De Synclavier veranderde de popmuziek van de jaren tachtig. Michael Jackson, Frankie goes to Hollywood, Sting: allemaal zworen ze bij dit ooit loeidure apparaat. Veertig jaar later houdt een groepje liefhebbers het instrument nog steeds in leven. Want wat een schatten zitten er nog in.
Door Gerard Janssen
Fotografie Desiré van den Berg
‘Luister’, zegt Danny Weijermans in een buitenwijk van Utrecht. Hij staat in een studioruimte zonder ramen, met een vleugel, blaasinstrumenten en enorme speakers. Een lavalamp bubbelt. Boven een platformpje draait langzaam een zwevende replica van de maan rond. Hier werkt Weijermans aan de sound design van een nieuwe film van de Engelse regisseur Peter Greenaway.
Hij drukt een paar toetsen van zijn Synclavier in. Het apparaat lijkt op een elektrische piano, ingebouwd in een kast met rode lampjes en metalen knopjes. ‘Dezelfde knopjes als in een B-52-bommenwerper.’
Dan klinkt een van de herkenbaarste intro’s uit de popmuziek, Beat It, van Michael Jackson:
Dooing dooing... Doing doing... Dooin Dooing... Bong.
Het instrument is met kabels verbonden aan manshoge kasten, volgehangen met elektronische printplaten. Die staan een verdieping hoger en worden gekoeld door ventilatoren.
‘Dit is de enige werkende Synclavier in Nederland’, zegt Weijermans. ‘Wereldwijd zijn er misschien nog enkele tientallen.’
Voor Weijermans begon het Synclavierverhaal in 1991. Hij was toen student muziektechnologie in Hilversum en liep stage in Londen, bij Yamaha. Daar programmeerde hij Apple-computers, zodat er Yamaha-software op kon draaien.
Tijdens die stage hoorde hij dat ze in India een Synclavier-expert zochten.
Weijermans kende het mythische instrument alleen van artikelen in Keyboard Magazine, een vakblad voor toetsenisten. Een blad dat hij als pianist met een liefde voor technologie van voren naar achteren las.
‘Ik wist dat ik zo’n ding nooit zou kunnen betalen. Maar ik wist ook dat het heel erg gaaf was. En ik wist veel van computers’, zegt Weijermans. In de Synclavier kwamen zijn twee passies samen: een computer en de piano. ‘Ik dacht: hoe moeilijk kan het zijn? Ik ga gewoon solliciteren.’
Samen met een medestudent reisde hij naar Londen, waar ze zich meldden in een villa in een buitenwijk. Daar werden ze ontvangen door een Indiër die Sai Prasad heette. Hij was de zoon van Akkineni Rames Prasad, de CEO van Prasad Studios, een groot Bollywoodcomplex in Madras, het filmcentrum van Zuid-India.
Er volgde een sollicitatiegesprek en een week later een telefoontje. Hij was geselecteerd. Dat betekende niet dat hij meteen mocht beginnen. Eerst moest hij nog een IQ-test doen, in een ijskoude loods ergens in Noord-Engeland. Hij slaagde voor de test en vertrok naar India om aan de slag te gaan met het mythische instrument.
De Synclavier was eind jaren zeventig aan de Thayer School of Engineering van de Amerikaanse universiteit Dartmouth College ontwikkeld door een componist, een ingenieur en een student met een uitzonderlijk talent voor computers: Cameron Jones.
Toen een docent vroeg welke student ervaring had met programmeren, had Jones als enige zijn hand opgestoken. Hij kreeg de opdracht een computer geluid te laten produceren, zodat studenten met de computer toonafstanden konden oefenen.
‘Ik vond programmeren heel makkelijk. Het ging allemaal vanzelf’, zegt Jones aan de telefoon vanuit Canada, waar hij woont. ‘In die tijd waren computers monsters die een hele kamer in beslag namen.’
Toen er kleinere chips beschikbaar kwamen, kon er een draagbaar muziekapparaat worden gemaakt. Het was 1976, de tijd dat Steve Jobs en Steve Wozniak hun eerste personal computer bouwden en Apple oprichtten. Bill Gates begon een bedrijfje dat hij Microsoft noemde. Jones en zijn twee compagnons richtten New England Digital (NED) op. Ook zij werkten aan een revolutionaire computer: de Able Pericom. Het ding was zo stabiel dat het werd gebruikt in wetenschappelijke laboratoria. De Nasa stuurde een aangepaste versie mee met de Galileo-missie.
Maar Jones en zijn medewerkers gebruikten hun computer niet om er spreadsheetprogramma’s op te draaien, maar om er muziek mee te maken, om klanken te genereren die niemand ooit had gehoord.
Ze noemden het de Synclavier. Jones ontpopte zich als de architect. Hij schreef de software en bepaalde welke hardware er nodig was. Toen het apparaat af was, waren er meteen investeerders die er geld in wilden stoppen. Met name in de wereld van commercials was er altijd behoefte aan nieuwe geluiden die de aandacht trokken. Van het investeringsgeld konden managers en marketingmensen worden aangenomen om met de Synclavier de markt op te gaan. Een mooi moment om ermee te stoppen, vond Jones.
Want hoe goed hij ook kon programmeren, het was voor hem allemaal niet meer dan een bijbaan. Hij was jong, en wilde op een podium staan. Hij speelde gitaar. Zijn grote held was John Denver.
‘Er was een gat in mijn leven dat ik niet kon vullen met programmeren’, zegt Jones, ‘en met het geld van de investeerders kon NED nieuwe mensen aannemen, en ik me op mijn passie storten.’
Hij vertrok naar de Universiteit van Indiana Bloomington om basviool te studeren en bemachtigde een felbegeerde plek in een symfonieorkest. Alleen in vakanties was hij soms nog bij NED te vinden.
Een van de nieuwe marketingmensen die aangenomen was, was Denny Jaeger. Hij maakte ook muziek voor commercials van de Merrill Lynch-bank en van Pepsi.
‘Jullie hebben goud in handen’, zei Jaeger. ‘Dit apparaat gaat de popmuziek veranderen.’ Als muziekproducer voor commercials had hij een neusje voor geluiden die de aandacht trokken.
Jaeger ontwierp in de Synclavier een reeks geluiden die als preset in het instrument terechtkwamen. Deze geluiden verschenen ook op een blauwe langspeelplaat, gemaakt voor promotiedoeleinden, vol bizarre geluiden ontworpen door Denny Jaeger, bedoeld voor zijn collega’s.
Hij wist NED ervan te overtuigen om een versie van de Synclavier te maken met meer geheugen, voor producers als hijzelf. De technici in de werkplaats sputterden tegen. Geheugenchips kostten in die tijd 10.000 dollar per megabyte.
‘Maar Brad Naples, de nieuwe CEO, had het lef om te zeggen: laten we gewoon een ding van 100.000 dollar bouwen’, zegt Jones, ‘en kijken wat er gebeurt.’ Dat bleek een gouden zet. Toen Stevie Wonder ervan hoorde, wilde hij er twee. En toen Quincy Jones dat weer hoorde, zei hij: ‘Maak er eerst een voor mij.’
‘Er was meteen competitie tussen Stevie Wonder en Quincy Jones’, zegt Jones. Maar dat hoorde hij pas later. Hij studeerde dag en nacht op zijn basviool.
Hij kreeg een wake-upcall in 1982, toen Michael Jacksons Beat It uit de wekkerradio tetterde.
Dooing dooing… Doing doing… Dooin Dooing… Bong.
Het intro was niet alleen het onmiskenbare geluid van een Synclavier, het kwam ook nog eens van de blauwe plaat van Danny Jaeger. ‘Quincy Jones heeft het geluid gewoon van die blauwe demonstratieplaat gehaald. Als je goed luistert, hoor je de naald op het vinyl’, zegt Jones.
Het leidde tot een rechtszaak, die werd verloren. Voor een vervolgprocedure waren Jaegers zakken niet diep genoeg. ‘Misschien is hij daar bitter over’, zegt Jones. ‘Tijdens de kredietcrisis van 2008 is hij zijn huis kwijtgeraakt. Sindsdien lijkt hij van de aardbodem verdwenen.’
Het album Thriller was een kantelpunt in de popmuziek. De meestverkochte plaat ooit, met een perfect geluid. Muzikanten en producers stonden nu in de rij om een Synclavier aan te schaffen, ook aan de andere kant van de oceaan. NED opende een kantoor in Londen, met technici die over de vloer kwamen bij Sting, Trevor Horn en Benny Andersson van Abba.
Ze strooiden met dollars, maar hadden ook nieuwe wensen. Cameron Jones was het brein achter het apparaat, de architect van de software en de hardware. Hij was hard nodig om de Synclavier te updaten. Hij kreeg een aanbod dat hij niet kon weigeren, om weer voltijds bij NED aan de slag te gaan en de synclavier aan te passen aan de wensen van topproducers als Steve Lipson. Samen met Trevor Horn (‘The man who invented the eighties’) bepaalde hij het geluid van Frankie Goes to Hollywood, Pet Shop Boys en Grace Jones.
‘Ik haatte het apparaat’, zegt Lipson onderkoeld in een zoomgesprek, ‘het was ingewikkeld en ging vaak kapot. Trevor had zo’n ding gekocht. Dat stond in de studio. Niemand had interesse. Maar het had heel veel geld gekost, dus we móésten het wel gebruiken. De eerste keer was voor Two Tribes van Frankie Goes to Hollywood.’
Uniek aan de Synclavier waren niet alleen de bijzondere geluiden. Er zat zo veel geheugen in dat je er hele nummers in kon opnemen. The tapeless studio werd het apparaat genoemd. In een tijd waarin alles werd vastgelegd op bandrecorders was dat revolutionair.
Het album Slave to the Rhythm (1985) van Grace Jones werd bijvoorbeeld volledig opgenomen in een Synclavier.
‘Ik liet aan Trevor Horn horen hoe ik met een Synclavier geluiden van links naar rechts kon laten springen op een stereo systeem. Ik wist niet dat de band al liep en Trevor heeft dat – in zijn oneindige wijsheid – op de plaat gezet.’
Hij refereert aan een ‘belachelijk stukje muziek’ op het album: Don’t Cry (It’s Only the Rhythm).
‘De laatste keer dat we hem gebruikten was op Left to My Own Devices van de Pet Shop Boys, in november 1988. Toen kwamen er goedkopere samplers en synthesizers op de markt met vergelijkbare geluiden, sampletijden en resoluties, die ook nog eens eenvoudiger te bedienen waren.’
Computergeheugen was veel goedkoper geworden. Voor 5.000 euro kon je 85 procent doen van de dingen die je met een Synclavier van 500.000 euro kon doen.
Synclaviers bleven gewild in filmstudio’s, waar die laatste 15 procent werd gekoesterd. Het was eenvoudig om geluiden precies op de beelden af te stemmen. Bovendien bleef een sample van de brul van een leeuw fantastisch klinken als je die met de Synclavier een paar octaven verlaagde – denk aan het geluid van een tyrannosaurus rex in Jurassic Parc. Doe je dit met een goedkopere sample, dan ga je horen dat het geluid uitgerekt is en onnatuurlijk klinkt.
Ook Sting en Benny Andersson waren eraan gewend geraakt om hun liedjes te componeren op een Synclavier, een ongeëvenaard stuk gereedschap om demo’s op te nemen en meteen te arrangeren. Ze keken niet op een paar dollar en hadden goede contacten met het NED-kantoor in Londen.
En daar, in een Londense industriewijk, liep Danny Weijermans in 1991 samen met een technicus stap voor stap de werking van het apparaat door, om zich voor te bereiden op zijn Indiase avontuur. Hij maakte maniakaal aantekeningen. Alles nam hij in zich op. Met het notitieboekje op schoot vloog hij naar India.
In India kreeg hij een auto met chauffeur, en een schoonmaakster. Elke dag werd hij naar een enorm studiocomplex in Madras gereden, vol decors, acteurs en de muzikanten die non-stop Bollywoodfilms en de bijbehorende muziek opnamen.
Zijn werkplek bleek een kleine geluidsstudio zonder ramen.
Weijermans: ‘Er waren drie mensen. Een kerel die muziek kon componeren, een zanger en een technicus. ‘Fijn dat je er bent’, zeiden ze. 'Eindelijk iemand die de Synclavier komt repareren.’'
Repareren?
‘Tot dat moment was ik ervan uitgegaan dat ik hem gewoon met een knopje kon aanzetten’, zegt Weijermans.
De aan-uitknop was er wel, maar de lampjes bleven uit. En ook werd deze Synclavier niet opgestart met een Apple-computer, maar met een veel ouder apparaat: een terminal die was verbonden met een monsterlijke computer uit het jaar nul, de oorspronkelijke Able Pericom, de minicomputer waarmee New England Digital in de jaren zeventig indruk had gemaakt bij de Nasa.
‘Toen werd ik wel een beetje grauw’, zegt Weijermans. ‘Dit was een ouder systeem dan het systeem waarmee ik in Londen had geoefend.’
Weijermans biechtte voorzichtig aan Sai Prasad op dat hij misschien een iets minder grote Synclavier-expert was dan ze wellicht dachten. Er bestond een kleine kans dat hij dit fossiel niet een-twee-drie aan de praat zou krijgen.
Prasad keek hem strak aan.
‘Maar dat ga jij aan niemand vertellen’, zei hij, ‘want ik heb jou met veel bombarie aangekondigd als dé Synclavier-expert.’
‘Ik had gelogen over mijn expertise, maar hij had gelogen over de staat van de Synclavier’, zegt Weijermans nu.
Ze spraken af dat dit tussen hen zou blijven. Voor de buitenwereld was er niks veranderd: Prasad had een Synclavier-expert aangenomen, die heette Danny Weijermans en die ging het apparaat repareren. Niks aan de hand.
Maar het was hem geraden om het apparaat zo snel mogelijk aan de praat te krijgen.
Weijermans’ enige houvast was nu een handleiding from hell, die in een kast naast de Synclavier stond. Een rij van zo’n tien vuistdikke boeken.
‘Die hele rij heb ik in een week doorgenomen. Daarbij was het wel handig dat ik het Engels goed beheerste. Dat had Sai waarschijnlijk ook zo bedacht.’
Weijermans kwam erachter dat het besturingssysteem van de Able Pericom per ongeluk was overschreven. ‘De opstartschijf deed het niet. Ik moest de hele boel reconstrueren. Alsof ik een Nasa-raket opnieuw moest programmeren.’
Een handicap was dat Weijermans overdag niet bij de Synclavier kon. Dan was de studio in gebruik. Overdag bestudeerde hij de handleiding, ’s nachts sleutelde hij aan de Synclavier. Elke nacht kwam hij een stapje verder. Om de volgende dag te ontdekken dat er overdag weer iemand had geprobeerd of het apparaat al werkte, en instellingen weer waren veranderd.
Na dagen van trial-and-error lukte het om de opstartschijf te herprogrammeren. Het apparaat kwam tot leven.
Toen de rode lampjes aansprongen was dat een euforisch moment. Weijermans zorgde voor een update en bediende daarna de Synclavier bij het maken van geluiden voor commercials en de soundtrack van de Indiase kinderfilm Ele, My Friend.
Prasad was tevreden en wilde dat Weijermans bleef. Hij bood hem een mooi contract en een riant salaris.
‘Maar ik was totaal opgebrand’, zegt Weijermans. Hij wilde terug naar huis. Naar zijn vrienden in Nederland, met wie hij voor zijn stage al een bedrijfje was begonnen: Soundpalette, voor sounddesign en geluidsnabewerking. Maar de heimwee naar de Synclavier bleef.
‘Ik wist nu hoe vet zo’n Synclavier was. En dat het voor mij het perfecte instrument was. Ik was een pianist én techlover.
Hij kon er niet over praten met zijn collega’s van Soundpalette. ‘Ze begrepen me niet. Niemand snapte mij. Ik kreeg het gewoon niet uitgelegd.’
Begin jaren negentig was het bezit van een Synclavier onmogelijke droom. Het ding was even duur als een vrijstaand huis. Het was alsof je tegen je vrienden zei: ik wil een Ferrari.
Bovendien verschenen er alternatieven op de markt. Sampelen en opnemen op een harde schijf kon veel goedkoper. De economische crisis gaf tenslotte het laatste zetje. NED ging in 1993 failliet. De intellectuele eigendomsrechten van de Synclavier kwamen in handen van een Canadese bank. Het gevolg van het faillissement was dat er steeds vaker Synclaviers op de tweedehandsmarkt verschenen, voor prijzen die veel lager waren dan voorheen.
Steve Lipson was blij dat hij van het apparaat af was, maar er waren ook liefhebbers die hun Synclavier wilden houden. Mensen die net als Weijermans verknocht waren geraakt aan de 15 procent die de Synclavier boven andere systemen uitstak. Het toetsenbord met gewogen toetsen, de rijkdom van de geluiden en het gemak om complete arrangementen te maken. Ze waren bereid veel geld te betalen om het instrument aan de praat te houden. Onder hen bevonden zich sound designers uit de filmindustrie en opnieuw Sting en Benny Andersson.
De Synclavier was niet alleen een topinstrument, het was ook een toegangspoort tot een schat aan muziek en klanken. Hij slaat muziek in eigen formaat op. Muziekmiljonairs bewaarden hun demo’s en arrangementen op de speciaal voor de Synclavier ontwikkelde schijven, die 5.000 dollar per stuk kosten, goed voor vijfenhalf uur aan geluid. In de jaren tachtig was dat een astronomische hoeveelheid. Het systeem om de schijven te kunnen gebruiken – een soort enorme cd-speler – kostte zo’n 50.000 dollar.
Er liggen nog veel schatten te wachten. Zoals bijvoorbeeld in de nalatenschap van Frank Zappa, die het grootste en meest geavanceerde Synclavier-systeem ter wereld bezat. Hij genoot ervan het apparaat dingen te laten doen die je aan een muzikant niet kon vragen. Jazz from Hell (1986) is vrijwel geheel geprogrammeerd op een Synclavier. De laatste jaren van zijn leven ging Zappa er helemaal in op. Weijermans heeft dan ook contact met zoon Dweezil Zappa, die zijn nalatenschap beheert.
Het probleem na het faillisement in 1993 was dat er nog maar weinig mensen overbleven die een Synclavier konden repareren als er iets haperde. Een van hen was Steve Hills, de Synclavier-technicus van zowel Benny Andersson als Sting. Hij wist Cameron Jones ervan te overtuigen dat er nog steeds een high-end markt voor de Synclavier bestond.
Jones kocht de rechten van de software en de naam Synclavier terug van de bank. Een andere voormalige medewerker van NED kocht de hardware-patenten. Het tweetal zorgde ervoor dat de oude Synclaviers gerepareerd en geüpdated konden worden, zodat ze probleemloos aan moderne studioapparatuur gekoppeld konden worden. Het was een stille renaissance van het instrument.
Begin 2005 zakte de prijs van tweedehands Synclaviers naar zo’n 10.000 dollar.
‘Ik had wat geld verdiend’, aldus Weijermans, ‘en ik begon rond te neuzen op eBay. Een Synclavier kostte nog steeds veel geld. En ik kon niet even naar Amerika vliegen om te kijken of hij het deed. Ik wist er te weinig van.’
Hij won advies in op de website 500sound.com, die werd beheerd door Steve Hills. Met zijn hulp kocht Weijermans in 2007 zijn eerste Synclavier en trad hij toe tot een illuster gezelschap van Synclavier-aficionado’s: liefhebbers van geluid, en vergrijsde poplegenden die hun oude Synclaviers koste wat kost werkend probeerden te houden.
Een andere steunpilaar voor deze groep is Mitch Marcoulier: de ‘Synclavier-tech’ van Michael Jackson. ‘Hij is de enige die de Synclavier-hardware echt helemaal vanbinnen en vanbuiten begrijpt’, zegt Weijermans. ‘Als Mitch wegvalt, hebben we een enorm probleem.’
Er ging dan ook een siddering door de Synclavier-gemeenschap toen Marcoulier een paar jaar geleden ernstig ziek werd. Hij moest worden geopereerd, maar had niet genoeg geld. Zijn vrouw zette een crowdfundingsactie onder Synclavier-bezitters op. In no time stond het geld op zijn rekening.
Als Weijermans een geheugenschijf van de Synclavier op eBay tegenkomt, koopt hij die onmiddellijk. Soms krijgt hij ze ook toegestuurd van oud-gebruikers, om de geluiden om te zetten naar een leesbaarder formaat.
Weijermans heeft zich ontpopt als een muziekarcheoloog. Opgewekt laat hij geluiden horen uit oude Star Trek-films, afkomstig van een schijf van acteur en muzikant Craig Huxley, die zelf een monsterlijk instrument bouwde. Hij noemde het de Blaster Beam, een 6 meter lange metalen balk, met daarop vier dikke metalen snaren. Het produceert lage trillende geluiden die het goed doen bij een filmteaser.
Ook heeft Weijermans materiaal van Michael Jackson en Sting ontdekt. Vanwege zorgen om copyright durft hij die niet buiten zijn studio te laten horen.
‘Ik word ook weleens benaderd voor samples uit die tijd’, zegt Steve Lipson, ‘om te verkopen aan producers, maar eerlijk gezegd ben ik vergeten welke geluiden ik in de Synclavier heb bewaard. Als ik nu samples ga verkopen, voelt dat toch een beetje als bedrog.’ Waar de WORM(Write One, Read Many)-discs van Trevor Horn gebleven zijn, weet hij niet.
‘Maar mochten jullie op zo’n schijf stuiten, dan ben ik zeer geïnteresseerd.’
In 2020 verscheen er een foto op Facebook met daarop een kartonnen doos met meer dan twintig WORM-schijven. Het was een foto op de pagina van een opslag in San Francisco.
‘De man op de foto is gegarandeerd Denny Jaeger’, zegt Jones als ik hem de link stuur. Het lukt hem niet om contact te krijgen. Hij geeft me wel een oud telefoonnummer.
Als ik het nummer bel, klinkt er wat gegrom aan de andere kant. Als ik vertel op zoek te zijn naar Denny Jaeger, wordt het contact onmiddellijk verbroken.
In vijftig jaar heeft de mediterende musicus Stephan Micus 28 albums gemaakt. Helemaal alleen, met instrumenten uit de verste uithoeken van de wereld. Een gesprek met de maker van een uniek muziekoeuvre.
Voor welk orgel moet je echt omrijden als je op vakantie bent, en waar moet je zelfs speciaal naartoe? Van een weelderig barokorgel in Lissabon tot twee historische sensaties in Bologna: de Volkskrant koos de 15 orgels in Europa die u gehoord moet hebben.
Het is niet meer tegen te houden: op alle streamingplatforms is AI-muziek te horen. De eerste AI-hits staan in de hitlijsten en sommige synthetische artiesten zijn al sterren. Streamingdienst Deezer: ‘Mensen waarderen AI-muziek. Wie zijn wij dan om het tegen te houden?’
Source: Volkskrant