Om schoolverzuim tegen te gaan, dringen beleidsmakers vaak aan op betere registratie. Daarmee gaan ze er echter aan voorbij dat verzuim zelf het probleem niet is. Het is een symptoom van onderliggende sociaal-medische en pedagogische problemen.
Wanneer schoolverzuim op de beleidsagenda staat, ligt de nadruk veelal meteen op beter registreren, scherper monitoren, meer grip. Ook een recent wetsvoorstel volgt die logica. Dat is begrijpelijk, want verzuim is telbaar. Maar wie dichter bij kinderen, jongeren en gezinnen staat, weet dat verzuim zelden het probleem is. Het is een signaal.
Raquel Abrahams is jeugdarts en arts maatschappij en gezondheid en vicevoorzitter van AJN Jeugdartsen Nederland. Ze schreef dit stuk op persoonlijke titel.
Dit is een ingezonden bijdrage, die niet noodzakelijkerwijs het standpunt van de Volkskrant reflecteert. Lees hier meer over ons beleid aangaande opiniestukken.
Eerdere bijdragen in deze discussie vindt u onder aan dit artikel.
Als jeugdarts zie ik dat ziekteverzuim vaak samenhangt met gezondheidsproblemen en/of een onderwijscontext die niet (meer) passend is. Verzuim ontstaat meestal niet uit onwil, maar uit onvermogen. Dat beeld wordt gedeeld door collega-jeugdartsen, jeugdigen, ouders en professionals uit het veld en bracht de AJN, de vereniging voor jeugdartsen in Nederland, dan ook in als standpunt aan de Tweede Kamer. Juist daarom verdient verzuim een andere benadering dan vooral tellen en rapporteren.
Het recht op onderwijs betekent bovendien meer dan fysiek aanwezig zijn in een schoolgebouw. Het Kinderrechtenverdrag en het VN-verdrag inzake de rechten van personen met een handicap, zien het als het recht om te kunnen leren, te ontwikkelen, met toegang tot passende ondersteuning en zorg. Het recht om deel te kunnen nemen aan onderwijs – ook wanneer fysieke aanwezigheid tijdelijk, of langdurig, niet haalbaar is. Voor sommige kinderen en jongeren is leren op een andere plek, in een aangepast tempo of met tijdelijke alternatieven, juist de sleutel om uitval te voorkomen.
De registratie van verzuim kan helpen, mits deze cijfermatige aanpak wordt ingezet als middel en niet het doel wordt. Registratie zonder context, kan namelijk averechts werken. Dan ontstaat druk op scholen, ouders, kinderen en jongeren, terwijl de onderliggende oorzaken niet worden aangepakt. Aansturen op transparantie, zonder perspectief op hoe verder te handelen, vergroot het risico op escalatie, in plaats van dat het bijdraagt aan preventie.
Wie verzuim tegen wil gaan, moet inzetten op preventie. Die aanpak begint vóór verzuim, bij onderwijs- en leeromgevingen waarin kinderen en jongeren zich veilig, gezien en ondersteund voelen. Als verzuim ontstaat, kan passende begeleiding in een vroege fase juist het verschil maken tussen tijdelijk verzuim en langdurig thuiszitten. Toch is die begeleiding in Nederland versnipperd georganiseerd en afhankelijk van regionale keuzes, tijdelijke projecten en beschikbare capaciteit. Dat leidt tot ongelijkheid: waar je woont bepaalt of je hulp krijgt. Preventie en vroege begeleiding zou geen postcode-afhankelijk privilege mogen zijn.
Wat in het huidige beleid onvoldoende expliciet wordt geborgd, is collectieve preventie en het belang van tijdige pedagogische en sociaal-medische duiding. Ziekteverzuim vraagt om professionele beoordeling: wat is er aan de hand, wat is haalbaar, wat schaadt en wat helpt? Die duiding vraagt samenwerking tussen professionals uit onderwijs en jeugdgezondheidszorg, in samenspraak met kinderen, jongeren en ouders. Niet vanuit wantrouwen, maar vanuit de gezamenlijke vraag: hoe houden we dit kind of deze jongere in ontwikkeling? Ondersteuning die meebeweegt met wat een kind of jongere op dat moment aankan.
Verzuim terugdringen, lukt niet door harder te tellen, maar door te proberen eerder te begrijpen. Niet door kinderen en jongeren strakker vast te zetten in regels, maar door hen verbonden te houden met leren en ontwikkeling. Dat vraagt van beleidsmakers echter de bereidheid om verder te kijken dan wat direct meetbaar is.
Wat werkelijk helpt? Luisteren naar kinderen en jongeren zelf, en naar hun ouders. Naar wat zij ervaren, wat zij aankunnen en wat zij nodig hebben om verbonden te blijven met leren en ontwikkeling. Pas wanneer wetgeving en beleid dat uitgangspunt neemt, ontstaat ruimte voor oplossingen die werken.
Wilt u reageren? Stuur dan een opiniebijdrage (max 700 woorden) naar opinie@volkskrant.nl of een brief (maximaal 200 woorden) naar brieven@volkskrant.nl
Geselecteerd door de redactie
Source: Volkskrant