Ruim 14 duizend jaar geleden zette een wolvenpup in Siberië de tanden in een wolharige neushoorn. Wetenschappers zijn er nu in geslaagd iets uit de maag van het wolfje te halen en het DNA uit te lezen.
Maarten Keulemans is wetenschapsredacteur bij de Volkskrant, gespecialiseerd in klimaat en microleven.
Het is een primeur en laat zien wat er met moderne DNA-technieken mogelijk is, schrijven wetenschappers van het Centrum voor Paleogenetica in Stockholm. ‘Het verbaast me steeds weer hoe goed we overal DNA uit kunnen halen’, reageert ook paleontoloog Rob van den Berg van Naturalis, na lezing van het onderzoek.
Het DNA geeft meteen een verontrustend signaal af, schrijft het Zweedse team, onder leiding van bio-informaticus Camilo Chacón-Duque. Het lijkt er immers op dat de wolharige neushoorn, relatief kort voordat hij uitstierf, in genetisch opzicht nog kerngezond was. Dat maakt het ‘plausibel’ dat het dier razendsnel uitstierf door het toen snel opwarmende klimaat, schrijven de onderzoekers in vakblad Genome Biology and Evolution.
Maar onomstreden is die conclusie niet. Zo nemen paleontologen aan dat de wolharige neushoorn zich ook na het onfortuinlijke incident met de Siberische wolvenroedel van 14,4 duizend jaar geleden nog duizenden jaren staande heeft gehouden. ‘Ik had het misschien iets voorzichtiger opgeschreven’, zegt Van den Berg dan ook. ‘Er zijn jongere exemplaren bekend.’
Het wolfje in kwestie werd tien jaar geleden gevonden in de dooiende permafrost van Tumat, helemaal in het noordoosten van Siberië, boven de poolcirkel. Een platgedrukt, gevriesdroogd exemplaar ter grootte van een cockerspaniël, met in de maag nog de resten van wat zijn laatste maaltje zal zijn geweest: een brokje neushoornweefsel, niet groter dan een soepballetje.
Met veel gedoe lukte het Chacón-Duques team om daaruit kleine beetjes neushoorn-DNA te halen. Erfelijk materiaal, dat niet de typische genetische slijtage vertoont dat biologen normaliter zien bij diersoorten waarmee het slecht gaat, zoals genetische herhalingen die wijzen op inteelt.
‘Dat laat zien dat de wolharige neushoorns 15 duizend jaar lang een levensvatbare populatie hadden nadat de eerste mensen in Noordoost-Siberië waren gearriveerd. En dat niet de jacht door mensen, maar klimaatopwarming de oorzaak van hun uitsterven was’, aldus de Zweedse hoogleraar evolutionaire genetica Love Dalén in een toelichting.
Maar Van den Berg wijst erop dat het een het ander niet uitsluit. ‘De tendens is dat we denken: door bejaging is een soort kwetsbaar geworden. En als daar vervolgens klimaatverandering overheen komt, legt zo’n soort het loodje.’ Ietwat verstopt in de Zweedse data staat dat de wolharige neushoorn tussen 900- en 800 duizend jaar geleden óók al een belangrijke terugval had in populatiegrootte, en tussen de 80- en 20 duizend jaar geleden weer.
Denk bij de wolharige neushoorn overigens niet aan de neushoorn uit de dierentuin, vertelt Van den Berg. ‘Dit is een stuk grotere neushoorn, met enorme hoorns op zijn neus. En hij heeft een bruinige vacht.’ Het dier scharrelde over de Siberische toendra, waar hij gras at. Totdat het opwarmende klimaat leidde tot de opkomst van uitgestrekte bossen: ‘Het wordt vochtiger, warmer, modderiger. En er is steeds minder gras. Zo’n beest voelt zich dan niet meer helemaal happy’, zegt Van den Berg.
Rond de tienduizend jaar geleden stierven meer grote oerdieren uit, naar men aanneemt door de combinatie van jacht en klimaatverandering. Tot de bekendste slachtoffers horen de mammoet, de sabeltandtijger en de reuzenluiaard.
Alles over wetenschap vindt u hier.
Geselecteerd door de redactie
Source: Volkskrant