Home

Wangedrag ouder mag kinderen niet schaden bij dreigende huisuitzetting

De Hoge Raad geeft richtlijnen voor rechtszaken waarbij kinderen de dupe zijn van een dreigende huisuitzetting. Ook als de ouders het ernaar hebben gemaakt, kan een verhuurder het belang van het kind niet zomaar naast zich neerleggen.

De zaak

Ymere verhuurt een sociale huurwoning aan een gezin met twee jonge dochters in Spaarndam. De woningcorporatie ontvangt klachten van buren over geluidsoverlast van onder meer huilende kinderen en luide muziek, blowen op het balkon, het op straat leeggooien van asbakken en de vele mensen die aan de deur komen. Ymere gaat in gesprek met het gezin en de buren. Afspraken volgen en het overlastdossier wordt gesloten.

Totdat een aantal maanden later de situatie verslechtert. De politie ontvangt informatie van het Team Criminele Inlichtingen dat via Snapchat vanuit de woning vuurwapens en munitie te koop zijn aangeboden. Bij huiszoeking vindt de politie harddrugs, munitie en een laptop met software om een onderdeel voor een vuurwapen te maken via een 3D-printer.

De burgemeester wil de woning aanvankelijk sluiten, maar legt vanwege de kinderen een last onder dwangsom op als prikkel om te stoppen met de illegale praktijken. De kinderen en hun moeder kunnen dan blijven – de vader zit vast. Maar enkele weken later treft de politie bij een nieuwe huiszoeking hasj, hennep en illegale munitie aan. De burgemeester wil de woning alsnog een maand sluiten.

Ymere, dat een zerotolerancebeleid hanteert voor overtreders van de Opiumwet, stapt naar de rechter om het gezin definitief uit te zetten. Bij de rechter draait het om de vraag hoe die de belangen van de kinderen moet wegen. Omdat eerdere rechtspraak geen uitsluitsel geeft, legt de rechter de Hoge Raad een aantal zogeheten prejudiciële vragen voor. 

Hoge Raad: belangen minderjarige wegen zwaar

De Hoge Raad gaat na wat het VN-Kinderrechtenverdrag betekent voor dit soort zaken, waarin doorgaans het recht op huisvesting en het recht om niet gescheiden te worden van de ouders op het spel staan. Nederland is aan dit verdrag gebonden.

Bij een woningontruiming maakt de rechter een afweging van de betrokken belangen. Uit het VN-Kinderrechtenverdrag volgt dat het belang van het kind daarbij bijzonder gewicht toekomt. Verwijtbaarheid van de ouders doet daar niet aan af. Maar, stelt de Hoge Raad vast, het gaat niet zo ver dat het belang van het kind steeds doorslaggevend is. Het hangt altijd van de overige belangen en omstandigheden af.

De rechter moet met deze richtlijnen alsnog beoordelen of Ymere het gezin uit de woning mag zetten. Daarbij zal de rechter de belangen van de twee kinderen zwaar laten wegen, maar ook kijken naar die van anderen, waaronder het door Ymere aangevoerde belang bij een leefbare en veilige woonomgeving van de andere bewoners. Een belangrijke vraag is verder of een alternatieve woning beschikbaar is voor de kinderen. Daarvoor is niet de verhuurder primair verantwoordelijk volgens de Hoge Raad, maar zijn ouders en overheid dat. Wel kan eventueel van de verhuurder verwacht worden dat die de rechter informeert over alternatieven.

Commentaar

„Het is goed dat er nu duidelijkheid is”, reageert Rutger Fabritius, advocaat huurrecht bij Dirkzwager. Zo schreef de rechter die de Hoge Raad vragen stelde dat rechters „sterk verschillend” omgaan met dit soort ontruimingszaken. Als verklaring geldt dat de norm uit het VN-Kinderrechtenverdrag waaraan getoetst moet worden, qua inhoud en reikwijdte „allerminst helder” is.

De Hoge Raad bepaalt nu hoe de rechter moet handelen, licht Fabritius toe. „Als er kinderen wonen, moet de rechter hun belangen expliciet in kaart brengen en deze prioriteit geven bij de toets of de ontbinding van de huurovereenkomst gerechtvaardigd is, maar ze vormen geen absolute blokkade. De rechter moet vervolgens motiveren hoe hij die afweging heeft gemaakt.”

De uitspraak van de Hoge Raad is niet alleen van belang voor woningcorporaties. Fabritius: „Dit raakt particuliere verhuurders net zo goed. Wel kan ik me voorstellen dat van een woningcorporatie meer wordt verwacht, onder andere bij het onderzoek dat de rechter doet naar de mogelijkheden voor alternatieve huisvesting. Een woningcorporatie zal over het algemeen meerdere vergelijkbare woningen in portefeuille hebben en kan zich vanwege goede contacten met maatschappelijke organisaties en gemeenten beter laten informeren over alternatieve opvang.”

Verhuurders doen er volgens Fabritius goed aan voorbereid te zijn. „Bij woningcorporaties betekent dat sowieso dat ze beleid moeten hebben dat in overeenstemming is met de belangen van het kind.” Als huurders met kinderen vervolgens problemen veroorzaken, moeten verhuurders aandacht hebben voor de belangen van het kind. Fabritius: „Kun je nog met de huurder in gesprek over wat er bij een eventuele ontruiming met de kinderen gebeurt? Kun je samenwerken met de gemeente of andere instanties om aan de belangen van het kind tegemoet te komen?” Volgens de advocaat is één ding in elk geval helder: „Je kunt er als verhuurder niet mee volstaan om te zeggen dat de ouders het er zelf naar hebben gemaakt.”

Uitspraak: Hoge Raad, 28 november 2025. ECLI:NL:HR:2025:1799

Deze rubriek belicht wekelijks rechterlijke uitspraken met economische gevolgen voor mensen of bedrijven.

Schrijf je in voor de nieuwsbrief NRC Voorkennis

Economieredacteuren nemen je mee in de discussies die zij op de redactie voeren over actuele ontwikkelingen

Source: NRC

Previous

Next