Home

Hoe werd David Bowie zo’n memorabele filmheld?

Van ‘The Prestige’ tot ‘Zoolander’, de rock- én filmster was een verzamelaar van personages.

In The Man Who Fell to Earth, nu terug in de bioscoop, speelde David Bowie zijn eerste filmrol. En zeker niet zijn laatste, al bleef Bowie de filmheld net als Bowie de rockster altijd worstelen met zijn roem. Maar was hij niet juist daardoor zo goed?

Door Elise van Dam

‘Er drijft een vlieg in mijn melk; een vreemd lichaam dat heel veel melk binnenkrijgt. Dat is hoe ik me voel. Een vreemd lichaam. En ik kan niet anders dan alles in me opzuigen.’ Het is 1974 en in de documentaire Cracked Actor geeft David Bowie (1947-2016) op de achterbank van een limousine antwoord op de vraag hoe zijn verblijf in Amerika hem en zijn werk beïnvloedt. Het is niet alleen de VS waarvan hij onder invloed is. Bowie worstelt in die jaren met een cocaïneverslaving.

De Engelse regisseur Nicolas Roeg zag de documentaire en meteen ook zijn hoofdrolspeler. Zijn uit de lucht gevallen alien. Androgyn, fragiel, ongrijpbaar, ook qua sekse, een tikje gevaarlijk. In The Man Who Fell to Earth (1976), dat vanwege zijn vijftigjarig jubileum opnieuw in de Nederlandse bioscopen te zien is, speelde Bowie zijn eerste speelfilmrol (in 1969 speelde hij al wel in de kortfilm The Image). Het was het begin van een lange filmcarrière, waarin hij vooral in bijrollen vaak memorabel was.

David Bowie tijdens de Nederlandse televisieshow TopPop. Foto Gijsbert Hanekroot.

Zoals zijn ene scène in Twin Peaks-prequel Fire Walk with Me (1992) als FBI-agent Phillip Jeffries. In een te groot linnen pak en Hawaïaans overhemd loopt hij plots het FBI-kantoor binnen na een paar jaar eerder te zijn verdwenen. Hij spreekt in onbegrijpelijke zinnen en verdwijnt dan voor de ogen van de andere personages. Binnen het toch al bizarre Twin Peaks-universum is het een gedenkwaardige scène, voor een aanzienlijk deel dankzij Bowies performance. Met zijn knikkende knieën, de nadrukkelijke manier waarop hij zijn woorden uitspreekt en bijna bezeten blik in zijn ogen weet hij angst op te roepen voor iets wat wij niet kunnen zien. Iets wat alleen hij ziet.

In Virginia Campbells Bowie at the Bijou, een fantastische reportage uit 1992 in tijdschrift Movieline, vertelde Bowie dat de regisseur vaak een bepalende factor was bij zijn keuze voor een filmrol. ‘Is het iemand die ik van dichtbij wil observeren?’, was de vraag die hij zich daarbij stelde. Zo was hij benieuwd of Twin Peaks-regisseur David Lynch echt zo ‘cerebraal’ was als men zei. Lynch stond bekend om zijn soms onnavolgbare filosofieën over het bewustzijn en de werking van het brein. Lynch was inderdaad cerebraal, aldus Bowie. Maar ook ‘quite alarmingly nuts. Hij was fantastisch. Werken met hem is waarschijnlijk te vergelijken met hoe het was om met Nic Roeg te werken – als ik me dat zou herinneren.’

David Bowie in The Man Who Fell to Earth.

Roeg castte Bowie niet om in een rol te verdwijnen. Hij castte hem om David Bowie te zijn. Om de grens tussen rockster en alien te laten vervagen, tussen een in zijn drugsverslaving verdwalende man en het buitenaardse wezen dat hij leek. Naar eigen zeggen consumeerde Bowie 10 gram cocaïne per dag tijdens de draaiperiode van The Man Who Fell to Earth. (Een artikel in tijdschrift Uncut stelt dat hij clean was en voornamelijk leefde op ijsjes.)

Of het nu cocaïne was of ijs, het resultaat is verbluffend. Niet per se goed, maar fascinerend. Bowie lijkt nooit helemaal aanwezig in de scènes. Zijn reacties zijn vaak net een beetje vertraagd, zijn bewegingen onbeholpen, alsof dit lichaam hem niet eigen is. Het versterkt het gevoel dat we kijken naar een uit zijn habitat geplukt buitenaards wezen dat zich steeds meer verliest in het mens-zijn. ‘Het is een goede weergave van iemand die voor je ogen uit elkaar valt’, zo vatte Bowie het zelf samen in Bowie at the Bijou.

David Bowie in Merry Christmas Mr. Lawrence, The Hunger, The Elephant Man en Twin Peaks, Fire Walk With Me.

In dezelfde periode nam hij in een waas van drugs het album Station to Station (1976) op. Voor de bijbehorende tour creëerde hij het alter ego The Thin White Duke, waarvoor hij zich vooral voor kleding en kapsel liet inspireren door zijn rol in The Man Who Fell to Earth. Kort daarna was de limiet bereikt. De druk van de roem woog zwaar en zijn drugsverslaving vrat in hoog tempo aan zijn uithoudingsvermogen en zijn gezondheid. Zo goed als platzak vertrok hij naar Berlijn, waar hij zijn beroemde Berlijnse trilogie maakte: de albums Low (1977), Heroes (1977) en Lodger (1979).

‘Elke rol die Bowie speelde was onvermijdelijk in dialoog met zijn vele alter ego’s’, schrijft Rachel Pronger in een BBC-profiel van Bowie de acteur. Want ook als muzikant speelde hij rollen: Ziggy Stardust, Aladdin Sane, Halloween Jack. Rollen waarvoor hij geregeld inspiratie putte uit films. Na zijn eerste hoofdrol hoopte Bowie een serieuze filmcarrière op te bouwen, gelijk opgaand met die in de muziek. Een beetje zoals eerder Frank Sinatra dat had gedaan. Maar zijn eerstvolgende film, Just a Gigolo (1978), over een veteraan die na de Eerste Wereldoorlog als gigolo gaat werken in een chic bordeel, flopte.

David Bowie in Just a Gigolo.

Er volgden nog enkele grote rollen in de jaren tachtig, onder meer in Tony Scotts The Hunger (1983), waarin Catherine Deneuve en David Bowie twee vampiers spelen. Dat lijkt fantastisch, maar de film wordt nooit zo goed als dat gegeven op papier klinkt. In datzelfde jaar speelde hij in Nagisa Ōshima’s Merry Christmas, Mr. Lawrence (1983) een Britse majoor die krijgsgevangen wordt genomen in een Japans kamp tijdens de Tweede Wereldoorlog. Er ontstaat een dynamiek tussen hem en kampkapitein Yonoi die ergens tussen machtsstrijd en aantrekkingskracht zweeft, en uiterst subtiel wordt uitgespeeld. Ook Yonoi werd overigens gespeeld door een muzikant: de beroemde componist Ryuichi Sakamoto, die ook de melancholische score voor de film schreef.

Ōshima castte Bowie naar verluidt nadat hij hem had gezien in een Broadway-productie van The Elephant Man eind jaren zeventig. Zijn rol in Merry Christmas, Mr. Lawrence was de rol waar Bowie zelf het trotst op was. Het is een van de weinige waarin Bowie verdwijnt achter zijn personage, waarin het niet voelt alsof hij (op z’n minst ten dele) gecast is om David Bowie te zijn – wat dat ook mocht betekenen. Want Bowie beschouwde identiteit nadrukkelijk als een amalgaam. Hij noemde zichzelf een ‘verzamelaar van personages en ideeën’.

In een gesprek met de BBC in 1999 legde Bowie uit dat hij geen geboren podiumdier was. ‘Ik was niet op m’n gemak op het podium, nooit.’ Het was de reden dat hij zich tijdens optredens alter ego’s aanmat. ‘Ik voelde me comfortabeler als ik op het podium iemand anders kon zijn (…). Ik raakte gecharmeerd van het idee om gewoon het ene personage na het andere te creëren.’

David Bowie op de set van zijn clip voor het nummer Jump They Say in Los Angeles, 1993. Foto Getty.

Maar hoewel geboren uit zelfbescherming, schuilt in dat rollenspel ook een filosofie over identiteit als iets dat niet vastomlijnd is, maar een doorlopend proces van uitproberen en transformeren. ‘Tegen de achtergrond van het idiote ethos van de jaren zestig – ‘wees gewoon jezelf’ – wierp Bowies muziek en houding de vraag op: welk zelf?’, schrijft Virginia Campbell. Misschien maakte dat hem zo geschikt als acteur: in zijn heel herkenbare verschijning school een veelheid aan personages en identiteiten.

Vaak liepen er lijnen tussen de muziek en het acteren. Zoals toen hij in 1996 de rol van Andy Warhol speelde in Julian Schnabels Basquiat. Bowie was een bewonderaar van Warhol. In 1971 schreef hij het nummer Andy Warhol, en drie jaar later kreeg hij de kans hem te bezoeken in The Factory. In een notoir ongemakkelijke ontmoeting speelde Bowie zijn liedje voor Warhol. ‘Hij vond het vreselijk, hij haatte het’, blikte Bowie in een interview in 1987 terug. ‘Hij zei: ‘O, uh, huh, oké’, en liep weg.’ Bowie’s gele Mary Jane-schoenen redden de situatie. ‘Het waren van die kleine gele dingen met een riempje overdwars, zoals meisjesschoenen. Hij was er helemaal weg van.’

Bowie kreeg voor zijn rol in Basquiat toestemming om Warhols echte pruik, bril en jasje te lenen uit het Andy Warhol Museum in Pittsburgh. De familie van Warhol prees zijn vertolking. Het is lastig om Warhol, met zijn aparte maniertjes en intonatie, te spelen zonder er een zweem van parodie aan te geven, maar Bowie slaagt erin daarvan weg te blijven. Wie zijn vertolking van Warhol ziet, ziet daarin het sociale ongemak dat zo vaak werd uitgelegd als vijandigheid, maar waar Bowie de kwetsbaarheid in vindt. Waarschijnlijk omdat hij iets herkende in Warhol, die zich ook verschool achter een persona en worstelde met roem.

Ook in een van Bowies laatste rollen verwerkte hij zijn eigen worsteling met roem in de rol van een ander beroemd persoon. Het kostte Christopher Nolan wat overtuigingskracht om Bowie, die op dat moment weinig meer acteerde, over te halen uitvinder Nikola Tesla te vertolken in The Prestige (2006). In een van zijn weinige scènes legt hij aan een door Hugh Jackman gespeelde goochelaar uit dat de wereld terugdeinst voor te veel verandering, bang is voor transformatie. Het is alsof we in de woorden van uitvinder Tesla de eigen overtuiging horen van David Bowie, die er een levenswerk van maakte zichzelf steeds opnieuw uit te vinden.

David Bowie als Nikola Tesla in The Prestige en als Baal in Baal.

Een van de grootste transformaties die Bowie als acteur onderging was niet een uitzinnige, maar juist eentje waarbij hij zich ontdeed van elk spoortje glamour en sterallure. In 1982 speelde hij de titelrol in Alan Clarkes televisieadaptatie van Bertolt Brechts Baal, met verrotte tanden, slordige baard en vieze kleren. Baal is een amorele en misschien ook wel geniale troubadour. Iemand die wars is van roem en heldendom, en toch geadoreerd wordt. Een adoratie die hij gretig gebruikt (en misbruikt), maar waar hij tegelijkertijd van walgt.

Bowie speelde de rol een jaar voordat hij het album Let’s Dance uitbracht, op dat moment zijn grootste commerciële succes. Het is alsof zijn venijnige rol als Baal, die met alleen zijn stem en zijn banjo bijtend commentaar geeft op zijn eigen ‘succesverhaal’, zijn schaduw vooruitwierp. De mainstreammuziek van Let’s Dance joeg weliswaar zijn sterrenstatus door het plafond, Bowie zelf had het gevoel dat de muziek niet helemaal de zijne was. Dat hem een rol was opgedrongen die hem niet paste.

De clip van Jump They Say. Foto Getty.

In het interview met de BBC uit 1999 merkt de interviewer op dat Bowie niet alleen op het podium personages creëert, maar dat ook David Bowie een creatie is. Voelt hij zich eigenlijk meer David Bowie of David Robert Jones, zoals zijn geboortenaam luidt? ‘Minder en minder Bowie’, antwoordt Bowie lachend en hij herhaalt die naam een paar keer. ‘Ik weet niet eens meer hoe je het uitspreekt.’ Tegen die tijd stond zijn acteercarrière op een laag pitje. De man die identiteit beschouwde als een eeuwig uitproberen, was langzaamaan zichzelf geworden.

Andere opvallende filmverschijningen van David Bowie

Als David Bowie in Christiane F. (1981)

Bowie kon niet ontbreken in deze film gebaseerd op het leven van de jonge heroïneverslaafde Christiane Felscherinow, die Bowie als een held beschouwde. In de film bezoekt Christiane een concert van Bowie in Berlijn, waar ze vooraan staat en even zijn blik vangt tijdens een van de beste liveregistraties van een van de beste Bowie-nummers, Station to Station.

Als Colin Morris in Into the Night (1985)

Eigenlijk draait Bowies volledige performance als huurmoordenaar Colin Morris in John Landis’ zwarte komedie Into the Night om zijn glimlach. In de slechts twee scènes die hij heeft doet die glimlach je met zijn kille charme de rillingen over de rug lopen.

Als Vendice Partners in Absolute Beginners (1986)

Hoewel Bowie als reclamemagnaat Vendice Partners maar een kleine rol heeft in de musicalfilm Absolute Beginners, werd er in de campagne rond de film flink ingezet op zijn sterrenstatus. Zijn musicalnummers zijn dan ook het meest memorabele aan deze verder vrij seksistische aangelegenheid. Het titelnummer werd een hit, de film verdween in vergetelheid.

Als Jarreth de Goblin-koning in Labyrinth (1986)

In Jim Hensons fantasyfilm Labyrinth speelt Bowie met een bizarre pruik en dito kostuum en vooral met overduidelijk de grootste lol de Goblin-koning Jarreth. De film flopte bij de release en groeide pas later, mede dankzij die iconische verschijning van Bowie, uit tot de geliefde cultklassieker die het nu is. Begin maart verschijnt de veertig jaar oude film opnieuw in de Nederlandse bioscopen.

Als Pontius Pilatus in The Last Temptation of Christ (1988)

Verraderlijk ingetogen is Bowie als Pontius Pilatus in Martin Scorseses Jezusfilm The Last Temptation of Christ. In slechts één scène zit hij, waarin hij indruk maakt met zijn prachtig onderkoelde reactie als Jezus uitlegt dat hij niet op commando een wonder kan verrichten: ‘Huh, dat is teleurstellend.’

Als David Bowie in Zoolander (2001)

In deze campy film met vette knipoog heeft Bowie een korte cameo waarin hij, als David Bowie dus, jury speelt bij een ‘walk off’ tussen twee door Ben Stiller en Owen Wilson gespeelde modellen. Tegenover de duckfacende Stiller en Wilson krijgt Bowie een paar lekker vet aangezette shots van zijn reactie. ‘Disqualified!

Als fluitketel/Phillip Jeffries in Twin Peaks: The Return (2017)

David Lynch wilde dolgraag dat Bowie zou terugkeren als Phillip Jeffries in het derde seizoen van Twin Peaks, maar Bowie was op dat moment al te ziek. Dus bracht Lynch Jeffries terug in de vorm van een machine (die veel weghad van een fluitketel) en met een stem die op die van Bowie leek, maar dat niet was. Zo is Bowie tegelijk wel en niet aanwezig in een werk dat voor veel betrokken acteurs, inclusief Lynch zelf, een zwanenzang bleek.

Als Ziggy Stardust in Lola (2022)

In deze sciencefictionfilm creëren twee zussen in de aanloop naar de Tweede Wereldoorlog Lola, een machine waarmee ze in de toekomst kunnen kijken. Het eerste wat ze zien als ze het apparaat aan de praat krijgen is Bowie die als Ziggy Stardust Space Oddity zingt. Bowie als een verre boodschap uit een andere tijd; passender kan eigenlijk niet.

Een Bowie Centre, een nieuw boek: tien jaar na zijn dood is David Bowie nog steeds springlevend

Tien jaar na zijn dood wordt David Bowie nog steeds vooral geassocieerd met zijn werk uit de jaren zeventig. Maar ook het wonderlijk mooie album Blackstar, dat enkele dagen voor zijn dood verscheen, klinkt nog altijd even imposant.

In ‘Lazarus’ onthulde David Bowie dat hij stervende was

Paul Onkenhout en John Schoorl schrijven elke week over een liedje waarvan de titel bestaat uit alleen een voornaam. Lazarus en het bijbehorende album waren een afscheidscadeau van David Bowie, een paar dagen voordat hij overleed.

Waar komt die acteerdrang van muzikale supersterren als Charli XCX en Harry Styles toch vandaan?

Charli XCX duikt de komende tijd op in liefst zeven (!) films – en ze is niet de enige muzikale superster op het witte doek. Waar komt die drang om te acteren van sommige artiesten toch vandaan, en hoe goed zijn hun pogingen eigenlijk?

Source: Volkskrant

Previous

Next