Niet het parlementaire stelsel vormt het probleem, maar die andere pijler van de democratie, de publieke opinie, constateert filosoof en Eerste Kamerlid Daan Roovers. ‘De kwaliteit ervan is aan erosie onderhevig geraakt. We moeten die pijlers opnieuw samen zien te denken.’
schrijft voor de Volkskrant over zingeving.
Toen voormalig Denker des Vaderlands Daan Roovers eind vorig jaar aan de Universiteit van Amsterdam promoveerde, vermeldde ze een niet gering wapenfeit: al zo’n dertig jaar zet ze zich in voor een hogere kwaliteit van ‘het publieke gesprek’. De openbare meningsvorming, waarin traditionele en sociale media een hoofdrol vervullen, ziet ze als een pijler onder de democratie die in belang gelijkwaardig is aan het parlementaire stelsel met zijn politieke instituten en verkiezingsprocedures.
Als twintiger maakte ze zich in de jaren negentig al hard voor het publieke gesprek bij Filosofie Magazine. Dat destijds net opgerichte tijdschrift stelde zich ten doel het publieke debat te verrijken met filosofische wijsheid: ‘Een goudmijn aan ideeën, zo noemden we de filosofie. Die wilden we voor iedereen toegankelijk maken. Op de redactie, in een kraakpand in Utrecht, heerste een jongensachtig enthousiasme: we maken een blaadje en gaan daarmee de wereld veranderen, was het idee.’
Op de gelijktijdige opkomst van internet reageerden Roovers en haar mederedacteuren enthousiast: ‘Dat hield een enorme belofte in; mensen werden in staat gesteld terug te praten, in plaats van alleen maar passief top-down informatie van traditionele media te ontvangen. Het maakte een wereldwijd publiek debat mogelijk, waarmee een ideaal tot werkelijkheid leek te worden dat we ons tot dan toe niet hadden kunnen voorstellen.’
Dertig jaar later kwalificeert de 55-jarige Roovers, naast ‘publieksfilosoof’ ook Eerste Kamerlid voor GroenLinks-PvdA, de tijd waarin we leven als ‘bezeten’, in navolging van de historicus Johan Huizinga (1872-1945), die het over de jaren dertig van de vorige eeuw had. Ook nu staat de democratie onder druk – niet zozeer vanwege het parlementaire stelsel, als wel door gebrek aan de kwaliteit van het publieke gesprek. De opkomst van ‘nepnieuws’ werkt niet alleen wantrouwen jegens autoriteiten in de hand, maar ook onverschilligheid, in haar ogen ‘de laagste graad van vrijheid’. Daarnaast constateert ze een tanende invloed van ‘traditionele media’, nu sociale media als voornaamste nieuwsbron fungeren en influencers voor jongeren belangrijker dan kranten lijken te zijn. ‘De mediaomgeving die ons vertrouwd was, is niet meer. Daar moeten we niet nostalgisch over doen, het is zaak ons tot de nieuwe realiteit te verhouden.’
Haar proefschrift ziet ze als een poging daartoe. Daarin maakt ze duidelijk dat veranderingen ook positief kunnen uitpakken. Opgewekt besteedt ze aandacht aan het onderzoeksplatform Bellingcat, dat ze prijst om zijn ‘transparante vorm van journalistieke legitimering’, die in haar ogen ‘beter past bij deze tijd dan de legitimering van de traditionele media’. Maar ondanks de lichtpunten is ze bovenal bezorgd – ze staat op de bres om de kwaliteit van het publieke gesprek te beschermen. ‘Ik wil strijden voor een grondwettelijk recht op eerlijke en betrouwbare informatie’, kondigde ze aan in haar in december gehouden Huizinga-lezing.
U heeft een studie geneeskunde gedaan, maar bent filosoof geworden. Vanwaar die wending?
‘Mijn keuze voor geneeskunde hing samen met de dood van mijn oudere broer. Die is op zijn 18de met een tractor verongelukt, nabij Veghel, waar ons gezin woonde. Ik was toen 10, de jongste van vier. Door die confrontatie met leven en dood kreeg ik het idee geneeskunde te willen studeren. Maar tijdens de studie ontdekte ik dat die niet zo geschikt voor me was. Ik vond het vooral saai: colleges over de oorschelp, maar niet over onze ziel, waarin ik meer geïnteresseerd was. Toen ben ik filosofie erbij gaan doen. Daar voelde ik me direct op mijn plek, voor het eerst van mijn leven werd ik intellectueel uitgedaagd. Wekelijks behandelden we een filosoof, van Aristoteles tot John Locke, telkens moest ik me tot diens gedachtegoed zien te verhouden. Mijn geest werd erdoor open geharkt, mijn liefde voor denken kwam boven. Die hangt ook met de dood van mijn broer samen. Tot dat moment was ik een gelovig katholiek meisje, maar sinds zijn dood kon ik met verhalen over de hemel geen genoegen meer nemen, ik wilde van het geloof af. Het markeert mijn overgang van gelovige naar denker. Ik heb dat nooit eerder gezegd, maar denk wel dat het klopt.’
Al vanaf de jaren negentig wilt u het publieke debat met filosofie verrijken. Wat drijft u daarbij?
‘Wanneer je je studietijd hebt gewijd aan de beste ideeën die er door de eeuwen zijn geweest, is de drang groot die aan het publieke debat te willen toevoegen. Dat gebeurde destijds helemaal niet; kranten hadden hun katernen voor wetenschap, economie en cultuur, maar filosofische inzichten kwamen nergens aan bod. Bij Filosofie Magazine trof ik geestverwanten aan met dezelfde ambitie, vooral hoofdredacteur René Gude (1957-2015, Denker des Vaderlands in 2013-2015, red.). We zijn geneigd ambitie als iets individueels te zien, maar het mooist wat ik heb ervaren is die gezamenlijk vorm te geven. We vonden ten diepste dat anderen plezier moesten kunnen beleven aan het feit dat wij filosofie hadden gestudeerd. Dat voel ik nog steeds zo, in dat opzicht heb ik wel iets van een missionaris.’
U was enthousiast over wat internet aan het publieke debat kon bijdragen. Wanneer veranderde dat?
‘Vanaf het begin waren er natuurlijk ook wel bedenkingen over het gebruik ervan door criminele netwerken en over de verspreiding van kinderporno. Ook was een vraagteken hoe de commercialisering van internet zou uitpakken. Bij de komst van de socialemediaplatforms werd me geleidelijk duidelijk dat het kapitalisme zijn greep aan het verstevigen was en dat onze idealen over een verbeterd publiek gesprek het zouden gaan afleggen tegen het rondpompen van ophef veroorzakende incidenten door de platforms van big tech. Die omslag, waarbij internet van kleur en structuur verschoot, wordt voor wetenschappers duidelijk vanaf 2015, wanneer er niet langer over een ‘network society’ wordt gesproken, maar over een ‘platform society’.’
Komen dan bij u ook de gevolgen voor de democratie al in beeld?
‘Dat was iets eerder. In 2014 verscheen Democracy Disfigured van de Italiaanse politicoloog Nadia Urbinati. Zij beschreef het fenomeen van politici die de media omzeilen door via sociale media rechtstreeks met burgers te communiceren. Dat bracht een geheel nieuwe dynamiek in het publieke debat teweeg. Italië liep daarin voorop met Silvio Berlusconi (Italiaans premier, mediamagnaat en eerste moderne populistische politicus die in een Europees land aan de macht kwam, red.), later deden Donald Trump en bij ons natuurlijk Geert Wilders datzelfde.
‘Bij die dynamiek hoort het verdacht maken van de ‘mainstream media’, zoals populisten de traditionele media aanduiden. Die zijn daardoor in het defensief gekomen, ook al omdat er steeds meer nieuwsberichten buiten hen om worden geproduceerd. De traditionele media hebben onmiskenbaar aan invloed verloren. Dat heeft grote gevolgen voor het publieke gesprek gehad.
‘Traditioneel vormt een kritische publieke sfeer in een parlementaire democratie een belangrijke tegenmacht voor het politieke domein. Maar nu zijn die beide pijlers van de democratie, het publieke gesprek en de politiek, uit balans geraakt doordat de kwaliteit van het publieke gesprek aan erosie onderhevig is geraakt. We moeten die pijlers opnieuw samen zien te denken.’
Doelt u op de opkomst van nepnieuws?
‘Dat ondermijnt inderdaad een gedeelde kijk op de werkelijkheid. Die is belangrijk voor het functioneren van een sociale gemeenschap en dus ook de politiek. Je moet elkaar blijven herkennen, dan kun je een ander iets gunnen. Dat is noodzakelijk in de politiek, maar wordt lastig wanneer de feiten van de een niet meer door de ander worden gedeeld. Dat maakt het erg moeilijk met elkaar in gesprek te blijven.’
Is dat niet een probleem van alle tijden, zie bijvoorbeeld de propaganda in de jaren dertig?
‘Jawel, maar de huidige omvang ervan maakt onze tijd toch anders. Er wordt zo veel desinformatie rondgepompt dat mensen erdoor in verwarring raken, met de reactie ‘laat maar zitten’ tot gevolg. Die onverschilligheid is ondermijnend voor een democratie.
‘ Ik vrees dat die scepsis over de feiten inmiddels wijdverbreid is. Als ik lezingen voor een doorgaans goed geïnformeerd publiek houd, worden vaststaande feiten geregeld ter discussie gesteld, omdat mensen niet langer vertrouwen wat ze in de traditionele media lezen. Dat is problematisch, het publieke debat raakt erdoor vervuild. Nepnieuws leidt tot allerlei ruis die zijn weg naar talkshowtafels vindt. Voor een democratie is het gevaarlijk wanneer mensen gaan denken: ‘Wat jij als feiten ziet, hoeft dat voor een ander niet te zijn.’ Dat moeten we tegengaan, we moeten een stevig hek om het belang van feiten plaatsen.’
Tegelijkertijd bent u ook kritisch over de traditionele media – de politieke verslaggeving staat te veel in het teken van het ‘horse race-frame’. Wat bedoelt u daarmee?
‘Je moet oppassen media over één kam te scheren en ik beweer niet dat de journalistiek minder goed is geworden, maar waaraan ik me erger is het reduceren van de politiek tot een spel, tot een paardenrace tussen politici. Dat sportjournalistieke frame helpt journalisten een overzichtelijk verhaal te vertellen, maar de politiek wordt er oppervlakkig van. ‘Even los van de inhoud’, wordt er dan gezegd. Door die benadering verandert onze waarneming van de politiek, dat merk ik aan de manier waarop over de politiek wordt gesproken, ook in mijn eigen vriendenkring. Je ziet het ook terug in de opmars van het strategisch stemmen, met het oog op de machtsvorming dalen veel kiezers pas op het laatste moment neer bij een partij. Dat maakt de politiek nog grilliger.’
Hoe kan dat stevige hek om het belang van feiten eruitzien?
‘Ik vind het grondwettelijk recht op eerlijke en betrouwbare informatie een geweldige vondst van mijn geliefde denker Jürgen Habermas (1929; Duits filosoof en socioloog, red.). Zijn redenering is: als een democratie alleen kan bestaan wanneer burgers in staat zijn aan goede, betrouwbare informatie te komen, dan moet dat als een recht in de Grondwet worden vastgelegd.’
Zullen regeringen daarvoor niet terugschrikken uit angst het verwijt te krijgen te willen censureren?
‘Regeringen zijn daar inderdaad benauwd voor. Ze zeggen wel tegen nepnieuws te zijn, maar willen zich verder niet aan het onderwerp branden. Toch zou het goed zijn zo’n grondrecht als doel te benoemen, net zoals dat voor huisvesting of onderwijs is gedaan. Het toezicht erop kun je uitbesteden aan een onafhankelijke Autoriteit Informatievoorziening, zoals we dat voor privacy hebben gedaan. Ik heb goede hoop dat zo’n grondrecht er kan komen. Twee jaar geleden wilde nog niemand het over dit onderwerp hebben, inmiddels onderkennen steeds meer partijen hoe groot het gevaar is.’
Waar put u verder hoop uit?
‘Ik ben ervan overtuigd dat onze democratische principes onveranderd kunnen werken. We moeten onze pijlen niet zozeer op de democratie zelf richten, maar op verstorende factoren zoals nepnieuws en manipulatie. Verder put ik hoop uit wat ik in de Eerste Kamer meemaak. Daar ontmoet ik senatoren die niet cynisch zijn, zij willen de wereld beter achterlaten. Het cynisme over de politiek kom ik vooral in de buitenwereld tegen. Daarvoor heb ik geen respect. Mijn moeder had als adagium: ‘Als je het zo goed weet, doe je het toch lekker zelf.’ Dat spreekt me aan. Je moet niet alleen kritiseren, maar ook bereid zijn verantwoordelijkheid te nemen. Dat voortdurende mopperen op de politiek kunnen we ons niet langer permitteren.’
In deze serie interviewt Fokke Obbema mensen die hun leven aan een ideaal wijden.
‘Een optimistisch getoonzette poging de consequenties van de digitalisering te vatten. Baricco schetst die als een aanval op ‘een tussenlaag’ van kennisdragers, zoals leraren, journalisten en wetenschappers. Zijn stelling is dat de mens moet kunnen leren omgaan met een technologie die zo precies aansluit op zijn natuur en zijn verlangens.’
Geselecteerd door de redactie
Source: Volkskrant