Charlotte Mutsaers In haar nieuwe roman laat ze de hoofdpersoon en zijn vrouw verdwalen in een bos – en dan dwalen ze maar voort. Het gaat meer om de reis dan om de bestemming, maar wat levert dat op?
De rivier de Doubs.
Charlotte Mutsaers: Moet dwalen. Prometheus, 288 blz. € 24,99
Sommige schrijvers bepalen zelf de regels. Wat er in het universum van hún fictie gebeurt, hoeft niet te stroken met de wereld zoals wij die kennen. Want hier zijn zij heer en meester, hier maken zij wel uit wat normaal is, of logisch, of begrijpelijk, en hoe de dingen gaan, hoe de mensen doen.
Zo kijken we niet gek meer op van de gewoonte van mannen in het romanuniversum van Charlotte Mutsaers (1942) om de voorwerpen waar zij in het bijzonder verzot op zijn tegen hun geslacht te houden, wat dan niet zelden extatische ontlading teweegbrengt. Was het in Koetsier Herfst (2008) nog een rinkelend (en vibrerend) Nokia’tje dat hoofdpersoon Maurice Maillot in alle staten bracht, in de nieuwe roman Moet dwalen is het een teruggevonden mes van het merk Opinel, dat Isi Witlamm, wanneer hij ermee herenigd wordt na een schrijnende periode van gemis, „hartstochtelijk tegen zijn geslacht” drukt. Waarna hij opgewonden zichzelf ter hand neemt en „klaarkomt als een raket”.
Dit zijn geen incidenten, dit is een patroon. En dit is niet onnozel, dit is soeverein.
Op dezelfde eigenzinnige manier laat P.C. Hooft-prijswinnaar Mutsaers haar hoofdpersoon hartstochtelijke liefde voelen voor een rivier. De Doubs, die rondkronkelt in oostelijk Frankrijk. Sinds hij haar, die rivier dus, met haar „vloeibare sereniteit” heeft leren kennen „is er nog maar één zaak waarvoor hij waarachtig warmloopt: deinen in de bocht van Haar gouden arm, terwijl de naald- en loofbomen langszij glijden”. Nu Isi op leeftijd is en carrières in de wetenschap en schilderkunst (aquarelleren) hem onbevredigd hebben achtergelaten, wil hij enkel nog doen wat dankzij de rivier is komen bovendrijven als zijn grootste talent: onvoorwaardelijk liefhebben. „Hoe vaak heeft hij zich niet als een verlegen scheepje laten dragen door dat zalige, nu eens traag en dan weer snel stromende water, dat onafzienbare glasachtige lichaam, dat alle kleuren van de regenboog kan aannemen en langs slinkse omwegen altijd maar weer koers zet naar de zee, dan weer fronsend, dan weer met een spiegelglad oppervlak, dan weer troebel, dan weer transparant, en als klap op de vuurpijl ook nog als glow in the dark.”
Ja, als je het zó zegt. Het proza vloeit verleidelijk aan het begin van Moet dwalen, en dan dein je lekker mee op dat knotsgekke verzinsel van die liefde voor de rivier. Wie anders dan (die malle) Isi „kan bogen op een geliefde die ondanks haar liggende stand doorlopend in wording is en een garantie vormt tegen uitdroging en lethargie?” En dan maak je wel ruimte voor Isi’s opvatting over de onzinnigheid van het begrip ‘verdwalen’. Want daarmee begint het verhaal van de roman: Isi en zijn geliefde – niet de rivier maar zijn jonge knappe menselijke metgezellin Fleur – lopen door een bos ergens aan de oever van de Doubs, en zijn verdwaald.
Volgens haar dan. Hij heeft andere ideeën over „dit onwoord met de slagkracht van een voorhamer, de spanwijdte van een albatros en de waarheid van een koe doet niets anders dan paniek zaaien”. Wat volgt, aan verhaal, aan handeling, is een voortzetting van de dwaaltocht door het bos, met onderwijl gekissebis tussen Isi en Fleur, over van alles, maar vooral over verdwaaldheid. Waarmee zich de inzet van de roman uitkristalliseert: een performatief pleidooi voor dwalen. En nee, het is niet alsof de titel ons niet gewaarschuwd had. „Verdwaald zijn is niks anders dan beleving”, betoogt Isi. „En welke weg men ook neemt, vroeg of laat voert hij je naar het eindpunt, soms openlijk, soms in het geniep. Dat was in het Pleistoceen al zo, en dat is in het Antropoceen ondanks de blije stoet van wegbereiders, samendoeners en bruggenbouwers geen spat veranderd.”
Een aardig potje systeem- en maatschappijkritiek? Een open deur? Hoe dan ook: wel mooi gezegd, als je houdt van het machismo dat Mutsaers’ handelsmerk is.
Daar moet Moet dwalen het van hebben: meer van de reis dan van de bestemming. De toon verandert wel: het gekissebis van de partners wordt allengs pittiger, wordt gekijf, wordt gescheld, waarmee Isi’s non-conformistische gemok een woeste, minachtende tirade wordt over alles wat werelds en modern is. Waarbij de kwaliteit van de zinnen wel steeds meer onder de banale boosheid te lijden heeft en Isi’s lelijke misogynie oprispt: academica Fleur wordt uitgemaakt voor van alles, van „droogkutje” met „haar eeuwige frons en eeuwig ontevreden pruillip” tot „stinkteef”. Als politiek incorrect al een compliment is (zo soeverein!), dan toch niet in dit geval: Isi’s incorrectheid is op z’n best provoceren-om-het-provoceren (en daarmee saai) en op z’n slechtst ronduit dom.
Tot Isi, al even achteloos, er helemaal genoeg van heeft en zich van Fleur ontdoet. Tegen die tijd heb je je als lezer wel meermaals afgevraagd welk pad Mutsaers nou toch opgegaan is. Wat heeft dit te betekenen? Is dit symbolisch, een parabel over de loop van het leven, waarin de man nu eenmaal op zeker punt de vrouw molesteert? En miezerig alleen achterblijft? Tja, aha. Als dat de betekenis is, dan haalt Mutsaers wel verdraaid moeizame capriolen uit om in een flinterdun verhaaltje iets te vertellen wat menigeen in de literatuur effectiever heeft weten te doen.
In de tweede helft van de roman – de rivierliefde en het partnergekissebis zijn goeddeels achter de horizon verdwenen – krijgt Isi in het bos nieuw gezelschap, van een voorbijganger die Elan heet en met wie het buitengewoon klikt, hij brengt nieuw elan. (Werkelijk, zo flauw? We kunnen het niet uitsluiten, al is Elan ook een Hebreeuwse meisjesnaam die ‘boom’ betekent – maar ja, wat dan nog?) Ze converseren wat af, in de gedragen taal die verraadt dat we hier met gefilosofeer te maken hebben, want dan spreekt men gekunsteld. Het gaat over Hitchcockfilms, over Noorwegen, over het skateboard dat Elan altijd met zich meedraagt, ook nu in het bos, zonder ooit te skaten: hij draagt iets als tegenwicht tegen de psychische last die hij ervaart. Jaja, zozo. Is dit nou diepzinnig of onnozel?
Hééft dit wel iets te betekenen, of moeten we het interpreteren loslaten omdat Mutsaers nu eenmaal haar eigen regels bepaalt – en zozeer de vrijheid wil vieren dat ze ongrijpbaar wenst te zijn? Moeten we domweg door deze roman heen dwalen, de titel indachtig, en maar proberen te genieten van wat op ons pad komt? Toekijken bij het kunstje dat ze voor ons danst, soms verfijnd, maar vaak ook flauw en lomp? Moeten we de soevereiniteit bewonderen? Het is mij niet gelukt.
Het laatste boekennieuws met onze recensies, de interessantste artikelen en interviews
Source: NRC