Na de bevrijding werd het terrein van Kamp Amersfoort gebruikt om collaborateurs op te sluiten, maar ook om teruggekeerde dwangarbeiders op te vangen. Een nieuwe tentoonstelling belicht deze minder bekende, enigszins chaotische periode. ‘Het moet heel bevreemdend zijn geweest.’
is regioverslaggever van de Volkskrant in de provincies Utrecht en Flevoland.
Pas toen hij al lang en breed het huis uit was, ontdekte Jorge Wong (60) dat zijn vader een geheim met zich had meegedragen, waarover ook zijn familie altijd had gezwegen. Dat geheim was dat René Wong Lun Hing in Kamp Amersfoort had gezeten. En dan niet tijdens de Tweede Wereldoorlog, toen de nazi’s er vooral verzetsmensen, communisten en andere tegenstanders van het regime opsloten, maar direct daarna, toen het gebruikt werd om oorlogsmisdadigers, NSB’ers en andere collaborateurs te interneren, totdat ze werden berecht. Het heette toen anders: Bewarings- en Verblijfskamp Laan 1914.
‘We kwamen er bij toeval achter’, zegt Wong. ‘Mijn zus gaf ergens haar naam op, toen de vrouw aan de andere kant van de lijn vroeg of ze familie was van René Wong. Ze had hem eens ontmoet bij haar vader thuis. Die twee hadden samen in het kamp gezeten en waren bevriend geraakt.’ Opeens begreep Jorge Wong waarom hij tijdens zijn jeugd in Roermond soms was buitengesloten.
Pas vorig jaar ontdekte hij wat zijn vader, die uit een welgesteld Roermonds gezin kwam, op zijn kerfstok had. René Wong was lid van de NSB geweest, en had tijdens de oorlog illustraties gemaakt voor het nationaalsocialistische weekblad Volk en Vaderland. ‘En hij maakte ook bustes, van Mussert en van Hitler. Die probeerde hij te verkopen.’
Het verhaal van Jorge en René Wong is een van de verhalen die worden uitgelicht op de tijdelijke tentoonstelling Geen plaats voor verraders, vanaf zaterdag te bezoeken bij Nationaal Monument Kamp Amersfoort. De tentoonstelling belicht de minder bekende, enigszins chaotische naoorlogse periode van het kamp.
Die periode begon met twee ministeries die langs elkaar heen werkten, zegt Floris van Dijk, hoofd onderzoek bij het herinneringscentrum. ‘Het ene ministerie wilde collaborateurs en oorlogsmisdadigers op het kampterrein van voormalig Kamp Amersfoort opsluiten, terwijl het andere al vergaande plannen had om er teruggekeerde dwangarbeiders op te vangen.’
Zo kon het gebeuren dat er de eerste maanden drie kampen naast elkaar bestonden: een mannen- en een vrouwenkamp voor ‘foute Nederlanders’, en een kamp voor remigranten. Die kampen waren met eenvoudige hekken van elkaar gescheiden.
‘Dat moet voor die remigranten heel bevreemdend zijn geweest’, zegt Van Dijk. ‘Dat aan de andere kant collaborateurs en oorlogsmisdadigers stonden.’
Die ‘foute’ Nederlanders waren na de bevrijding gearresteerd door de Binnenlandse Strijdkrachten. De Nederlandse regering in ballingschap had al tijdens de oorlog plannen gemaakt om mensen die met de Duitsers hadden samengewerkt snel te kunnen berechten. Daartoe werd een systeem van bijzondere rechtspleging opgetuigd. Zo moest worden voorkomen dat mensen voor eigen rechter gingen spelen.
Het was een enorme operatie, waarbij 120- tot 180 duizend personen werden vastgezet. Op de tentoonstelling is een kaart te zien met 260 gevangenissen, kampen, forten, scholen en andere gebouwen die tijdelijk als opvanglocatie dienden, van voormalig Kamp Westerbork via Slot Zeist tot het Sint-Josephgesticht in Zeeuws-Vlaanderen. ‘En dat zijn ze nog lang niet allemaal.’
In sommige van die kampen ging het er niet vriendelijk aan toe, zegt Van Dijk, en daar wilden ze in de tentoonstelling niet voor weglopen. De bezoeker leert dus dat de bewakers in het voormalige Kamp Amersfoort de gevangenen flink konden schoppen en slaan. Ook pakten ze soms de brandslang, waarmee ze koud water spoten op neus, ogen, borst en geslachtsdelen van gevangenen, wat deed denken aan de mishandelingen uit de nazitijd.
De minister van Justitie sprak van ‘ernstige wantoestanden’ in de kampen. In Amersfoort overleden zeker 28 naoorlogse gevangenen, onder wie drie baby’s. ‘Je kunt je voor veel van die plekken afvragen: is hier recht gedaan, of is er wraak genomen?’, zegt Van Dijk. Een antwoord op die vraag heeft hij niet.
Op de tentoonstelling hangt ook een zelfportret van René Wong, de vader van Jorge, die na de oorlog als kunstschilder nog honderden portretten maakte. Dit schilderij schonk hij ooit aan die man met wie hij in het kamp bevriend was geraakt. Achterop staat: ‘Ter herinnering aan onze gemeenschappelijke gevangenschap, Amersfoort oktober 1946.’
Wie bij de tentoonstelling de audiotour doet, hoort bij het portret de stem van Jorge Wong, die vertelt dat zijn vader vermoedelijk tot zijn dood worstelde met zijn oorlogsverleden. Hij dronk veel en stierf jong, 54 jaar oud. ‘Volgens een bevriende huisarts door algehele uitputting, maar volgens mijn zus en mij door zelfmoord.’
Zijn vader had het weekend voor zijn dood nog twee portretten geschilderd van kinderen in Leiden. De opdrachtgever herinnerde zich later dat René Wong zich tijdens het schilderen meerdere malen hardop een vraag stelde. ‘Ik ben toch geen slecht mens? Ik ben toch geen slecht mens?’
Geselecteerd door de redactie
Source: Volkskrant