Dinsdag doen rechters uitspraak in de Barendrechtse zedenzaak. Hoe begrijpelijk het ook is dat zo’n proces emoties losmaakt, volgens psychologen is het onverstandig om pedofiele mannen te benaderen als monsters. Dan voelen ze zich minder vrij om hulp te zoeken.
is politie- en justitieverslaggever van de Volkskrant.
‘Een monster’, zo werd de verdachte in de Barendrechtse zedenzaak in januari genoemd door de vader van een slachtoffer. Mels van B. heeft volgens het Openbaar Ministerie tientallen meisjes misbruikt en/of stiekem gefilmd, nadat hij ze had gedrogeerd. Tegen hem is 14 jaar cel en tbs geëist. Dinsdag 3 maart blijkt welke straf hij krijgt.
De strafzaak maakt niet alleen veel emoties los, maar roept ook vragen op over wat voor mensen zulke misdrijven plegen en hoe het risico kan worden beperkt dat iemand als Mels van B. over de schreef gaat.
Voor antwoorden op die vragen ging de Volkskrant naar Nederlands grootste centrum voor ambulante forensische geestelijke gezondheidszorg, de Waag. Dat is een polikliniek waar onder anderen daders van kindermisbruik worden behandeld en pedofiele cliënten bij elkaar komen in gespreksgroepen. In zulke groepen, die wereldwijd uniek zijn, krijgen ze steun en advies en delen ze ervaringen met elkaar. Voor sommigen heeft dat een preventief effect.
Klinisch psycholoog Marc Verheij (49) werkt al achttien jaar bij de Waag, waar hij behandelaar is en programmamanager seksueel grensoverschrijdend gedrag, voor alle twaalf vestigingen. Gz-psycholoog Fieke van der Meer (39) begon acht jaar geleden bij de Waag in Amsterdam en begeleidt onder meer een praatgroep voor pedofiele mensen.
De psychologen geven dit interview niet als belangenbehartiger van hun cliënten: ze praten seksuele delicten op geen enkele manier goed, het is juist hun missie om ze tegen te gaan. Maar hun werk biedt hun als geen ander inzicht in de psyche van kindermisbruikers en pedofiele mensen. Daarover bestaan misverstanden, zeggen ze, en die willen ze ophelderen.
Zo worden de woorden pedofiel en kindermisbruiker ten onrechte geregeld door elkaar gebruikt. Iemand met pedofilie heeft seksuele gevoelens voor kinderen die nog niet in de puberteit zijn gekomen, maar dat hoeft niet te betekenen dat hij of zij hen seksueel misbruikt. (Valt iemand op pubers, dan heeft hij hebefilie, maar die term is zo onbekend bij het publiek dat Verheij en zijn collega dit woord vaak vermijden in de media.)
Zelf spreken ze liever niet van ‘een pedofiel’, omdat iemands seksuele oriëntatie slechts één kenmerk van een persoon is. Ze geven de voorkeur aan termen als ‘pedofiele man’ – er zijn ook vrouwen met pedofilie, maar mannen lijken in de meerderheid en worden veel vaker veroordeeld voor seksuele misdrijven. Daarom beperkt dit interview zich tot mannen.
Nederland telt volgens Marc Verheij en Fieke van der Meer naar schatting 140- tot 180 duizend mannen die op minderjarigen vallen. Uit onderzoek blijkt dat 80 tot 90 procent van hen niets met deze gevoelens doet, bijvoorbeeld omdat ze weten hoe schadelijk dat is voor kinderen.
‘Ik weet dat veel mensen dat niet geloven’, zegt Van der Meer in een vergaderzaaltje van de Waag in Den Haag. ‘Dat komt doordat de beeldvorming niet klopt. Ja, er is een overlap tussen pedofiele mannen en kindermisbruikers, maar veruit de meeste mannen met seksuele gevoelens voor kinderen handelen daar nooit naar.’
Hoe kan het dan dat er in een gemiddelde basisschoolklas twee slachtoffers van seksueel misbruik zitten?
Van der Meer: ‘Veel kinderen worden misbruikt door mannen die geen seksuele voorkeur voor minderjarigen hebben. De helft tot driekwart van de plegers valt op volwassenen.’
Verheij: ‘Zulke mannen slaan toe omdat zich een gelegenheid voordoet waarin ze hun seksuele behoeften kunnen bevredigen. Ze vinden bijvoorbeeld dat ze recht hebben op seks en zijn daar zo obsessief mee bezig dat het eigenlijk niet uitmaakt met wie ze dat hebben.’
Gebeurt het weleens dat jullie zelf boos worden van een zedenzaak?
Verheij: ‘Als ik in de krant lees over een heftige zaak, kan ik daar zeker verontwaardigd over zijn. Kinderen zijn kwetsbaar en afhankelijk, niemand wil dat hun zoiets vreselijks overkomt. Maar als plegers tegenover me zitten word ik zelden boos. Omdat ik dan de persoon achter het misdrijf zie, iemand met een verhaal. Wat zijn delict niet goedkeurt, natuurlijk.’
‘Plegers van kindermisbruik zijn geen monsters, maar mensen die iets monsterlijks hebben gedaan’, zegt de Amerikaanse documentairemaker Amanda Mustard. Heeft ze gelijk?
Verheij: ‘Ja, dat iemand iets schokkends heeft gedaan, of monsterlijks zo je wil, betekent niet dat hij als persoon een monster is.’
Maken pedofiele mannen dat onderscheid zelf ook?
Verheij: ‘Lang niet altijd. Dikwijls nemen ze de beeldvorming over uit de samenleving. Zodra ze merken dat ze seksuele gevoelens voor kinderen hebben, worstelen ze daarmee en associëren ze dat met kindermisbruik. Ook als ze zoiets nooit willen doen.’
Pedofilie is geen keuze, benadrukt Van der Meer. ‘Er lijkt sprake van een combinatie van biologische, genetische, psychologische en sociale factoren. Bij een deel is het meer aangeboren, bij anderen speelt een leerervaring een grote rol. Zo’n ervaring kan zijn dat iemand zelf is misbruikt, maar de meeste slachtoffers krijgen later geen seksuele gevoelens voor kinderen.’
Een op de drie pedofiele mannen denkt structureel na over zelfdoding. Ze zijn vaak somber en eenzaam, gebruiken drugs of drinken te veel. ‘Voor zichtbare klachten worden ze soms wel behandeld’, legt Van der Meer uit, ‘maar niet voor het onderliggende probleem: dat ze gebukt gaan onder een groot geheim, ze vallen op kinderen.’
De drempel om hierover te praten met een huisarts of psycholoog is hoog. ‘Ze zijn bang dat iemand hen veroordeelt vanwege hun gevoelens, dat het uitlekt en ze alles verliezen: hun werk, vrienden, hun familie. Een cliënt zei ooit tegen me: ‘Het moeilijkste dat ik ooit heb gedaan, is mijn huisarts vertellen dat ik op kinderen val.’’
Hulpverleners weten zich doorgaans geen raad met dit onderwerp, stelt Verheij: ze schrikken zich bijvoorbeeld kapot als zo’n man hen in vertrouwen neemt, stralen uit pedofilie raar of vies te vinden, of vragen direct hoe gevaarlijk hij is. Het gevolg kan zijn dat de man in kwestie nooit meer praat over zijn gevoelens.
Dat veel kindermisbruikers meermaals in de fout gaan, is volgens hem een misvatting. ‘Na een veroordeling pleegt over een langere termijn 10 tot 15 procent van hen opnieuw een seksueel misdrijf. Vaak zeggen ze meteen dat ze ongelooflijk stom zijn geweest en doen ze het nooit meer.’
De keerzijde is dat het geregeld gebeurt dat een pleger pas na jaren wordt gepakt, nadat hij meerdere slachtoffers heeft gemaakt.
Verheij: ‘Je ziet vaak dat plegers pas stoppen als ze worden betrapt en veroordeeld, ja. Tot die tijd denken ze, soms onbewust: ik kom ermee weg. Ze hebben niet uit zichzelf de vaardigheden of de wil om hun gedrag te veranderen. Daar proberen wij iets aan te doen.’
Marc Verheij en Fieke van der Meer zijn de bedenkers van ‘zelfacceptatiegroepen’ in de Waag, voor mannen met pedofilie. Daarin krijgen ze steun en advies van elkaar en leren ze hun seksuele gevoelens te accepteren. Voor sommigen helpt dat om grensoverschrijdend gedrag te voorkomen.
Verheij begeleidt een groep in Den Haag, Van der Meer in Amsterdam, en er is een in Amersfoort. Ze bestaan stuk voor stuk uit vijf à zes mannen met gevoelens voor kinderen tot 16 jaar die seks met minderjarigen afkeuren. Sommigen hebben niets misdaan, anderen proberen niet opnieuw over de schreef te gaan.
‘We zijn hiermee begonnen in 2019’, zegt Verheij. ‘Ik kreeg steeds meer te maken met pedofiele mannen die zelf vroegen om behandeling en worstelden met hun zelfbeeld. Ze konden vaak nauwelijks geloven dat ze lang niet de enigen zijn die hiermee rondlopen. Zo ontstond het idee om ze bij elkaar te zetten.’
Volgens Van der Meer zijn er ook Britse, Amerikaanse en Duitse mannen met pedofilie die onder begeleiding ervaringen uitwisselen, maar doen zij dat online. ‘Voor deze mensen is het een enorme stap om één keer in de vier weken naar een locatie te komen om zoiets te doen.’
Inmiddels hebben ruim vijftig mannen deelgenomen aan een zelfacceptatiegroep. ‘Uit een evaluatie blijkt dat de meesten blij zijn dat ze niet langer alles geheim hoeven te houden’, zegt ze. ‘Ook merken ze dat het hebben van gevoelens voor kinderen niet betekent dat je een vreselijk mens bent. De groep werkt als een spiegel; ze zien dat andere deelnemers heel normale mensen zijn en denken: misschien geldt dat dan ook wel voor mij.’
Wat moet ik me voorstellen bij zo’n praatgroep?
Van der Meer: ‘We zitten aan een tafel of in een kring. Elke keer kiezen we een thema, op basis van wat groepsleden meemaken of waar ze mee zitten. Zoals: hoe ga ik om met vrienden met kinderen, kan ik mijn partner vertellen over mijn pedofilie?’
Wat gebeurt er als ze een naaste in vertrouwen nemen?
Verheij: ‘Als iemand dat doet met een persoon die heel dicht bij hem staat, zoals een partner, ouder of goede vriend, leidt dat vrijwel nooit tot het besluit om met hem te breken. Omdat zo’n vertrouwenspersoon de man met pedofilie al heel goed kent, en weet: deze man is veel meer dan zijn seksuele gevoelens.’
Leidt zo’n biecht niet tot ongemakkelijke situaties met kinderen?
Verheij: ‘Dat kan, maar belangrijker is dat het ook extra veiligheid oplevert. Ik ken voorbeelden van familieleden die nietsvermoedend tegen iemand met pedofilie zeiden: wij gaan even weg, pas jij op je nichtje? Zo’n man voelt meteen ongemak als hij niet alleen met haar wil zijn, vanwege zijn gevoelens. Maar als hij zegt dat hij niet wil oppassen, kan dat raar overkomen. Op zo’n moment is het fijn als iemand op de hoogte is en zegt: ik pas wel even op haar.’
Volgens Van der Meer is het de bedoeling dat deelnemers uiteindelijk tegen zichzelf zeggen: als ik iets seksueels voel voor kinderen is dat geen probleem, want ik ga er niks mee doen en doe er niemand kwaad mee. ‘Dat neemt veel stress weg.’
Veel groepsleden vinden het wel lastig om te accepteren dat zulke gevoelens altijd onbeantwoord zullen blijven, merkt ze. ‘Ze hebben een soort liefdesverdriet. Want pedofiele gevoelens gaan nooit weg. Wat wel kan gebeuren, is dat hun seksualiteit minder op de voorgrond treedt. Leuk werk, hobby’s, een fijn netwerk; dat helpt.’
Waar trekken jullie de grens voor acceptabel gedrag, los van de wet?
Van der Meer: ‘Binnen wat wettelijk mag verschilt per persoon wat goed voelt en wat het risico op grensoverschrijdend gedrag laag houdt. Sommige cliënten proberen te vermijden dat ze op straat langer naar een kind kijken, omdat ze dat zelf ongemakkelijk vinden of daardoor meer denken aan seksueel contact met kinderen. Voor anderen is zoiets niet risicoverhogend: zij zien het juist als een fijne manier om ruimte te geven aan hun gevoelens, zonder dat het verder tot iets leidt.’
Gaat het te ver als een cliënt de hele zaterdag staat te kijken naar hockeyende meisjes bij een club?
Van der Meer: ‘Als hij niet worstelt met grenzen, zich daar goed aan houdt, dol is op sport en een taak heeft bij zo’n club: waarom zou dat dan niet kunnen?’
Stel dat hij zegt: ik wil een jeugdteam coachen?
Verheij: ‘Dan zeg ik: dat is geen goed idee. Zo iemand hoeft niet elk contact met kinderen uit de weg te gaan, maar hij moet zichzelf niet in een situatie brengen waarin hij continu contact met hen heeft.’
Van der Meer: ‘Voor sommige groepsleden is het niet verstandig om in situaties te komen waarin ze alleen zijn met kinderen. Dat kan ertoe leiden dat ze op een gegeven moment een grens overgaan.’
Zijn jullie niet bang om pedofilie te normaliseren door er zo open over te praten?
Verheij: ‘Er zullen altijd mannen zijn met zulke seksuele gevoelens.’ Hoe ver ze die ook wegstoppen, het kan volgens hem gebeuren dat ze uiteindelijk online op zoek gaan naar kindermisbruikmateriaal. En contact met iemand die hetzelfde doet, kan leiden tot meer grensoverschrijdend gedrag.
‘Het klinkt misschien paradoxaal, maar om kinderen te beschermen is het belangrijk om pedofilie bespreekbaar te maken. Zo kunnen we ervoor zorgen dat deze mannen sneller hulp zoeken en krijgen. Het is beter dat ze onder begeleiding ervaringen uitwisselen bij de Waag dan in een donker hoekje van het internet.’
De maatschappij heeft er volgens hem baat bij dat deze groep niet in een isolement raakt. ‘Veel plegers die ik behandel, hebben lang geprobeerd niet aan hun gevoelens toe te geven. Op een zwak moment maakten ze verkeerde keuzes, op basis van gedachten als: wat ik ook doe, ik ben een monster, niemand moet mij, ik heb niks meer te verliezen, dus kies ik maar voor mijn eigen gerief.’
Dinsdag is de uitspraak in de Barendrechtse zedenzaak, met al die verdoofde meisjes. Wat betekent de media-aandacht rondom zulke zaken voor jullie cliënten?
Verheij: ‘Voor een flink aantal voelt het extra bedreigend. Ze zien de emoties oplopen in de media, wat de gedachte versterkt dat er voor hen geen plek is in de samenleving.’
Van der Meer: ‘Een deel van hen heeft het gevoel dat op hun voorhoofd staat wat ze voelen. Als iemand langer naar ze kijkt, worden ze bang. Ze zien zichzelf als een wandelende schietschijf, bijvoorbeeld voor pedojagers.’
Hebben jullie de indruk dat de media-aandacht toeneemt?
Van der Meer: ‘Ja. Vroeger stond zoiets in de krant en was er soms iets op de radio of tv. Nu zijn er een heleboel talkshows, liveblogs, podcasts, noem maar op. Soms komen daarin ook details over een misbruikzaak aan de orde. Daardoor komt het dichterbij; dat kan mensen nog bozer of angstiger maken.
‘Ik begrijp deze woede. Maar ik hoop dat men ook beseft dat de meeste mannen met pedofilie nooit een kind misbruiken. Zo iemand worstelt levenslang met gevoelens waar hij niet om heeft gevraagd. Als hij een misdrijf pleegt is dat verschrikkelijk, natuurlijk. De uitdaging is dan om het gedrag te veroordelen, niet de hele persoon. Zulke mannen verstoten en isoleren, in plaats van behandelen, is vragen om problemen.’
Geselecteerd door de redactie
Source: Volkskrant