Home

Op zoek naar geluk
in de chaos van Jakarta

De Indonesische hoofdstad Jakarta is uitgegroeid tot de grootste stad ter wereld.

De stad trekt studenten, dagloners, kantoorklerken, ondernemers, kunstenaars en gelukzoekers uit alle delen van de Indonesische archipel.

Waar komen die nieuwkomers terecht, en hoe ziet het leven van de 42 miljoen Jakartanen eruit?

Correspondent Noël van Bemmel doorkruist de stad op zoek naar antwoorden. ‘Het is een bitterzoete ervaring.’

de grootste stad ter wereld

Door Noël van Bemmel

Fotografie en video Hendra Eka

Iedere zondagochtend komen veel inwoners van de Indonesische hoofdstad Jakarta op adem in het centrum van hun megastad. Dan nemen wandelaars, joggers en fietsers voor een paar uur de vierbaanswegen over die anders vol staan met ronkende auto’s. Dames in legging en hoofddoek, hele families met oma en kinderwagen en zwetende mannen op racefietsen passeren wolkenkrabbers en winkelcentra die blinken in de ochtendzon. Op de stoep promoten modellen een sportdrankje, waken agenten over de menigte en danst een groep vrouwen in traditionele kledij.

‘Het was mijn droom hier te werken’, zegt de 24-jarige Hamda Aria. De jonge ingenieur uit Soerabaja blaast even uit bij de grote rotonde met fontein die vaak dient als symbool voor Jakarta. ‘Dit is de grootste stad van het land, het centrum van alles!’ Enig nadeel: ‘Sangat ramai!’ (Superdruk). Verderop maakt de 26-jarige Tria Nur een selfie. ‘Ik vond hier een betere baan dan in Bandung, uitdagender en beter betaald.’ Stress is volgens haar de prijs die ze daarvoor moet betalen. ‘Gelukkig kan ik op zondagochtend hiernaartoe om bij te komen.’

De Grote Doerian – zoals Indonesiërs hun hoofdstad soms noemen, naar een stekelige, stinkende en o zo lekkere fruitsoort – mag zich sinds kort de grootste stad ter wereld noemen. Tot verrassing van de inwoners publiceerden de Verenigde Naties afgelopen november een nieuwe definitie van stadsgrenzen, waardoor Jakarta een sprong maakte van 11- naar 42 miljoen inwoners. Een kwestie van wel of niet de voorsteden meerekenen.

Als een reuzenmagneet trekt Groot-Jakarta studenten, dagloners, kantoorklerken, ondernemers, kunstenaars en gelukzoekers uit alle delen van de Indonesische archipel. Wie geen geld heeft voor een woning in de stad, huurt een kamer in omliggende plaatsen als Bogor, Depok, Tangerang, Bekasi, Cianjur.

Velen hebben al twee uur in de trein gedommeld, voordat zij aan de slag gaan op kantoor of in een winkel. Ieder jaar, na de ramadan, arriveren weer tienduizenden nieuwe migranten, vaak gelokt door sterke verhalen van broers en zussen die thuiskwamen voor het Suikerfeest.

Waar komen die nieuwkomers terecht? Dat is lastig te zeggen in een gebied van 40 bij 60 kilometer waar de verschillen extreem zijn. Van het toeristische Kota Tua (oude stad) nabij de zee, waar de VOC vierhonderd jaar geleden een fort neerzette, tot de brede lanen en koloniale paleizen rondom het Monumen Nasional, een 132 meter hoge obelisk met daarop een gouden vlam die vrijheid symboliseert; rij verder zuidwaarts en je passeert zakenwijken met duizelingwekkende wolkenkrabbers, tolwegen op betonnen palen, kolossale winkelcentra en monotone buitenwijken met rijtjeshuizen van 60 vierkante meter.

Daartussen leven de havenots – in zelfgebouwde woningen langs de rivier, het spoor en andere rafelranden. Zij verrichten vaak informeel werk zoals schoonmaken, bezorgen, losse klusjes of straatvoedsel verkopen.

‘Ik ben hier geboren’, zegt de 32-jarige huisvrouw Yuni, die voor haar eenvoudige woning zit in de sloppenwijk Kampung Pulo. Ze is een echte Betawi, de oorspronkelijke bewoners van de stad die bekendstaan om hun uitgesproken meningen en een recht-voor-zijn-raapmentaliteit.

Met moeder, zuster, man en twee kinderen bewoont Yuni twee kamers in een steegje met diepe plassen. ‘Het is pahit-pahit-manis, een bitterzoete ervaring.’ Zij wijst naar een plek op de muur op heuphoogte: ‘Als de buurt overstroomt, komt het water tot daar.’ Toch denkt Yuni niet aan verhuizen. ‘Hier kennen we elkaar. We helpen elkaar.’

Aan de rand van de kampong springen kinderen in de bruine Ciliwung-rivier. Sommigen kunnen niet zwemmen en klampen zich vast aan passerend drijfvuil. De 9-jarige Azalea: ‘Ik vind het wel leuk om hier te wonen. Er zijn zoveel vriendjes om mee te spelen; alleen jammer dat het vuilnis zo stinkt.’

Volgens de officiële statistieken wonen 465 duizend mensen in armoede in Jakarta (zonder voorsteden). Zij verdienen minder dan 43 euro per maand. Die grens is veel te laag getrokken, stelt activist Gugun Muhammad van hulporganisatie Urban Poor Consortium. ‘Het minimumloon in Jakarta is 286 euro per maand en zelfs dan is het moeilijk rondkomen.’ Hij loopt voorop door Kampung Muka, een sloppenwijk niet ver van de Oude Stad waar toeristen graag koffiedrinken in Café Batavia. ‘Hier overleven vijfduizend families van dag tot dag.’ Muhammad probeert hun rechten te verbeteren. ‘De overheid ziet slechts één oplossing: afbreken en bewoners verplaatsen naar gesubsidieerde flats. Maar de meesten willen niet verhuizen.’

Dieper in de wijk worden de stegen smaller, wordt het zonlicht schaarser en moeten bezoekers bukken voor wasgoed, vogelkooien en laaghangende elektriciteitskabels. Daar zit de 62-jarige Sumarmi voor haar eethuisje, tevens woonkamer. ‘Ik ben geboren in Midden-Java, maar ik woon hier al veertig jaar.’ Haar man bouwde het huis waarin ze woont met hem, drie kinderen en vier kleinkinderen. ‘Ik ben senang (tevreden, red.). We komen altijd net rond.’ Verderop zit de 47-jarige Sultan voor zijn winkel, tevens woonkamer. Hij arriveerde in 1997 vanuit Madura. ‘Ik houd van de drukte, de constante communicatie met buren en klanten!’ Wat ook helpt, erkent hij, is dat huur en belastingen niet bestaan in de kampong. ‘Dat geeft veel bewoners een veilig gevoel.’

Jakarta groeit door twee soorten migranten, stelt hulpverlener Muhammad. ‘Permanente migranten worden vaak door familie of oud-dorpsgenoten op weg geholpen.’ Als eenmaal een baan is gevonden, laten zij hun gezin overkomen en schrijven zich in bij de gemeente. ‘Zo krijgen ze recht op scholing en basale zorg binnen Jakarta.’ Dat geldt niet voor tijdelijke migranten.

Gugun Muhammad.

‘Die verrichten allerlei klusjes in de stad en slapen vaak op een bouwplaats of in hun vrachtwagen. Als het tijd is voor de oogst, keren ze terug naar hun geboortedorp.’ Muhammad maakt zich vooral zorgen om deze groep. ‘Als ze ziek worden, hebben ze pech. Laatst vonden we een chauffeur dood in zijn eigen becak (driewieler, red.). Niemand wilde hem begraven.’ Urban Poor Consortium biedt arme migranten een overlijdensverzekering voor 10 cent per maand. ‘Dan sturen we het lichaam terug naar de familie.’

Hoe anders is het leven in de lommerrijke wijk Menteng, 6 kilometer zuidwaarts. Hier woonde honderd jaar geleden de koloniale elite in elegante villa’s met brede veranda’s, glas-in-loodramen en glanzende parketvloeren. Nu is de buurt gewild onder oligarchen die de Indonesische economie en politiek domineren. ‘Ja, ik ben een anak Menteng (kind uit Menteng, red.)’, grapt de 65-jarige Kamala Chandrakirana Soedjatmoko. Daarmee bedoelen Indonesiërs de verwende kinderen van miljardairs die per privévliegtuig gaan winkelen in Parijs. Soedjatmoko is echter een vrouwenrechtenactivist die opgroeide in een koloniale villa uit 1918. ‘De naam van de eerste eigenaar, de Nederlandse familie Bas, staat nog op onze elektriciteitsrekening!’

Haar vader, een bekende VN-diplomaat tijdens de onafhankelijkheidsoorlog met Nederland (1945-1949), kocht het huis in de jaren zeventig. Soedjatmoko: ‘Dit huis is gemeentelijk erfgoed. Ik zou het graag willen beschermen, maar de onderhoudskosten zijn hoog.’ Een nieuwe koper, zo vreest zij, breekt de woning meteen af. ‘Wie 5 miljoen euro betaalt voor dit stukje land, wil niet in een oud huis van één verdieping wonen.’ Als triest voorbeeld noemt zij een nieuwbouwproject op de hoek; tot voor kort een fraaie koloniale villa met bloemrijke tuin, nu een protserig herenhuis dat ook in Dubai had kunnen staan. ‘Dat gebeurde tegen alle regels en beloften in. Maar wie rijk is in Jakarta, kan doen wat hij wil.’

Alle Jakartanen, arm of rijk, hebben last van de drie grote kwalen van de stad: files, luchtvervuiling en overstromingen. Een taxiritje kost zo drie uur, het percentage fijnstof is vaak het hoogste ter wereld en na hevige regen staat het water in sommige wijken tot de heupen. De grootste stad ter wereld bezwijkt onder haar eigen gewicht. Jaarlijks zakt de bodem 10 tot 20 centimeter door het grootschalig oppompen van grondwater en door het gewicht van de gebouwen. Tegelijkertijd stijgt de zeespiegel. Over de oplossingen wordt al decennia gepraat: de bouw van een reusachtige zeedijk, het zuiveren en gebruiken van rivierwater, de bouw van een metrostelsel en het vervangen van vervuilende kolencentrales door schonere energievormen. Ook de bouw van een nieuwe politieke hoofdstad op het eiland Kalimantan, 1.200 kilometer verderop, is een poging Jakarta te ontlasten.

‘Dat gaat de problemen niet oplossen’, bromt oud-gouverneur Fauzi Bowo in zijn huis in Menteng. Hij serveert bubur ajam voor ontbijt, rijstpap met saté van kippendarmen. ‘We kunnen die miljarden beter in uitbreiding van het openbaar vervoer steken.’ Toch gaat het volgens de gepensioneerde bestuurder best de goede kant op. ‘Neem de nieuwe MRT-metro. Die is beter en schoner dan die in Amsterdam.’ De kern van het probleem, stelt Fauzi, is de explosieve groei van het aantal bewoners. Ter illustratie schenkt hij water bij zijn koffie tot de boel royaal overstroomt. ‘Hoe houd je dat tegen?’

In zijn tijd als vicegouverneur en gouverneur (2002-2012) wees de in Duitsland opgeleide ingenieur graag naar de Randstad in Nederland. ‘Woon- en werksteden, gescheiden door groen, met snelle openbare verbindingen.’ Consultants stelden zulke plannen ook voor. ‘Niemand begreep dat! De meeste politici denken op korte termijn en stellen dat er geen geld is voor grote waterwerken en nieuwe spoorlijnen. Maar nu loopt de economie van Jakarta jaarlijks miljarden euro’s schade op door files en overstromingen.’ Toch wil Fauzi niet somberen. ‘Jakarta is niet out of control, zoals bijvoorbeeld Bangladesh, er wordt geïnvesteerd in de infrastructuur, het gaat alleen langzaam.’

Voorlopig bijten de bewoners op hun tanden en banen zij zich moeizaam een weg door hun stad. Op het centraal gelegen station Manggarai wringen zij zich in een forenzentrein met hun rugzak op de buik; in de trendy Blok M-buurt staan jongeren in de rij voor nieuwe eettentjes die viraal gingen op sociale media. Voor het stoplicht proberen ze de bedelaars te negeren, die soms gekleed gaan als Superman, soms als manusia silver (zilverman, red.).

‘Ik verdien ongeveer 2,50 euro per dag’, zegt de 23-jarige Riky, die zijn lichaam van top tot teen heeft ingesmeerd met zilverkleurige textielverf. ‘Het irriteert mijn ogen en mijn huid, maar ik maak me geen zorgen om mijn gezondheid. Ik maak me zorgen of ik wel te eten heb.’

Door de hele stad klinkt vijf keer per dag de azan, de oproep tot gebed. Jakarta is ook de grootste islamitische stad ter wereld. Op vrijdagmiddag stromen ruim duizend mannen en zo’n honderd vrouwen de Istiqlal-moskee binnen, de grootste moskee van Zuidoost-Azië. Tijdens de ramadan stijgt het dagelijkse aantal gelovigen tot meer dan honderdduizend.

‘Iedereen is welkom’, verzekert moskeebestuurder Abu Hurairah op zijn kantoor. Toen hij twintig jaar geleden arriveerde uit Makassar, was de hoofdstad volgens hem een stuk intoleranter. ‘Ik schat dat 80 procent van de Jakartanen een gematigde versie van de islam volgt.’

Veel moskeegangers, concludeert Hurairah spijtig, zijn hypocriet. ‘Ze komen hier vroom bidden, maar eenmaal buiten gooien ze hun afval op straat of verdienen hun geld met corruptie.’ Zouden zij werkelijk de profeet volgen, mijmert de moskeeleider, dan zou Jakarta meer op Tokio lijken. ‘Schoon, gedisciplineerd, hoogontwikkeld en integer.’

Na afloop van het vrijdaggebed loopt de vlot geklede Hamka Sutra door de marmeren gangen van de moskee. ‘Ik bid hier dagelijks om even bij te komen’, zegt de 29-jarige influencer. Hij arriveerde vier jaar geleden uit Sumatra op zoek naar kansen en meer vrijheid. Wijzend op zijn lange haar: ‘Dat mag thuis niet.’

Als de avond valt, verandert de Grote Doerian in een twinkelend sprookjesbos. Vanaf de 109de verdieping van de Autograph Tower, het hoogste gebouw van het zuidelijk halfrond, verdwijnt alle chaos en zwerfvuil uit zicht. Wolkenkrabbers worden verlichte kerstbomen, huizenhoge reclameborden flikkeren in de verte en zelfs de gehate files transformeren zich tot feestelijke slingers van rode lichtjes.

Over de makers

Noël van Bemmel is correspondent Zuidoost-Azië voor de Volkskrant. Hij woont in Denpasar.

Hendra Eka is fotojournalist en woont in Jakarta. Hij bestrijkt voor de Volkskrant heel Zuid-Oost Azië.

Dit wordt de nieuwe hoofdstad van Indonesië: 1.200 kilometer van Jakarta

Duizenden bouwvakkers werken in de bossen van Kalimantan aan de nieuwe hoofdstad van Indonesië. Over een jaar moet het presidentieel paleis worden betrokken. Bewoners en natuurbeschermers houden hun hart vast voor de sociale en ecologische gevolgen van het megaproject.

Een Afsluitdijk om Java te beschermen

Het Indonesische eiland Java kampt al jaren met ernstige overstromingen. De president wil dat er eindelijk haast wordt gemaakt met de bouw van een reusachtige dijk in zee.

Met shocktherapie wil Bali de ziel van het eiland redden: toeristische hotspots gaan tegen de vlakte

Veel Balinezen hebben genoeg van de wildgroei aan vakantiebungalows, luxe restaurants en strandresorts die volgens hen de cultuur en natuur op hun eiland bedreigen. De gouverneur laat enkele bekende projecten weer afbreken. ‘We kiezen voor schoktherapie.’

Wat vinden 80-jarige Indonesiërs van de veranderingen die hun land heeft doorgemaakt?

Indonesië viert dit weekend 80 jaar onafhankelijkheid van Nederland. De Volkskrant interviewde gewone Indonesiërs van dezelfde leeftijd over de veranderingen in hun land.

Source: Volkskrant

Previous

Next