (nu: Lubach) tot Afshin Ellian (nu: De Telegraaf) – als culturele hypochonder en alarmist weggezet.
In de Volkskrant schreef Frits Bolkestein: ‘Door Wilders met het fascisme in verband te brengen, trivialiseert Riemen het werkelijke fascisme. (…) Rob Riemen moest zich schamen zo veel onzin de wereld in te sturen.’
De suggestie was een beetje: je mag het woord pas gebruiken wanneer mensen uniformen dragen en marsliederen zingen.
Tijden veranderen. Riemen was de troepen ver vooruit. Antidemocratisch autoritarisme rukt overal op, en de schroom om politici en in hun slipstream techbaronnen en andere grootkapitalisten, fascisten te noemen is volledig weggesmolten.
Het succes en de weerklank van Rosan Smits’ bestseller Dit is fascisme is wat dat betreft veelzeggend. Bij Smits klinkt het alsof het leeuwendeel van ons parlement nu al onder de douche het Horst Wessellied zingt. Daarbij maakt ze weinig onderscheid tussen beleid en opvatting: alsof je al fascist bent als je je bedenkingen bij migratie hebt.
Smits ziet fascisme niet zozeer als een politieke ideologie of een strak hiërarchisch wereldbeeld, maar hoofdzakelijk als een strategie van politici, als een opportune stijl van volksmennerij: ‘Ideologie is voor fascisten puur instrumenteel, iets waar je selectief uit shopt om de massa te mobiliseren’.
In Het woord dat de dood verslaat schrijft Riemen over menselijke bezieling. Het ‘woord’ in de titel van zijn boek is poëzie, literatuur, filosofie. De ‘dood’ is het fascisme; hij schetst de chagrijnige santenkraam van de Trumps, Poetins, Orbáns en Netanyahu’s van deze wereld die achter de idealen van macht, rijkdom en imperium aanlopen die zij voor ‘Grootheid’ aanzien.
Riemen wil uitleggen dat echte grootheid iets anders is. Riemen verhaalt onder meer over de pedagoog Janusz Korczak, die fier voorop een stoet weeskinderen uit het getto in Warschau richting de nazitreinen liep. Zelf kon hij wegkomen, maar hij ging mee met de kinderen, om te laten zien: ‘het enige antwoord op alle onmenselijkheid is meer menselijkheid, zoals trouw tot in de dood aan wie je dierbaar bent.’
Riemen schrijft over Thomas Mann op diens sterfbed, en hoe Mann oog in oog met de Eerste Wereldoorlog door een enkele dichtregel van Goethe zichzelf bekeerde van het vernietigende nationalisme tot het leven respecterende humanisme.
Het boek is erudiet en zit vol mooie voorbeelden (al had ik niet voorzien dat het, nogal barok, de vorm aanneemt van een gesprek met Clio, de muze van de geschiedenis, die op een avond fysiek in Riemens werkkamer verschijnt. Ze draagt een rode jurk met een open hals en spreekt hem, wat onverwacht andré-van-duin-esk, aan met ‘Hallootjes’.)
Keer op keer komt Riemen terug bij wat volgens hem de sleutel van het Europees humanisme is: de adel van geest.
Riemen: ‘Deze uitdrukking is de expressie van het credo dat ieder mens een geestelijk, moreel wezen is dat zich de waardigheid van zijn bestaan alleen eigen kan maken door zich boven zijn angsten, begeerten en driften te verheffen, en in waardigheid te leven, schoonheid te scheppen en gerechtigheid te doen.’
Oké, maar tegelijk moest ik denken aan de protofascist Commodus, de giraffeslachter. Want ook hij is een uitgesproken moreel wezen – alleen zijn moraliteit leidt hem tot andere keuzen dan zijn vader. Ook hij oefent zich om zijn driften te beheersen en gerechtigheid te scheppen, alleen betekent gerechtigheid iets anders voor hem.
Vanuit deze lijn kun je niet stellen dat fascisten louter instrumenteel handelen, of dat ze geen moraal hebben, of dat ze niet over waardigheid, gerechtigheid en schoonheid nadenken. Alleen leggen ze die op een radicaal andere manier uit.
Wanneer Riemen stelt dat de adel van geest ‘niet mogelijk is zonder de kunst van het lezen’, dan wil ik dat van harte met hem eens zijn. Ik wil ook lezen als zielszuiverende activiteit zien, het zou me een halve heilige maken. Ik voel mijn halo gloeien.
Het punt is alleen dat je van mensen als Steve Bannon, of Peter Thiel, of Thierry Baudet – wiens partij inmiddels gala’s geeft waar extreemrechts komt dansen – niet kunt zeggen dat ze niet genoeg klassiekers hebben gelezen. Sterker nog, ze dwepen ermee.
Zeker voor jonge fascisten is een specifiek soort belezenheid een sleutelkenmerk. Voor hen is, bijvoorbeeld, De Tocqueville lezen, een manier om te illustreren hoe diep ze met Europa’s tradities verbonden zijn. Ze ontlenen er autoriteit aan. Waarschijnlijk lezen ze soms zelfs dezelfde dingen als Riemen. Ze trekken alleen andere conclusies.
Dit is overigens een van de essentieel interessante waarden van literatuur en filosofie: dat geen twee mensen hetzelfde boek lezen. Iedereen neemt uit hetzelfde boek iets anders mee.
Kijk wat dat betreft naar die andere Gladiator-figurant, Marcus Aurelius. Zijn stoïcijnse levensfilosofie is onverminderd populair bij mensen die zoeken naar een leven dat niet door makkelijke genotsvervulling wordt gedicteerd. Adel van geest, kun je zeggen.
Maar: Aurelius is net zo populair in de toxische, eng-rechtse manosphere, waar zijn stoïcisme wordt gebruikt als ruggensteuntje om emoties weg te stoppen omdat ze zwak zouden zijn.
Wat betekent de vermeende belezenheid van extreemrechts? Hoe belangrijk is filosofie voor hedendaags fascisme?
Deze vraag is precies waar het historicus Robin te Slaa om te doen is, in de nieuwste versie van zijn Fascisme – Oorsprong en ideologie. Te Slaa wil uitleggen dat het fascisme zich júíst binnen een raamwerk van ideologie, filosofie en waarden afspeelt.
Het fascisme is niet slechts een anti-houding of ‘politieke hondsdolheid of een nihilistische anti-ideologie zonder werkelijke inhoud’, schrijft Te Slaa. Al schrijft hij tegelijkertijd: ‘Natuurlijk hebben fascisten door hun activistische, anti-intellectualistische en gewelddadige houding in niet geringe mate bijgedragen aan dit misverstand.’
(Ik moest hierom lachen, alsof Te Slaa eigenlijk zegt: de fascisten hebben niet bijgedragen aan mijn theorie van het fascisme.)
Anders dan andere autoritaire regimes kenden fascistische regimes utopische doeleinden. Ze wilden een nieuwe, klasse overstijgende, collectivistische, homogene, maatschappelijke orde creëren, en daardoor niet alleen een nieuwe cultuur afdwingen, een nieuwe elite, maar zelfs een nieuw mens. ‘Fascisme is het stelsel van de volgende beschaving’, verklaarde de Britse fascistenleider Oswald Mosley.
Van deze belofte van een nieuwe toekomst ging, volgens Te Slaa, een enorme aantrekkingskracht uit. Het glorieuze doel heiligde de gore middelen.
En, zegt hij in zijn nawoord, dat is iets anders dan wat de liberale rechts-populisten vandaag de dag willen. Zij zien geen nieuwe mens voor zich. Wat zij willen is een etnocratie, ‘een ingeperkt democratisch bewind waarin ‘de algemene wil’ van de dominante etnische bevolkingsgroep prevaleert boven de rechten van minderheden’.
Leiders als Bolsonaro, Orbán en Trump missen een dergelijke uitgewerkte leer van overtuigingen, schrijft Te Slaa. Ze hebben een ‘dunne ideologie’, terwijl fascisten een ‘volle ideologie’ hebben.
Te Slaa voert een voorbeeldige, razend belezen ideeëngeschiedenis op. En toch was de vraag die vaak bij me opkwam: nou en? Maakt het uit of we het fascisme of etnocratie noemen? Historiseer je het fascisme niet door het zo in te kaderen binnen de denkwijzen van de 19de en 20ste eeuw?
En zou het fascisme sinds de jaren dertig geen evolutie kunnen hebben doorgemaakt? En verklaren al die ideologische pamfletten en geschriften van lang overleden schrijvers waarom miljoenen mensen vandaag achter autoritaire leiders aan lopen?
In zijn verklaring maakt Te Slaa, krijg je het gevoel, de klassieke fout der intellectuelen, namelijk zich blind te staren op denkers en theoristen. Terwijl iedereen zo’n beetje weet dat een politieke theorie zelden landt in een geest die er niet al klaar voor was.
Dit kun je je afvragen bij de fascistoïde leesjeugd: lezen ze die boeken uit interesse, of maken ze van filosofie een dekmantel om deftig uit te leggen waarom ze vinden wat ze toch allang vinden? Een citaatje Nietzsche om je rommelende racistische onderbuik mee te overstemmen?
Bovendien 1: vaak gaat de praktijk voor de theorie uit. Lang voordat Nietzsche de term übermensch bedacht, voelden mensen zich op basis van hun geloof of hun huidskleur beter dan andere mensen.
Bovendien 2: misschien dat je bij een enkele politicus nog ergens in een Billy een gelezen exemplaar van, bijvoorbeeld, Drieu La Rochelle, tegenkomt. Maar vast niet bij de miljoenen stemmers. Dus wat verklaart hen? Want zij zijn degenen die die leider in het zadel helpen.
Tegenover Te Slaas fascisme-inkaderende-intellectualisme, tegenover Riemens verlangen naar een adel van geest, en tegenover Smits idee van fascisme-als-opportunisme, kun je George Orwell zetten.
Het nu net vertaalde De leeuw en de eenhoorn begint met Orwells laconieke mededeling: ‘Terwijl ik schrijf, vliegen er hoogbeschaafde mensen over die mij proberen te doden.’
Het was het najaar van 1940. Orwell was nog niet de Orwell van Animal Farm of 1984 toen hij dit schreef. Hij woonde in een flatje, werkte voor de BBC, schreef essays waarin hij bepleitte hoe het socialisme de maatschappij kon verbeteren.
Hij was afgekeurd voor militaire dienst, omdat zijn luchtwegen beschadigd waren geraakt toen hij als vrijwilliger aan het front vocht in de Spaanse Burgeroorlog. Inmiddels was het fascisme opgerukt in Europa en vloog de Luftwaffe over zijn hoofd. De ‘hoogbeschaafde mensen’ gooiden bommen op Londen. Hoogbeschaafd waren ook de Britten die in deze Blitz dekking zochten.
Hoogbeschaafd was het probleem dus niet.
In De leeuw en de eenhoorn probeert Orwell uit te leggen waarom het fascisme geen voet aan de grond kreeg in Groot-Brittannië. Aanvankelijk lijkt het een patriottistisch essay te zijn, in de manier waarop hij de Engelse volksaard probeert te typeren: ‘Het bier is bitterder, de munten zijn zwaarder, het gras is groener, de reclames zijn schreeuweriger.’
Engelsen hebben knobbelige gezichten en slechte gebitten, gaat Orwell verder: ‘We zijn een volk dat bestaat uit bloemenliefhebbers, maar ook uit postzegelverzamelaars, duivenmelkers, amateurhoutbewerkers, couponknippers, darters en kruiswoordpuzzelfans.’
In Engeland, schrijft Orwell, mist de bulk van de bevolking militaire kennis, of oorlogszuchtige fantasieën. ‘Geen enkele politicus zou aan de macht kunnen komen door veroveringen of militaire ‘glorie’ te beloven, geen enkele haathymne is ooit bij hen in de smaak gevallen.’ Als soldaten in ganzenpas door de straten zouden marcheren, zou iedereen in lachen uitbarsten.
Engelsen eren hun nederlagen beter dan hun successen. De enige namen die ze hebben onthouden uit de vorige oorlog waren de namen van verlies: Mons, Ieper, Gallipoli en Passchendaele. Het bekendste Engelse krijgsgedicht gaat over de beruchte ‘charge of the light brigade’ in de Krimoorlog, 1853-1856, ‘een cavaleriebrigade die ten aanval trok in de verkeerde richting’.
Dit lijkt bescheidenheid. Maar: dit antimilitaristische is, zegt Orwell, pure schijnheiligheid.
Want in 1940 was het Britse Rijk wijdverbreid. Groot-Brittannië had zich een kwart van de wereld toegeëigend, maar omdat ze dat kwart domineerde met zijn marine, ver uit het zicht, aan de andere kant van de planeet, konden de Engelsen zichzelf wijsmaken dat ze een land van pais en vree was. Ze zijn kolonisten, maar wanen zichzelf postzegelverzamelaars.
Hierin schuilt de crux waarom de Engelse inborst niet vatbaar is voor fascisme. Of zoals Orwell dat beschrijft in de bekendste zinnen van het essay: ‘Een illusie kan een halve waarheid worden; een masker kan een gezichtsuitdrukking veranderen.’
Doordat de Britten zichzelf als louter goedaardig willen zien, staan ze niet open voor de marcheerbevelen van het fascisme. Ze kunnen de uniformen, de marsen, de haatspeeches en de verheerlijking van macht en geweld niet omarmen, omdat ze ze niet kunnen rijmen met hun zelf-illusies.
Niet adel van geest als verdedigingslinie tegen fascisme, maar schijnheiligheid van geest.
Natuurlijk is dit literaire retoriek van Orwell (hij laat bijvoorbeeld buiten beschouwing dat Groot-Brittannië, anders dan Duitsland, niet het ressentiment van een verloren wereldoorlog kende), maar het voelt verstandig om de populariteit van het hedendaagse fascisme in de paradox te zoeken.
Het hedendaagse fascisme is anti-intellectueel, maar is tegelijk gek op denkers die het cachet kunnen geven. Het is anti-elite, maar wordt bevolkt door steenrijke figuren. Het is etnocratisch, maar ondertussen tref je tussen de aanhangers en in de leiding talloze minderheden aan.
Het spreekt over conservatieve familiewaarden, en wordt bevolkt door mensen die aan hun tweede, of derde huwelijk bezig zijn en – zeker als je naar de leiders kijkt – aan hun tweede of derde kinderschare.
Het wemelt van de antisemieten, die vervolgens tijdens de vernietigingsoorlog in Gaza de meest uitgesproken Israël-verdedigers zijn. Het hekelt de cultureel-verantwoorde-woke-gedachtenpolitie en schreeuwt over vrijheid van meningsuiting, en doet zelf zijn best journalisten, komieken en kunstenaars monddood te maken.
Het heeft telkens een nationalistische inborst, maar viert twee of drie keer per jaar vakantie in een andere tijdzone. Het ervaart een grote economische neergang, maar viert twee of drie keer per jaar vakantie in een andere tijdzone. Het is nationalistisch en kosmopolitisch.
Het ervaart een bedreigende crisis in het landsbestuur, en zoekt het niet bij leiders die concrete oplossingen kunnen presenteren. Het beroept zich op het verleden als een gezaghebbende waarde, en is bereid elke traditie overboord te gooien als de mensen die die traditie belichamen kritisch zijn.
Er zijn genoeg Wilders-stemmers, schat ik, die remigratie een prachtig idee vinden, maar tegelijk hun schoonzoon Mo ‘een schat van een jongen’ vinden. Ik heb het ze horen zeggen.
Die tegenstrijdigheden zijn niet hypocriet, want dat zou suggereren dat ze een van de twee niet zouden menen. Ze menen ze allebei. Ze houden van Mo. Ook al hadden ze liever niet dat zijn familie ooit hierheen was gekomen.
Als je zo kijkt is fascisme geen dunne ideologie, en geen volle ideologie, maar een open ideologie. Zie het als een open syntaxis, een vrije grammatica van ideeën die je zo kunt vervoegen dat ze je altijd uitkomen. Je kiest welke opvattingen je uitkomen en negeert de andere.
De aantrekkingskracht van het hedendaagse fascisme is, waarschijnlijk, dat het mogelijk is er met één been in en één been uit te staan. Je kunt blijkbaar een béétje fascist zijn.
Om als Orwell te redeneren: wanneer hij schrijft dat zijn volk zich een zachtaardige club duivenmelkers en postzegelverzamelaars voelt, zou je kunnen stellen dat iedereen in het Westen, in onze decennialange vrede, in onze ongeremde vrije markt, waarin iedereen verantwoordelijk is voor zijn eigen leven, zichzelf primair consument voelt.
De vergelijking tussen de politiek en het winkelcentrum is vaker gemaakt. Het kenmerk van een consument is dat hij iets koopt, en als het hem niet meer bevalt koopt hij iets anders. Een consument identificeert zich niet met het product, ervaart geen loyaliteit aan het product. Zijn keuze heeft voor hem geen gevolg.
(Dit is waarom de meest rabiaat rechtse partijen ook zetels winnen in Vinex-wijken, waar twee auto’s op de stoep staan en de boodschappenmandjes vol zitten. Het is het privilege van stemmers die zich niet echt persoonlijk geraakt voelen door de politiek.)
Zo zullen hele volksstammen politiek beleven, en zo kom je bij wat de grootste evolutie van het fascisme is, van de jaren dertig naar nu. Te Slaa stelt dat een van de belangrijkste kenmerken van het fascisme is dat de groep boven alles wordt gesteld, het individu is volledig ondergeschikt. Maar juist dit is radicaal veranderd.
Er is een duidelijk zij-denken ontstaan – ‘Zij moeten hun aanpassen!’ – maar tegelijk er is nauwelijks een wij-gevoel, ook niet bij mensen die opportuun over ‘het volk’ spreken. De verkiezingen waarin radicaal-rechts of extreemrechts of fascistisch rechts – net hoe je bereid bent het te noemen – won, werden gedreven door stemmers die actief een hekel hadden aan belastingen, overheidsvoorschriften, aan ministers en experts die hen vertellen dat ze met anderen solidair horen te zijn. De regels zijn er voor anderen.
Anders dan in de jaren dertig hebben we decennia individuele vrijheid in onze rug, en speelt nu het primaat van het individu een hoofdrol. Niemand cijfert zich weg voor de groep, niemand is sneuvelbereid. Het draagt het verwende gezicht van een Commodus. Het fascisme is er voor een massa van individuen.
Dat heeft twee voordelen: dat het moeilijk voor te stellen is dat er in West-Europa een Leider opstaat die daadwerkelijk de massa’s weet te mobiliseren. De massa vindt het leuk dat die Leider boze dingen roept, maar dat roepen moet wel vrijblijvend blijven. De massa laat zich niks opdragen dat tegen zijn comfort ingaat.
En, voordeel twee: een open ideologie kun je in, en weer uit. Dat is het winkelcentrum. Mensen lopen naar binnen, en lopen ook weer naar buiten. Mensen stemmen Wilders en stemmen twee jaar later Rob Jetten of Henri Bontenbal.
Dat is een volgende vraag voor alle fascisme-auteurs. Niet alleen ‘hoe zijn al die miljoenen mensen fascistische bewegingen in gelokt?’, maar ook ‘hoe hielden ze weer op fascist te zijn en gingen ze weer verder met hun leven?’
Rob Riemen: Het woord dat de dood verslaat – Verhalen over ware grootheid. Balans: 152 pagina’s; € 20.
Robin te Slaa: Fascisme – Oorsprong en ideologie. Boom; 392 pagina’s; € 29,90.
Rosan Smits: Dit is fascisme. De Correspondent; 200 pagina’s; € 16.
George Orwell: De leeuw en de eenhoorn. Inleiding, vertaling uit het Engels en annotatie door Thomas Heij. Boom; 96 pagina’s; € 14,90.
Geselecteerd door de redactie
Source: Volkskrant