Benito Mussolini haatte dit boek van de Italiaans-Cubaanse auteur Alba de Céspedes, over een groep studerende vriendinnen in de jaren dertig. Elma Drayer vindt het geweldig. Nu is het opnieuw – en beter – in het Nederlands vertaald.
is recensent voor de Volkskrant.
Wat een feest, alweer een roman van de Italiaans-Cubaanse auteur Alba de Céspedes (1911-1997). Na de succesvolle heruitgave van twee jongere boeken ligt daar nu haar debuut Nessuno torna indietro uit 1938: Niemand kan terug, over acht vrouwelijke studenten in Rome.
Overigens verscheen dit al eind 1940 in Nederlandse vertaling, maar toen onder de suffe titel Jeugd in boeien. Het kreeg hier, zacht gezegd, een gemengde ontvangst. Het Algemeen Handelsblad hekelde de ‘velerlei vreemde karakterontwikkelingen’ en de ‘kortzichtige wereldwijsheid’ die eruit sprak. Het Vaderland vermoedde dat het lezerspubliek zich er niet in zou herkennen aangezien de sekseverhoudingen hier te lande ‘zoo geheel anders’, ‘zoo weinig problematisch’ waren.
Alleen Het Volk was ronduit enthousiast en noemde de auteur ‘een psycholoog van formaat’. ‘De schrijfster onthult de diepste roerselen dezer meisjeszielen; zij kent de jeugd, haar verlangens, begeerten, levensdurf en levensangst.’
Zetten de meeste Nederlandse recensenten de roman destijds weg als onschuldig meisjesboek, in Italië was dat allerminst het geval. In 1941 kwam De Céspedes’ debuut vanwege het ‘ongunstige vrouwmodel’ op de lijst verboden boeken terecht, naar verluidt op instigatie van Benito Mussolini zelve.
Een paar jaar later, de oorlog was nog volop gaande, kwam er wél toestemming voor een verfilming, nota bene met medewerking van de auteur. Tandenknarsend (maar toch) vervroomde ze de verhaallijn en de karakters.
Onwillekeurig doet Niemand kan terug denken aan De groep van De Céspedes’ Amerikaanse generatiegenoot Mary McCarthy (uit 1963, dus vijftien hele jaren later). Ook die roman speelt zich af in de jaren dertig, ook die volgt een groep vrouwelijke studenten, ook daarbij noopt de grote hoeveelheid personages geregeld tot terugbladeren.
Nog zo’n overeenkomst: zowel de Amerikaanse als de Italiaanse geportretteerden behoren tot de eerste generatie vrouwen voor wie een opleiding niet langer uitzonderlijk is. Daardoor lijkt er voor hen een ander leven te gloren, anders dan dat van hun moeders en voormoeders.
Maar voorlopig ligt dat nog in het verschiet. Voorlopig wonen de acht vrouwen die De Céspedes portretteert in hartje Rome, op het instituut Grimaldi, een pensionaat gerund door nonnen. Voorlopig zweven ze tussen puberteit en volwassenheid – in het niemandsland waar tegenwoordig (bijna) iederéén een tijdje verblijft.
Een van hen brengt het treffend onder woorden: ‘Het is net alsof we op een brug staan. We zijn al vertrokken van de ene oever, en we hebben de overkant nog niet bereikt. De oever die we achter ons hebben gelaten, daar kijken we niet eens meer naar om. De oever die ons wacht is nog in mist gehuld.’
Een van de andere personages: ‘Onze ouders zouden ons niet naar de stad moeten sturen. Ook al zouden we wel terugkeren, dan zijn we voortaan slechte dochters, slechte echtgenotes. Wie kan ooit vergeten dat ze haar eigen baas is geweest? (...) De vrouwen die daar zijn gebleven, die van de autoriteit van hun vader zijn overgegaan naar die van hun man, kunnen het ons niet vergeven dat wij de sleutel van onze eigen kamer hebben gehad, dat we konden gaan en staan waar we wilden. En de mannen vergeven ons niet dat we hebben gestudeerd, dat we evenveel weten als zij.’
Een van de gelaagdste en dus geslaagdste personages is Emanuela. Zij woont niet zozeer op het Grimaldi om een studie te volgen maar om heimelijk haar ‘onechte’ kind te kunnen bezoeken dat er vlakbij op kostschool zit. Toch kent ze amper moederlijke gevoelens. En als een lieve man haar het hof maakt en met haar wil trouwen, verzwijgt ze dat ze een 5-jarig dochtertje heeft. Het komt haar duur te staan.
Dan is er de knappe Xenia, wier ouders ‘het hele jaar’ aardappels hebben gegeten om haar te kunnen laten studeren. Na een mislukt examen neemt ze uit schaamte de benen. Prompt ontmoet ze een heerschap dat erop staat haar te onderhouden. Vanaf dat moment baadt ze in luxe. En haar vriendinnen? ‘Als ze hen op straat zou tegenkomen, zou ze moeten doen alsof ze ze niet zag.’
Totaal anders weer is de studieuze Silvia. ‘Ze had dofzwarte vlechten rond haar hoofd gewikkeld, een olijfkleurige gezichtshuid, donkere, ietwat schele ogen onder haar zware oogleden, die glansden alsof ze vettig waren.’ Een hoogleraar bij wie ze college loopt herkent haar talent en benoemt haar tot zijn persoonlijke assistent. Eenmaal bij hem thuis ontdekt ze dat hij niet in de gaten heeft wat zij meteen ziet: dat zijn vrouw hem op grote schaal bedriegt. Ze wordt verliefd op hem, maar de hoop dat hij ooit voor háár zal kiezen vervliegt. Via hem krijgt ze een leerstoel in Pisa – en dat is dat.
Niemand kan terug mag als geheel wat minder gaaf zijn dan De Céspedes’ latere romans, haar fantastische observatievermogen maken ook dit debuut alleszins de moeite waard. Nietsontziend, maar zonder enig moreel oordeel. En o ja. Dat uiteindelijk geen van de acht vrouwen een zonnige toekomst tegemoet gaat, stemt weinig vrolijk. Maar je gelooft het meteen.
Elma Drayer spreekt op 17 februari over het werk van Alba de Céspedes in de Balie in Amsterdam.
Alba de Céspedes: Niemand kan terug. Uit het Italiaans vertaald door Manon Smits. Meridiaan; 390 pagina’s; € 27,99.
Geselecteerd door de redactie
Source: Volkskrant