Home

Joodse antizionisten op zoek naar een nieuw Israël

Antizionisme Hoe moet een vertwijfelde Jood zich verhouden tot het huidige destructieve en genadeloze Israël? Twee geëngageerde boeken van antizionistische Joodse auteurs onderzoeken die vraag, met introspectie en historische argumenten.

Een tentenkamp van Palestijnen die hun huis verloren in de wijk Zeitoun in Gaza-Stad, deze week.

Peter Beinart: Being Jewish after the Destruction of Gaza. A Reckoning. Knopf, 172 blz. € 20,99

Maurits de Bruijn: Geweten. Over Israël en Palestina. Das Mag, 243 blz. € 22,99

Auschwitz riep de vraag op of er na deze diabolische verschrikking nog poëzie mogelijk was. Tachtig jaar later, nu Gaza voor veel mensen het absolute morele ijkpunt is geworden, worstelen een antizionistische Amerikaanse en een Nederlandse Joodse auteur met de vraag naar hun relatie met Israël én het Jodendom.

De Amerikaanse links-liberale publicist Peter Beinart (1971) adresseert de vraag al in de titel van zijn boek, Being Jewish after the Destruction of Gaza. Hij hoopt op een Jodendom dat zich ontdoet van het geloof in „suprematie” en „idolatrie” van de staat. Een Jodendom dat de mensheid weer „tot een zegen is” en kan helpen „zichzelf te bevrijden”.

De Nederlandse schrijver Maurits de Bruijn (1984) verlangt naar een humanistisch Jodendom „dat leeft – niet alleen overleeft”, een „zonder uitsluiting, zonder racisme”. Net als Beinart probeert hij Jodendom los te wrikken van zionisme, een identificatie die voor de meeste Israëliërs vanzelfsprekend is.

Onheilspellende straten

De Bruijn doet dat in een sterk persoonlijk essay met de dubbelzinnige titel Geweten: hij doet een beroep op het geweten van zijn lezers én wil voorkomen dat we ‘het’ niet geweten hebben. En ‘het’ is dan: de systematische onderdrukking van de Palestijnen. Beinart beoogt min of meer hetzelfde maar hij is zakelijker dan de Bruijn, al is ook bij hem de de worsteling persoonlijk. Hij draagt zijn boek op aan zijn oma, die het met alles erin oneens was. Gaza kostte hem vriendschappen.

Het beste deel van Geweten is het tweede (‘Werkelijkheid’), waarin De Bruijn deelneemt aan een groepsreis door Israël. Met name een bezoek aan de door Joodse kolonisten beheerste stad Hebron is beklemmend. Zijn introspectieve stijl maakt dat je in gedachten met hem meeloopt door de lege, onheilspellende straten van die stad.

Minder sterk is De Bruijns historische exposé, dat hij presenteert als een les in „kennis”. Onder zionisten verstaat De Bruijn („binnen het huidige tijdsgewricht”) mensen die alle machtsmiddelen toelaatbaar achten voor instandhouding van de staat Israël. Dat zal zeker na 7 oktober 2023 opgaan en het is waar dat het zionisme na de moord op Rabin in 1995 door een Joodse extremist allengs een radicale, ook messianistische afslag heeft genomen. Maar De Bruijn lijdt wel aan een vorm van presentisme: Gaza als culminatie van een proces dat al begon met het vroegste zionisme. Hij heeft weinig oog voor wat daar niet in past: de dubbelzinnigheid van Europese naties tegenover zionistische en Arabische belangen, de schroom om Israël te erkennen (de Sovjet-Unie was de eerste, Nederland aarzelde, bevreesd voor een stimulans op het Indonesische nationalisme). Israël kwam voort uit settler colonialism maar ook uit dekolonisatie: het verkruimelen van de Ottomaanse, Russische en Britse imperia gaf impulsen aan een reeks nationalistische en separatistische bewegingen. Maar bij De Bruijn zijn het zionisme, Israël en zijn westerse sponsors de enige relevante spelers op het toneel. Zelfs de Palestijnen blijven grotendeels figuranten.

Dat is des te vreemder, omdat De Bruijn de ‘westerse’ media verwijt dat ze de Joodse slachtoffers van 7 oktober wél een gezicht hebben gegeven, maar niet de talloze Palestijnen die sindsdien door Israël zijn vermoord. Het is een beschuldiging die intuïtief aanspreekt – maar is het ook waar? De omslag in de publieke opinie, juist op basis van ‘de media’, wijst op iets heel anders. NRC bracht bijvoorbeeld een lange reeks getuigenissen en portretten van Palestijnse slachtoffers. Een portrettengalerij van Joodse doden na 7 oktober vond ik niet.

Ingebeelde machteloosheid

Peter Beinart dient zijn engagement op zijn beurt bij voorkeur op met argumenten. Zijn stelling is dat het de facto oppermachtige Israël zich na 7 oktober heeft vastgedraaid in een fixatie op eigen slachtofferschap en ingebeelde machteloosheid, met de Holocaust als ultiem retorisch wapen. De wereld is tegen ons, alleen genadeloze staatsmacht kan ons helpen. De staat is een afgod geworden, waarschuwt Beinart.

Die reflex is verklaarbaar, na de horror van de Hamas-aanslag, maar is volkomen doorgeslagen. Beinart weerspreekt de pijnlijke sofismen die de vernietiging van Gaza moeten goedpraten. Zoals de cynische relativering van het ‘relatief lage’ percentage Palestijnse slachtoffers (dat zou, rekende hij uit, neerkomen op 500.000 Israëli’s of 18 miljoen Amerikanen). Of de ‘Mexico-analogie’ (wat zouden de VS doen als Mexico een bloedbad aanricht op Amerikaans grondgebied). Gaza was geen soevereine natie zoals Mexico, maar een geïsoleerde (en, vergeet hij erbij te zeggen, door Hamas gemilitariseerde) stadstaat.

De bloeddorst van Hamas plaatst hij in een traditie van antikoloniaal verzet. Hij vergelijkt 7 oktober met de opstand van slaven op Haïti (1791) of de moordpartij die inheemse krijgers aanrichtten onder Amerikaanse kolonisten in Fort Mims, Alabama (1813). Maar zulke vergelijkingen gaan nooit helemaal op. Ze negeren de langdurige historie van nationalistische – en religieuze – rivaliteit tussen Joodse kolonisten en Arabische bevolking in een post-imperiale context.

Treffender is het contrast dat Beinart ziet tussen het huidige Israëlische zelfbeeld van slachtofferschap en het spijkerharde realisme van vroege zionisten als Ben Goerion. Zij waren zich maar al te bewust van het zionistische, in hun ogen noodzakelijke daderschap. Ben Goerion vond het logisch dat Palestijnse Arabieren zich verzetten tegen de uitverkoop van hun land. De hardliner Jabotinsky was nog uitgesprokener: „Elke inheemse bevolking verzet zich tegen kolonisatie”, schreef hij in 1933 toen Palestina onder Brits mandaat stond, „de Arabieren in Palestina dus ook.” Het deed geen afbreuk aan zijn overtuiging dat er een staat voor de vervolgde Europese Joden moest komen.

Dat is goed gezien van Beinart, maar hij draait de tegenstelling iets te sterk aan. Sinds oktober 2023 klinkt in Israël onverbloemd de roep om etnische zuivering – of erger – van de Palestijnen. Daaruit spreekt eerder het besef en zelfs de aandrift om niet alleen slachtoffers te zijn maar vooral ongenaakbare daders.

Als dit machtige, door veiligheid geobsedeerde Israël de wereld voor Joden niet veiliger maar onveiliger maakt, zoals beide schrijvers geloven, wat dán? De Bruijn wil horen bij een brede „golf van verzet”, maar stelt tegelijk dat er „geen rechtvaardige manier [is] waarop de Israëlische aanwezigheid in de regio ongedaan gemaakt kan worden”. Dat klinkt als een afwijzing van geweld, maar suggereert ook dat een einde aan de huidige staat Israël wél mogelijk is. Beinart hoopt op een inclusief „Israël-Palestina”, met gelijke rechten voor iedereen.

Vooralsnog lijken dat wensdromen. Maar na zoveel ellende zit er voor deze vertwijfelde antizionistische auteurs niets anders op. Ze kunnen alleen maar hopen dat na de golf van geweld die door het hele Midden-Oosten rolde, met Israël als onbetwiste winnaar, iets van bezinning ontstaat op een andere, betere toekomst.

Schrijf je in voor de nieuwsbrief NRC Boeken

Het laatste boekennieuws met onze recensies, de interessantste artikelen en interviews

Source: NRC

Previous

Next