Onwetendheid Wordt de mens gekenmerkt door honger naar waarheid, of juist door een diep verlangen naar onwetendheid? Wie gelooft dat alles een vergissing kan zijn, kan niet leven zonder ironie. Maar een strijdbare democratie kan zich geen oneindige ironie veroorloven, schrijft Arnon Grunberg.
In zijn boek Ignorance and Bliss. On Wanting Not to Know vat Mark Lilla, een Amerikaanse politicoloog, de menselijke conditie zo samen: „We willen weten, we willen niet weten. We accepteren waarheid, we verzetten ons tegen waarheid.”
Mark Lilla: Ignorance and Bliss. On Wanting Not to Know. C. Hurst & Co, 256 blz. € 16,99
Peter Burke: Ignorance: A Global History. Yale University Press, 386 blz. € 17,-
Stuart Jeffries: A Short History of Stupidity. Polity, 309 blz. € 28,-
Al in de Bijbel wordt de verdrijving uit het paradijs gekoppeld aan de wens om te weten, op zijn minst aan de behoefte te snoepen van verboden vruchten: Adam en Eva eten, na aandringen van de slang die Eva verleidt, van de boom „die begeerlijk was om verstandig te maken”, zo staat het in de Statenvertaling.
God heeft het hun verboden, maar dat verbod slaan Adam en Eva frivool in de wind. Zij koesteren geen stiekeme hoop om zoveel kennis te vergaren dat zij God zouden kunnen evenaren, geen samenzwering, nee, de verboden vruchten zagen er gewoon lekker uit, de verleidingskracht van de slang bleek buitengewoon effectief. Zij eten van de kennisboom zoals een hedendaagse burger pakweg aan een onenightstand begint, overmand door eros, zonder zich al veel te bekommeren om de consequenties, als hij die al zou kunnen kennen.
Het was de filosoof Ludwig Wittgenstein (1881-1951) die meende dat mensen naar waarheid verlangen, ook als die mogelijkerwijs niet goed voor hen is. Lilla ziet dat anders, bij hem verlangt de mens evenveel naar onwetendheid als naar kennis en dikwijls is hij niet in staat om kennis van onwetendheid te scheiden. Ja, hoe worden kennis, wijsheid en onwetendheid precies geproduceerd?
Lilla begint met Plato (de beroemde allegorie van de grot) en dan maakt al snel Socrates zijn entree. De man die volgens Plato met iedereen in Athene sprak, die onvermoeibaar vragen stelde, de man die meende dat liefde voor wijsheid (philo-sophia) onverenigbaar was met liefde voor de overwinning (philo-nikia). Wie de dialogen van Plato leest waarin Socrates voorkomt, kan de indruk krijgen dat Socrates op ironische wijze toch een beetje van de overwinning hield, en het kan zijn dat die ironie hem onuitstaanbaar heeft gemaakt. Socrates werd uiteindelijk ter dood veroordeeld omdat hij de jeugd zou hebben verpest.
Lilla stelt dat het democratisch geloof gebouwd is op het geloof dat mensen individueel en collectief het best weten wat goed voor hen is. Maar stel nu, zegt Lilla in navolging van Socrates, dat ze dat niet weten, of dat ze het de ene dag wel weten en de volgende dag niet meer?
Elke discussie over partijverboden of een grondwettelijke toetsing van in het parlement aangenomen wetten gaat precies hierover. Dat de kiezers en hun vertegenwoordigers op cruciale momenten niet weten wat goed voor ze is en door een macht boven hen, de rechterlijke, gecorrigeerd dienen te worden. Strijdbare democratie is in praktijk altijd ook dwangverpleging. Daarmee is niet gezegd dat ik per se tegen dergelijke rechterlijke correcties zou zijn, maar het is goed te beseffen wat daar gebeurt: de onwetenden worden tegen zichzelf in bescherming genomen.
Zijn zij die die dwaasheid van het volk menen te kunnen corrigeren dan de niet-dwazen, de niet-onwetenden of op zijn best allicht de net-iets-minder-onwetenden? Dan lijkt de wil om te weten wel erg veel op de wil tot macht, dan zou de liefde voor wijsheid in werkelijkheid uiteindelijk toch weer liefde voor de overwinning zijn.
Hier te lande roept na elke verkiezingsnederlaag altijd wel weer een vooraanstaand lid van de progressieve bourgeoisie dat links ‘een beter verhaal’ nodig heeft, dat dan de schellen van de ogen van de kiezers zullen vallen. De overwinning van de wijsheid wordt voorafgegaan door verfijndere retoriek. Me dunkt dat Socrates nu juist streed tegen dergelijke pseudo-wijsheid, al begreep hij ook dat geen enkele dialoog die het beluisteren of lezen waard is zonder retorisch vernuft kan.
Een staat die vooruit wil in de vaart der volkeren, een staat die niet door zijn vijanden wil worden opgegeten, zo’n staat kan zich niet al te veel Socratessen permitteren. De liefde voor de overwinning moet groter zijn dan die voor de wijsheid. Maar ook moet worden erkend: het doden van Socrates bracht weinig soelaas, de stadstaat Athene verdween. Wat een overwinning leek, was pure onwetendheid. Hoe wijs Socrates was om zijn aanklagers zo hooghartig te behandelen, ja bijna uit te dagen, dat ze geen keus hadden dan hem ter dood te veroordelen, dat is een geheel andere vraag. Laten we het erop houden dat Socrates een speler was die het flauw vond het spel te beëindigen als het eigen leven in het geding komt.
Een staat die aan de speeltafel wil blijven zitten moet zich dus afvragen: is wijsheid een middel of een doel? Is het een middel dat tot een bepaald doel moet leiden, bijvoorbeeld dat zoveel mogelijk mensen zo lang en zo gelukkig mogelijk leven, of is het toch stiekem een doel an sich? Als wijsheid een doel is, dan is het mogelijk dat die wijsheid mensen ongelukkig maakt, of ze een toontje lager laat zingen. Ja, als wijsheid uiteindelijk niet te onderscheiden is van goedheid, zouden we dan niet genoegen kunnen nemen met de gevulgariseerde samenvatting van het Oude en het Nieuwe Testament: behandel je naaste zoals je zelf zou willen worden behandeld?
In onze cultuur, waar de liefde voor de overwinning groter is dan alle andere liefdes bij elkaar – maar de overwinning dient wel bij voorkeur zonder genocide tot stand te komen – hebben we ons verzoend met de gedachte dat wijsheid slechts middel is bij een doel: het oplossen van problemen. Wijsheid die geen problemen oplost is geen wijsheid. In praktijk leidt dat tot iets wat wetenschapsfetisjisme genoemd zou kunnen worden. De wetenschap moet doen wat God en Jezus nalieten te doen: het Koninkrijk der Liefde stichten, wat wel hetzelfde moet zijn als het Koninkrijk der Redelijkheid.
Op precies dat Koninkrijk hebben de verlichtingsfundamentalisten – die in groten getale onder ons zijn, sommigen van hen zijn zeer vulgair, anderen uiterst verfijnd – hun boodschap gegrond. Geef de mensen beter onderwijs en zij zullen geen zondag nalaten opgewekt door de Kalverstraat te paraderen alsof ze die ochtend tweeduizend jaar onwetendheid van zich af hebben gedoucht.
Zolang het Koninkrijk der Redelijkheid nog niet op aarde gesticht is, is het misschien goed onderscheid te maken tussen kennis (hoe plak ik een fietsband?) en wijsheid (waar bevindt zich mijn eigen lek?). Wijsheid kan vermoedelijk niet zonder zelfonderzoek bestaan, maar wat is zelfonderzoek waard zonder houvast buiten zichzelf, als het niet ingebed is in de eeuwenlange traditie van zelfonderzoek? Lilla haalt de kleuter aan die per se zelf de rits van zijn jasje dicht wil doen terwijl hij dat nog niet kan. Oftewel, af en toe moeten we onze voorouders om hulp vragen, zonder slaaf van het verleden (blind conservatisme) te worden.
Lilla eindigt zijn boek zoals hij het begon, met een pleidooi dat wij onszelf herkennen als wezens die tegelijkertijd willen weten en niet willen weten. Wezens die bereid zijn hun eigen blinde vlekken te onderzoeken, ook als dat ten koste gaat van de overwinning. Dus toch de socratische positie, die bij uitstek een ironische positie is. Wie zijn eigen bestaan ziet als iets dat is gebouwd op onwetendheid, wie beweert dat alles onderzocht moet worden omdat alles een vergissing kan blijken te zijn, zo iemand kan niets anders zijn dan een ironicus. De eigen blinde vlek is de ironie.
Of wij beseffen hoe onwetend wij zijn en daarmee erkennen hoe ironisch onze positie is, is feitelijk bijzaak. Waaraan moet worden toegevoegd: het is mede dankzij onze onwetendheid dat wij doorgaan met leven. Zouden wij echt onze sterfdatum willen kennen? De toekomst kunnen kennen? Hoop, dat ding dat door gelovigen, humanisten, verlichtingsfundamentalisten, ja zelfs kleinkunstenaars op een troon is gehesen, is weinig anders dan onwetendheid versierd met retorische slingers.
Maar de liefde voor wijsheid komt daarna en die liefde, smerig, ongemakkelijk, komisch, pijnlijk en vunzig als alle liefde, is een serieuze aangelegenheid. Vergeleken met de goden zijn wij stervelingen ironische schepselen, onze belangrijkste versiering is het vuur van de hartstocht. Dat vuur is dan ook het enige waar de onsterfelijke goden ons om benijden.
Er zijn veel boeken over weten en niet-weten geschreven, ik noem er hier nog twee die recent zijn verschenen, om te beginnen Ignorance. A Global History van de Britse historicus Peter Burke. Ik ken niemand die de onwetendheid serieuzer heeft genomen dan Burke. Hij stelt dat de huidige mensheid als geheel inderdaad allemaal dingen weet die onze voorouders niet wisten, maar dat de individuele mens niet meer wijsheid heeft dan zijn voorouders. Door het menselijk bestaan lopen veel rivieren die allemaal onwetendheid genoemd mogen worden. Mannen die niets van vrouwen weten omdat dat minderwaardige schepselen zouden zijn, witten die niets van zwarten weten (idem). Religieuzen die niets van andere religies weten, atheïsten die niets van religie weten.
Burke onderscheidt drie vormen van onwetendheid: iets niet weten, iets niet willen weten, niet willen dat andere mensen iets weten. Hij citeert met instemming de Amerikaanse politicoloog Harold Lasswell (1902-1978) die stelt dat elke sociologische geschiedenis van onwetendheid moet draaien om de vragen: „Wie was onwetend over wat, wanneer, waar, en met welke consequenties?” Een hoofdstuk is gewijd aan geheime diensten die niet alleen in het leven zijn geroepen om de eigen onwetendheid te bestrijden, maar ook om de vijand onwetend te houden, bijvoorbeeld door het verspreiden van desinformatie. Tijdens de Koude Oorlog maakte zowel Amerika als de Sovjet-Unie gebruik van deze techniek. Ook democratisch gekozen politici hebben de neiging op cruciale momenten tegen hun volk c.q. hun kiezers te jokken, misschien valt dat ook onder dwangverpleging van het electoraat. Burke schrijft: „Sinds 1945 hebben de meeste Amerikaanse presidenten tegen hun volk over uiterst belangrijke zaken gelogen.” Franklin D. Roosevelt bijvoorbeeld loog over de concessies die hij aan Stalin had gedaan tijdens de conferentie van Jalta.
Aangezien de onwetendheid van gewone mensen vaak net zo groot is als die van hun leiders stelt Burke dat democratie niet principieel maar gradueel verschilt van autocratie. Wie democratie verdedigt, en velen beweren dat te doen, verdedigt de onwetendheid en het aanmodderen waarin de onwetenden al eeuwenlang uitblinken. En overal waar bestrijders van het aanmodderen opstaan (dikwijls zijn dat overigens ook bestrijders van de ironie) zouden alarmbellen moeten afgaan.
Burke eindigt zijn boek met de verzuchting dat zij die macht hebben vaak de kennis ontberen die zij nodig hebben en dat zij die weten dikwijls geen macht hebben.
Maar wie durft zichzelf na dit alles nog een wetende te noemen?
Na Burke is er Stuart Jeffries, journalist bij The Guardian, die het boek A Short History of Stupidity schreef. Daarin onderzoekt hij met name de onwetendheid die intelligentie wordt genoemd. Hij concludeert dat intelligentie bestaat uit de vaardigheid om door bepaalde hoepels te springen en dat elke IQ-test uiteindelijk niets anders dan die vaardigheid meet. Ik wil niet badinerend klinken over die hoepels, een paar achtereenvolgende sprongen hebben de mensheid aan paracetamol geholpen, maar vermakelijk wordt het als de aangeklaagden van het Neurenbergtribunaal voorbijkomen, die niet alleen zorgvuldig psychiatrisch zijn onderzocht maar waarvan men ook het IQ heeft gemeten. Ik kan me niet voorstellen dat we ooit een massamoordenaar om zijn wijsheid zullen eren, maar toch, Seyss-Inquart met een IQ van 141, hij valt in de categorie genie.
Omdat nazi’s zulke vervelende voorbeelden zijn, kunnen we ook zeggen dat iedereen die weleens op een universiteit heeft rondgelopen weet dat daar professoren en promovendi werkzaam zijn die wijs noch goed kunnen worden genoemd. Kort gezegd: de hoogopgeleiden zijn anders onwetend dan de laagopgeleiden.
Ook bij Jeffries is Socrates meer dan een figurant, feitelijk de aartsvader, of althans een van de aartsvaders van het gesprek over onwetendheid. Maar Jeffries haalt ook Nietzsche (1844-1900) aan, die beweerde dat wij dankzij Socrates zijn gaan geloven dat kennis ons zal bevrijden, en Nietzsche was sceptisch over elke sluiproute naar bevrijding.
Van Socrates weten we dat zijn liefde voor wijsheid ongeveer zo groot was als zijn liefde voor de lichamen van jongemannen. Hij heeft zijn liefde voor wijsheid ook ingezet om die jongemannen nog beter te beminnen. Dat maakt hem menselijk. Hij is en blijft een naaste. Een buurman.
Uiteindelijk gaat het om twee vragen. Waarop richt je je hartstocht? En hoe voorkom je dat je hartstocht het tegendeel van wijsheid blijkt te zijn?
Als je die vragen op de juiste wijze beantwoordt, dan kun je, dat is de hoop, de eigen gifbeker uitlachen, kun je je eigen lot uitlachen.
Zo wilde ik eindigen, maar dat lijkt misschien te veel op een overwinning.
„Het beste aan een grote overwinning is dat ze de angst voor een nederlaag bij de overwinnaar wegneemt”, schreef Nietzsche in De vrolijke wetenschap. Zou het toch de liefde voor de overwinning zijn en niet die voor de wijsheid die de angst overwint?
Je kunt je lot uitlachen en het met geheven zwaard in volle galop tegemoet rijden, maar daar trekt de dood zich bitter weinig van aan.
Het laatste boekennieuws met onze recensies, de interessantste artikelen en interviews
Source: NRC