Er is een toegenomen belangstelling voor alledaagse voorwerpen in de beeldende kunst. Op de schilderijen van Johannes Vermeer spreken die spulletjes een eigen taal, blijkt uit het boek De tastbare wereld van Johannes Vermeer.
schrijft voor de Volkskrant over beeldende kunst en erfgoed.
‘Huisraad als schildersmodel’ is de ondertitel van het boek De tastbare wereld van Johannes Vermeer. Maar anders dan zijn brief lezende, wijn drinkende vrouwen plaatste Vermeer dit huisraad altijd wat op het tweede plan. Auteur Alexandra van Dongen tilt deze ogenschijnlijk bescheiden modellen voorzichtig uit de schaduw, en komt tot verrassende vondsten.
Het boek past in een trend van toegenomen belangstelling voor, ja, spullen. Achter de gecultiveerde kaalheid van Marie Kondo (‘ontspullen’) verrees in de woonbladen alweer een nieuwe golf: die van het shambolisme, het omarmen van rommeligheid. Vogue Living: ‘Een trend die schoonheid ziet in imperfectie, zoals een barst in het glazuur of onverwachte materiaaloverlap. Het draait om textuur en het verzamelen van objecten met een verhaal.’ Zelfs de Gerrit Rietveld Academie, ooit tempel van conceptuele kunst, biedt nu workshops aan waarin ambachten, pardon, skills worden aangeboden onder ernstige titels als How material comes to matter. Te vertalen als: hoe spul verandert in iets wat ertoe doet.
Deze toegenomen belangstelling is verbonden met een zekere heimwee naar een wereld toen spullen nog schaars waren, gemaakt door mensenhanden en dus per definitie voorzien van een verhaal. Het is de wereld die spreekt uit de interieurs van de schilder Johannes Vermeer (1632-1675). Niemand was er zo goed in als hij om een broodmand, een glas of een aardewerken kan aan de praat te krijgen. Voorwerpen die bij elke stadsopgraving tevoorschijn komen; in de Amsterdamse metro op het Rokin is er een mooie uitstalling van gemaakt.
Spullen op 17de-eeuwse schilderijen zijn in het verleden wel vaker tegen het licht gehouden, in de gedaante van ‘betekenisvol bijwerk’: als dragers van een verborgen symboliek verwijzend naar de onkuisheid of slordigheid van het personage. Maar nog niet eerder werd het huisraad op Vermeers schilderijen zo consequent op zijn eigen merites bekeken.
Waar kwamen die voorwerpen vandaan, hoe werden ze gebruikt? In die zin past dit boek ook in de emanciperende trend waarvan ook de tentoonstelling in het Rijksmuseum, Thuis in de 17de eeuw, een uiting is. Bezems, potjes, lepels: alles mag meedoen en alles heeft een verhaal.
Kenner Alexandra van Dongen zet een scherp lampje op de verrassende hoeveelheid spulletjes waarmee zelfs de sobere Vermeer zijn schilderijen aankleedde. Een broodmand, een glas, een stoel, zelfs een zilveren lepel waarvan alleen de steel (opgebouwd uit een paar kleine toetsjes witte en grijze verf) tevoorschijn piept onder een rommelige verzameling serviesgoed, wordt herleid tot een bestaand exemplaar.
Zilver was kostbaar, op Vermeers schilderijen kom je het af en toe tegen in de vorm van een inktstel, een mooi bewerkte lepel, een waterkan. De schrijfster stelt dat Vermeer zulke voorwerpen mogelijk leende van zijn vermogende opdrachtgevers, om als, daar heb je het, modellen voor zijn composities te dienen.
Voor Vermeer fungeerden die voorwerpen ook als een verankering in de compositie, merkt filmmaker en beeldend kunstenaar Roy Villevoye op in het boek. ‘Ze helpen hem omdat ze steeds in een andere positie worden gezet, met ander licht’, zegt hij.
Dat is zo, maar tegelijkertijd is het een wel een erg fotografische, instrumentele benadering van 17de-eeuwse schilderijen. Voor een fotograaf of filmer zijn spullen vooral hulpmiddelen, rekwisieten. De voorwerpen van Vermeer spreken ook een eigen taal, die losstaat van hun plaats in de compositie.
Zo belicht De tastbare wereld een intrigerend object dat een paar keer opduikt: een juwelenkistje van teak- en ebbenhout, afkomstig uit India maar volgens kenners gemaakt in Portugese stijl. Het dateert uit de periode van koloniale machtsverschuiving, van Portugese naar Nederlandse overheersers.
Wie zo’n kabinetje bezat, hoorde tot de vermogende bovenlaag, zoals Vermeers patrones Maria de Knuijt, die een grote VOC-aandeelhouder was. Schilderijen met zulke zeldzame voorwerpen waren vermoedelijk in opdracht gemaakt. En het is niet ondenkbaar dat die voorwerpen onderdeel van de bestelling vormden.
Spullen, meer nog dan nu, gaven uitdrukking aan iemands plaats op de maatschappelijke ladder. Er waren er minder van, en ze waren kostbaarder, al had je ook goedkoop aardewerk, zoals de zalf- en kookpotten die bij elke opgraving te voorschijn komen.
Maar ook die vertellen iets over de sociale werkelijkheid waarvan ze deel uitmaakten. Broodmand, kookpot en melkkan vind je in het gezelschap van werkende vrouwen. Hun rijke zusters kregen van Vermeer een exotisch juwelenkistje of schaaltje van Chinees porselein, quasi-achteloos in de schaduw geplaatst maar voor elke tijdgenoot onmiddellijk herkenbaar.
Alexandra van Dongen vertelt met grote kennis van zaken over al die voorwerpen. Hoe ze gemaakt zijn, waar ze vandaan kwamen. Ook wel, maar minder, over wat ze te vertellen hadden in zo’n schilderij.
Toch verdient ook dat verhaal een eigen toelichting. Het vormt een subtiel maar wezenlijk verschil met de hedendaagse, hernieuwde aandacht voor spullen. Daarbij gaat het meer om individuele expressie: shambolisme, het omarmen van rommeligheid als uitingen van smaak en persoonlijkheid. Bij Vermeer ging het om hun functie, zeldzaamheid en status.
Woorden kunnen liegen, maar voorwerpen vertellen de waarheid. Over vroeger, over nu.
Alexandra van Dongen: De tastbare wereld van Johannes Vermeer. Huisraad als schildersmodel. Sterck & de Vreese; 256 pagina’s; € 29,90.
Geselecteerd door de redactie
Source: Volkskrant