Home

In Gaza merken mensen nog niets van de tweede fase

‘Ik haat alles aan deze plek’

De wapenstilstand tussen Hamas en Israël is de langverwachte tweede fase ingegaan. De Volkskrant ging op bezoek bij vier gezinnen in Gaza om te zien of hun leven is veranderd.

Door Carlijn van Esch en Seham Bahjat Tantesh

Fotografie Osama Al-Ashi

Het grootste deel van de dag ligt Rabee Al-Aqraa in een donkere hoek van de kleine kamer waar hij met acht familieleden verblijft en staart voor zich uit. Als hij te snel beweegt, raakt hij buiten bewustzijn. Met veel moeite vertelt de 42-jarige Al-Aqraa dat hij schildklierkanker heeft en met de dag achteruitgaat. Zijn ogen en huid zijn gelig.

Zijn vrouw, Tahani Hamdan, vist zijn medische papieren uit hun schaarse bezittingen. Al-Aqraa kreeg zijn diagnose in 2022, maar kon ook toen al niet in Gaza worden geopereerd. Hij had net toestemming gekregen om voor verdere behandeling naar Israël te gaan, toen de oorlog uitbrak. En hoe langer de oorlog duurde, des te minder zorg hij kon krijgen. De meeste van zijn voorgeschreven medicijnen zijn al heel lang niet verkrijgbaar.

Rabee al-Aqra, die ernstig is verzwakt door schildklierkanker, woont samen met zijn vrouw, hun zes kinderen en zijn vader in een krappe kamer in het Yarmouk-vluchtelingenkamp in Gaza-Stad.

Nu de grensovergang bij Rafah voor voetgangers is geopend, hoopt de familie dat Al-Aqraa in het buitenland alsnog behandeld kan worden. Maar ze hebben nog geen papieren weten te bemachtigen. ‘Ik probeer me aan te melden, maar het is erg moeilijk’, zegt Al-Aqraa. Hij is een van de naar schatting 20 duizend mensen in Gaza die op medische evacuatie wachten.

Met de langverwachte heropening van de enige grensovergang met Egypte is op 2 februari de tweede fase van de wapenstilstand tussen Hamas en Israël officieel aangebroken. Dit moet de fase worden van demilitarisering en wederopbouw, maar in de Gazastrook zelf kunnen de meeste ontheemde Palestijnen zich daarbij nog weinig voorstellen. Na meer dan twee jaar oorlog, onveiligheid en gebrek aan alles, zijn mensen volledig uitgeput.

In de vroege ochtend van 9 oktober ging het nieuws als een lopend vuurtje door Gaza: eindelijk was er een staakt-het-vuren, eindelijk was het einde van de oorlog in zicht. Vier maanden later is dat optimisme grotendeels vervlogen. De wapenstilstand staat nog overeind, maar dat geldt ook voor de humanitaire crisis. Eigenlijk is er heel weinig veranderd, vertellen vier gezinnen aan de Volkskrant.

Na een regenachtige nacht zoeken mensen tussen de tenten van het Yarmouk- vluchtelingenkamp in Gaza-Stad naar een zonnig plekje om op te warmen. Aan de rand van het kamp staat een kapotgeschoten markthal. De familie Al-Aqraa heeft hun toevlucht gezocht in een van de ruimten die vroeger als opslagplaats werden gebruikt. Achter de deken die de ingang afsluit, maakt Tahani Hamdan (41) een vuurtje met stukjes karton die haar kinderen hebben verzameld.

Tahani Hamdan maakt een vuurtje met stukjes karton die haar kinderen in het afval hebben gevonden.

De rook vult al snel de krappe kamer en de tranen springen in Hamdans met kohlpotlood omlijnde ogen. Haar zes kinderen, gekleed in dunne vodden, komen rond het vuur zitten. Aan de ene kant van de kamer staat een emmer die als toilet moet dienen, aan de andere kant liggen hun enige twee matrassen. ‘De kinderen liggen op dekens op de grond’, vertelt ze. ‘We kunnen meestal niet slapen van de kou.’

Hamdan voelt zich machteloos. Het enige dat volgens haar sinds de wapenstilstand is verbeterd is de toegang tot voedsel. ‘We krijgen bijvoorbeeld aardappels, rijst en groente van het Wereldvoedselprogramma. Het is niet heel voedzaam, maar het is genoeg om te overleven’, zegt ze. Wat ze uit hun mond kunnen sparen, verkoopt ze om zeep en kleren voor haar kinderen te kopen.

Ook blijft ze zoeken naar zorg en medicijnen voor haar man, maar tevergeefs. De meeste ziekenhuizen zijn nog gesloten of slechts deels geopend. Bij de vluchtelingenkampen zijn gratis klinieken opgezet, maar ook die hebben vaak geen medicijnen. De gezondheidszorg zal alleen maar verder instorten als Israël zoals aangekondigd aan het eind van deze maand 37 hulporganisaties de toegang tot Gaza ontzegt.

Hamdans grootste angst is dat de medische evacuatie voor haar man te laat komt. In de eerste week na de officiële opening hebben in totaal nog geen vijftig patiënten de grens bij Rafah kunnen oversteken. Volgens de afspraken tussen Israël en Egypte moeten dat er vijftig per dag worden, elk met maximaal twee verzorgers, maar in dat tempo duurt het vooralsnog meer dan een jaar voordat alle patiënten de Gazastrook hebben verlaten.

Eigenlijk had de grensovergang al aan het begin van de eerste fase moeten opengaan. Volgens het 20-puntenplan van de Amerikaanse president Donald Trump, dat de blauwdruk voor de wapenstilstand werd, moesten alle (levende en gedode) Israëlische gijzelaars terugkeren naar huis in ruil voor vrijlating en terugkeer van Palestijnse gevangenen, moest het Israëlische leger zich achter de zogenoemde Gele Lijn terugtrekken en moest er ‘onmiddellijk volledige hulp naar de Gazastrook’ worden gestuurd.

OpenStreetMap Contributors

Vooral van dat laatste punt is weinig terechtgekomen. Volgens cijfers van de Verenigde Naties laat Israël gemiddeld 260 vrachtwagens met hulpmiddelen per dag binnen, veel minder dan de 600 vrachtwagens die voor de oorlog dagelijks de grens over gingen. Daar komt bovenop dat heel veel spullen – van medicijnen en hygiëneproducten tot dekens, tenten en gereedschap voor reconstructiewerkzaamheden – volgens hulporganisaties veelal door Israël worden tegengehouden.

Daardoor leven de meeste ontheemden nog altijd in kapotte tenten, die nauwelijks bescherming bieden tegen regen of winterkou. ‘Ik heb het gevoel dat het leven alleen maar zwaarder is geworden sinds de wapenstilstand’, zegt Amna Al-Saudi (35), die met haar man en drie kinderen in een kleine tent op enkele meters van de zee verblijft, nabij de vroegere haven van Gaza. ‘Tijdens de oorlog konden we vaak terugkeren naar ons huis, maar dit is geen plek om te leven.’

De tent van het gezin Al-Saudi, op het strand bij de voormalige haven van Gaza-Stad, lekt en wordt bij elke bui deels bedolven door de zandduin pal naast hen.

Al-Saudi wijst op de tent die aan elkaar hangt van losse stukken zeil en plastic. Ze wijst op het zandduin pal naast hen, die bij elke bui deels op de tent stort. Ook vertelt ze dat ze geen eten kunnen bewaren vanwege vocht, muizen en ratten. Al-Saudi droomt van een caravan, het liefste bij het puin van haar huis in Gaza-Stad. ‘Ik haat het leven in de tent. Ik haat alles aan deze plek’, zegt ze. ‘Vroeger had ik mooie herinneringen aan het strand, maar nu heb ik er een hekel aan.’

Wat het extra moeilijk maakt, is dat haar zoons van 7 en 17 een verstandelijke beperking hebben. ‘Je kunt het niet aan ze uitleggen als er geen eten is. Dan blijven ze maar huilen’, zegt ze. De kinderen hebben vaak last van huiduitslag en diarree, maar ze heeft niet genoeg kleding en water om hen geregeld te kunnen verschonen. ‘We moeten het water rantsoeneren. Elke dag kan maar een van mijn kinderen zich wassen.’

Amna al-Saudi met haar man Hamza en haar 7-jarige zoon voor hun tent op het strand bij Gaza-Stad.

Ondanks het moeizame verloop van de eerste fase, claimt Trump dat hij vrede naar Gaza of zelfs het hele Midden-Oosten heeft gebracht. Met veel bombarie introduceerde hij vorige maand zijn Vredesraad, waaronder een uitvoerend orgaan en een technocratisch Palestijns comité hangen die voor de demilitarisering en wederopbouw moeten gaan zorgen. Ook werden extravagante vastgoedplannen voor ‘Nieuw Gaza’ onthuld, zonder duidelijk te maken welke ruimte daarin voor de Palestijnen is.

Maar voor de patstelling tussen Israël en Hamas heeft Trump nog geen oplossing gevonden. Hamas wil pas ontwapenen als er politieke garanties liggen voor de toekomst van de Gazastrook – voor Israël onbespreekbaar. Maar als Hamas zich niet op korte termijn ontwapent, wil Israël dat met geweld afdwingen. Diverse Iraëlische media meldden afgelopen weken dat het leger plannen maakt om de oorlog te hervatten.

Dat is de grootste angst van Osama Abu Rakba. ‘Ik maak me altijd zorgen dat de oorlog weer in alle heftigheid terugkomt. De continue bombardementen en de hongersnood’, zegt de 17-jarige jongen. ‘Ik voel me nooit veilig. Een paar dagen geleden raakten twee van mijn vrienden gewond bij een bombardement.’

Zijn familie leeft in het enorme, overvolle Al-Mawasi-kamp, aan het strand bij de zuidelijke plaats Deir Al-Balah. Ze konden vlak langs de drukke Al-Rashid-weg, die parallel aan de kust richting Noord-Gaza loopt, nog een plekje voor hun tent vinden. Dag en nacht leeft Rakba met zijn vader, moeder, twee zussen en broertje in de herrie van het verkeer. De enige andere doorgaande weg loopt vlak langs de Gele Lijn en wordt door veel mensen vermeden uit angst voor Israëlische aanvallen.

Osama Abu Rakba (17), in de tent van zijn familie in het overvolle vluchtelingenkamp Al-Mawasi.

Zijn vader heeft geprobeerd om er echt een huisje van te maken, met matrassen en andere spullen die hij uit het puin van hun huis heeft kunnen trekken. Hij heeft bankjes getimmerd, de vloer met kleden bedekt en een keukentje en een soort badkamer ingericht. Toch blijft hun meest waardevolle bezit de sleutel van hun vroegere huis in Rafah, vertelt Rakba. Zijn jongste broertje Yusuf herinnert zich dat huis al nauwelijks meer.

Rakba begint de dag steevast met het repareren van de tent. Met spijkers probeert hij de losgewaaide stukken plastic vast te hameren, terwijl zijn ouders de tent van binnen schoonmaken en het ontbijt klaarmaken. ‘Daarna begint onze strijd met de lange rijen bij het waterpunt en de gaarkeuken’, zegt hij. Als hij tijd overhoudt, probeert Rakba nog wat huiswerk te maken. Sinds kort is er in Khan Younis weer een school geopend. Maar het is ver weg en het lukt hem vaak niet om naar de ‘tentschool’ te reizen.

Toch heeft hij goede hoop dat de grensovergang bij Rafah ook voor goederen open zal gaan. Hij hoopt dat hij dan meer vrije tijd heeft. Dat hij weer met zijn vrienden kan voetballen. Dat hij weer een goede plek heeft om te studeren. En dat hij weer durft te dromen over zijn toekomst. Rakba bereidt zich voor op de eindexamens die over vier maanden moeten beginnen, maar hij heeft nog weinig kunnen nadenken over wat daarna komt.

Het Palestijnse comité dat volgens het 20-puntenplan voorlopig de Gazastrook moet gaan besturen, heeft in januari zijn eerste bijeenkomsten gehad. De bedoeling is dat de vijftien leden binnenkort de grens bij Rafah oversteken en de wederopbouw onder hun leiding begint. Maar binnen de huidige beperkingen lijkt dat een onmogelijke taak.

Dat weet Tawfiq Abu Jarad als coördinator van een vluchtelingenkamp in Deir al-Balah maar al te goed. De 38-jarige man, die zelf met zijn zijn vrouw, schoonmoeder en vijf kinderen uit Noord-Gaza is gevlucht, maakt zijn dagelijkse ronde door het modderige kamp. Hij deelt brood uit, maakt een praatje, en probeert mensen hier en daar met een grapje op te vrolijken.

Tawfiq Abu Jarad, coördinator van het vluchtelingenkamp in Deir al-Balah, verdeelt brood onder de bewoners van het kamp.

Zijn belangrijkste taak is het verdelen van de hulpmiddelen, maar er komen nauwelijks spullen binnen. ‘Niemand in het kamp heeft voldoende kleren, dekens of matrassen’, zegt hij. Ook ziet hij nog steeds tekenen van ondervoeding bij kinderen en ouderen. ‘Er is te weinig voedzaam eten. Groenten en vlees zijn voor de meeste mensen nog te duur’, zegt hij. ‘De maaltijden van de gaarkeuken zijn klein en maar één keer per week met vlees of vis.’

De tent van Jarad is grotendeels leeg, maar hij heeft een klein solar systeempje, waarmee hij zijn waardevolste bezittingen, een laptop en een telefoon vol foto’s van vroeger, oplaadt. Hij probeert zijn werk als assistent-hoogleraar journalistiek en media aan Gaza Universiteit voort te zetten. Elke ochtend kruipt hij achter zijn laptop om colleges op te nemen, waarna hij op zoek gaat naar een plek met internet om die te uploaden en vragen van de studenten te beantwoorden.

In het begin van de oorlog had hij een eigen schooltje naast zijn huis, maar dat is vernietigd. Een deel van zijn kinderen volgt digitaal les via de smartphone als het internet dat toelaat. Hij maakt zich veel zorgen over de opleiding van zijn kinderen en vooral van zijn 10-jarige zoon Ahmad, die nog niet goed kan lezen en schrijven. ‘De kinderen vragen steeds wanneer ze weer naar school kunnen.’

Jarad heeft zijn hoop gevestigd op het Palestijnse comité, maar gelooft dat er pas echt iets kan verbeteren als de grensovergangen zonder beperkingen opengaan. ‘We volgen het nieuws, maar alles is tegenstrijdig. We hopen dat het comité gaat slagen, dat het eindelijk veilig wordt en dat het normale leven terugkeert. Maar voorlopig gaan de bombardementen gewoon door, is er tekort aan water en eten, en is er feitelijk geen gezondheidszorg of onderwijs’, besluit hij.

Bijna elke dag komen in de Gazastrook nog mensen om het leven bij Israëlische luchtaanvallen. Op 31 januari, op de drempel van de tweede fase, beleefde Gaza nog een van de dodelijkste dagen sinds de ingang van de wapenstilstand. Bij aanvallen op Al-Mawasi, Khan Younis en Gaza-Stad vielen meer dan 32 doden, onder wie zeker zes kinderen. ‘Er is geen echt staakt-het-vuren’, zegt Jarad. ‘Alleen in de media.’

Verantwoording

Dit verhaal werd geschreven in samenwerking met Seham Bahjat Tantesh die in Gaza – waar nog altijd geen journalisten worden toegelaten – in opdracht van de Volkskrant getuigenissen en waarnemingen verzamelt.

Source: Volkskrant

Previous

Next