Home

Een fraaie microgeschiedenis van een Pruisisch seksschandaal

Geschiedenis Het nieuwe boek van Christopher Clark is meer dan een verslag van een obscure seksrel. Het gaat ook over de universele neiging om mensen die ‘anders’ zijn te gronde te richten.

Ludwig Hermann: Winter in Königsberg.

Christopher Clark: Een schandaal in Königsberg. De Bezige Bij, 200 blz. € 24,99

In zijn achttien jaar als minister van Cultuur en Kerkelijke Aangelegenheden had Carl Sigmund Franz Freiherr vom Stein zum Altenstein al heel wat meegemaakt, maar de brief die hij in de zomer van 1835 ontving verontrustte hem in hoge mate. De schrijver was Theodor von Schön, hoofd van de provincie Pruisen. Hij meldde dat zich in de stad Königsberg een sekte had gevestigd waar seksuele uitspattingen aan de orde van de dag waren. Er gingen geruchten over een buitenechtelijke zwangerschap, en twee jonge vrouwen zouden dermate sterk geprikkeld zijn dat ze waren overleden. „Het is zo weerzinwekkend en schokkend”, schreef Schön aan de bewindsman in Berlijn, „dat je amper woorden kan vinden om je afschuw tot uiting te brengen.”

Met deze brief vanuit de provincie naar de hoofdstad werd een lokale rel een landelijke kwestie. Zelfs koning Frederik-Willem III van Pruisen bemoeide zich er op een gegeven moment mee. Historicus Christopher Clark heeft met Een schandaal in Königsberg een spannend boek over de zaak geschreven, waarin hij laat zien hoe jaloezie, roddel en achterklap met behulp van een heksenjacht in de pers en de macht van de staat het leven van onschuldige burgers vernietigden.

Clark – hoogleraar Geschiedenis in Cambridge en bekend van Slaapwandelaars (over de uitbraak van de Eerste Wereldoorlog), IJzeren Koninkrijk (een geschiedenis van Pruisen) en Europese Lente (over het revolutiejaar 1848) – kwam de stukken rondom de vermeende sekte tegen in het archief toen hij in de jaren negentig onderzoek deed voor zijn proefschrift. De lezer kan zich gelukkig prijzen dat hij er nu alsnog iets mee gedaan heeft, want de Australiër vertelt met deze fraaie microgeschiedenis niet alleen iets over een schandaal ver weg en lang geleden, maar ook over de universele neiging om mensen die ‘anders’ zijn ten gronde te richten.

De centrale figuur in het boek is Johann Wilhelm Ebel, de predikant van de Altstädtische Kirche in Königsberg (het huidige Kaliningrad). In zijn jonge jaren kwam hij in aanraking met de theosoof Johann Heinrich Schönherr. Deze excentrieke autodidact had een theorie over het ontstaan van het heelal ontwikkeld waarbij er in den beginne twee bolvormige oerwezens door een lege ruimte zweefden: de ene was van water en donker, de andere bestond uit gloeiend heet licht. Pas nadat zij met elkaar versmolten kon de aarde ontstaan. Schönherr onderbouwde deze leer door zeer selectief te lezen in de Bijbel.

Want, en dit is belangrijk, zijn kosmogonie was niet bedoeld als aanval op het christendom, maar als een ‘wetenschappelijke’ verklaring voor het ontstaan van de wereld die kon bestaan naast het scheppingsverhaal uit Genesis. Clark beschrijft het post-Napoleontische Pruisen als een land waarin rationale theologen en piëtistische predikanten met elkaar streden om de ziel van de burger. De eersten ontdeden de Heilige Schrift zo ongeveer van alle mystiek, de tweeden hielden religieuze bijeenkomsten die soms wel héél intens waren.

Ebel behoorde tot de laatste groep, maar incorporeerde de leer van de oerwezens in zijn denken. Hij komt uit het boek van Clark naar voren als een voorbeeldige zielenherder, begaan met de mensen van zijn gemeente. Vooral vrouwen voelden zich door hem gezien en gehoord. Ida von der Groeben bijvoorbeeld was tijdens de oorlog tegen Napoleon op jonge leeftijd weduwe geworden. Ze raakte hierdoor in een depressie, die verergerde omdat ze vreesde dat ze meer van mensen hield dan van God. Ebel praatte haar uit de put. „God zelf werd al snel mijn ware liefde”, schreef ze na zijn interventie, „ik voelde dat ik nooit zulke gehechtheid aan wie dan ook in de wereld had ervaren als nu aan Hem, mijn hemelse Vader”.

Immorele ontmoeting

Dat dames uit de betere standen zo wegliepen met Ebel, zorgde bij mannen uit hun omgeving voor gevoelens van onrust en afgunst. Graaf Finck von Finckenstein, die tien jaar eerder korte tijd tot Ebels groep had gehoord, was degene die in 1834 met een reeks beschuldigingen de kwestie aan het rollen bracht. Hij beweerde dat mensen die „geheiligd” waren door de leer van de twee oerwezens te accepteren, zich aan allerlei liederlijke rituelen mochten overgeven. Ebel had hem gevraagd, zo beweerde hij, om in zijn bijzijn een „immorele ontmoeting” te hebben met twee vrouwen. De kwestie kwam in de openbaarheid, en de Kerkenraad van Oost-Pruisen moest zich er in een rechtszaak over uitspreken.

Hoogleraar geneeskunde Wilhelm Sachs, ook een voormalig gemeentelid van Ebel, vertelde tijdens het proces over wat hij allemaal zou hebben meegemaakt binnen de sekte. Hij getuigde onder meer dat de vrouwen die deelnamen aan de rituelen een gedetailleerde bekentenis moesten afleggen over hun zondige wensen. Clark noteert fijntjes dat Sachs’ beschuldigingen erg leken op zijn eigen seksueel getroebleerd gedrag, waarvoor hij ooit hulp had gezocht bij Ebel.

Alle betrokkenen ontkenden categorisch, maar voor de pers maakte dit niets uit. Er verschenen overal in Duitsland ademloze verslagen van de zittingen – van de hand van journalisten die er niet bij waren geweest. De verslaggever van de Leipziger krant Unser Planet berichtte dat een heer die hoger wilde opklimmen in de sekte Ebel in een ritueel moest observeren terwijl die zich met een jonge vrouw in een door kaarsen verlichte ruimte bevond. „Wat het meisje op de schoot van de leider nu deed, was van zodanige aard dat zelfs de oppervlakkigste beschrijving ervan zou uitmonden in een strafbare overschrijding van alles wat doorgaat voor moraliteit.”

Alle gunstige getuigenissen van Ebels aanhangers haalden niks uit. Na een slepende zaak werd hij in 1839 veroordeeld voor het oprichten van een sekte; hij werd voorgoed uit zijn ambt gezet en opgesloten „tot verbetering” kon worden vastgesteld. De beschuldigingen van seksuele aard werden wel genoemd in het vonnis, maar geen van allen gehonoreerd. Ze werden echter ook niet verworpen. Pas bij hoger beroep in 1842 stelde het Hof van Appel in Berlijn vast dat Ebel helemaal geen sekte had opgericht en dat hij een „rechtschapen man was met een onberispelijke morele zuiverheid”.

Voor de predikant was dat rijkelijk laat. Hij verhuisde met een stel trouwe ebelianen naar Baden, waar hij nog een aantal onleesbare traktaten schreef over de leer van Schönherr. Hij overleed in 1861.

Parallellen

Wat maakt dit boek over een obscure rel in Oost-Pruisen nou de moeite waard om anno 2026 te lezen? Clark trekt nergens expliciet parallellen met het heden, maar de opmerkingen in zijn afsluitende hoofdstuk zullen de lezer zeker aan het denken zetten. De pers en de geruchtensfeer waren essentieel voor de verspreiding van het schandaal rond Ebel, schrijft hij. Vervolgens werd die gemanipuleerde volksopinie gebruikt om vervolging af te dwingen.

Dat Ebel – die getrouwd was en drie kinderen had – niet beantwoordde aan het toen heersende idee van mannelijkheid, kwam hem duur te staan. Graaf Finckenstein noemde hem een „hermafrodiet”, alleen aantrekkelijk voor vrouwen en andere meisjesachtige mannen als hijzelf. Zijn aanklagers waren kwaadwillend, maar de Pruisische overheid trad op tegen Ebel uit naam van de rede; zij meende aan de goede kant van de geschiedenis te staan. Clark besluit ermee dat ook de rede „een strenge meesteres” kan zijn, „zelfs een tirannieke, als haar voorvechters in haar naam een betere manier van denken en leven probeerden op te leggen”.

Schrijf je in voor de nieuwsbrief NRC Boeken

Het laatste boekennieuws met onze recensies, de interessantste artikelen en interviews

Source: NRC

Previous

Next