Literatuur Tussen de exceptionele debuutromans werd Sprokkelaars verrassend bekroond met de Bronzen Uil. Niet ten onrechte: Mira Aluç’ roman voegt zich tussen de uitzonderlijke vertellingen die zichzelf niet van de daken schreeuwen, maar toch iets groots te zeggen hebben.
Kerstversiering in de opruiming.
„Vraag ik de mensen om me heen mij te omschrijven, dan breng ik ze in verlegenheid”, aldus de verteller van Sprokkelaars van Mira Aluç (1993). Wat valt er over hem te zeggen? Hij is net afgestudeerd, een ‘gewone’ jongen, maar: „Doorsnee is geen compliment. Je leven moet exceptioneel zijn. Op zijn minst één eigenschap vergaren die je onderscheidt van de rest.”
Mira Aluç: Sprokkelaars. Atlas Contact, 170 blz. €22,99
Die onderscheidende eigenschap wordt dat hij bij zijn oom in de zaak gaat werken, een winkel in een loods op een industrieterrein. Daar koop je spullen uit restpartijen van wat elders is geschrapt uit de schappen. Kerstballen in januari, Vaderdag-stropdassen in hoogzomer, Poolse jalapeñochips, „vierdelige raspen”. Maakt dit hem onderscheidend? Mwah. Hij kan zich er eerder in onbestemdheid wentelen. Tekenend: zijn oom noemt ‘Jong’ en daarmee is dat zijn naam, zijn echte naam („die mijn ouders me hadden gegeven”) klinkt in die loods „misplaatst”, vindt hij. Zijn ‘gewoonheid’, of misschien moeten we onuitgesprokenheid of ambitieloosheid zeggen, is de essentie van Sprokkelaars.
Misschien is het die ogenschijnlijke bleekheid waardoor Mira Aluç’ debuutroman, twaalf maanden geleden verschenen, enigszins onopgemerkt bleef. De jury van romandebuutprijs De Bronzen Uil corrigeerde dat ferm door Sprokkelaars tot winnaar uit te roepen, waarmee het de ostentatiever exceptionele debuten van Falun Ellie Koos, Lieselot Mariën, Daan Borrel en Emma Laura Schouten voorbijstreefde. (En trouwens ook Safae El Khannoussi’s Oroppa, dat om onheuse redenen gediskwalificeerd was.)
Maar Aluç’ roman voegt zich in een rijtje uitzonderlijke vertellingen die zichzelf juist niet van de daken schreeuwen. Denk aan David Szalays Booker Prize-winnende roman Het vlees. Overeenkomst: het vertelt het verhaal van een zwijgzaam, wat onopvallend personage. Denk aan Ossenkop van Manik Sarkar, dat ons onderdompelde in de microkosmos van een dorpsslager. Of denk aan Wim Wenders’ film Perfect Days, over een Tokiose schoonmaker van openbare toiletten, die in zijn leven van onveranderlijke regelmaat en eenzelvigheid misschien wel volmaakt gelukkig is. Boeken die een lans breken voor de stille mens, voor degene die niet opvalt.
Wie onuitgesproken of gauw tevreden is, of nog zoekende zoals de hoofdpersoon van Sprokkelaars, bekijken we algauw negatief, neerbuigend. Maar: „Een groots mens zijn is niet hetzelfde als een luid mens zijn”, schrijft Aluç – nog best een stevige uitspraak, die bovendien de suggestie wekt dat deze roman een niet-luid-maar-toch-groots verhaal wil vertellen. Dat het daarin slaagt, is een compliment dat alweer luider klinkt dan gepast voelt bij het bescheiden Sprokkelaars.
We volgen de dagen, weken, maanden in de loods. Gewone dagen, maar wat er gebeurt is niet betekenisloos. Aluç heeft geen grote gebaren nodig om een boeiend verhaal te vertellen; subtiel brengt ze reliëf aan. Hoewel de algehele verteltoon vrij kaal en zakelijk is, springen er goedgeplaatste, waarachtige zinnetjes uit, die een wijze waarheid of veelzeggend inzicht in de personages bevatten. Over collega Baris, oorlogsvluchteling, die in de dagen voor Oudjaar versteent bij vuurwerkknallen („Zijn ogen stonden strak en het oogwit was rozig”). Over de oom, die in de partijhandel is gegaan uit overtuiging, uit bekommernis: „Voor alles wat in allerijl een uitweg zocht, wilde hij het eindstation zijn.” Over de hoofdpersoon, die, zoals dat tussenzinnetje over zijn naam al verraadde, thuis iets is misgelopen: „Bloed is een te dunne lijm voor familie; om te hechten, moet het binden met liefde, zorg en trots.” Of over de maatschappelijke klassenverschillen, een doffe waarheid: „Je hebt mensen die slagen en dus winnen, en mensen die harder werken dan de winnaars, maar desondanks verliezen.”
Sprokkelaars is geen sprookje waarin het met die verliezers toch op miraculeuze wijze goedkomt, maar een verhaal waarin zij erkend worden in het lot waar ze stomweg toe veroordeeld zijn. Zoals de jongen wanneer die met een opgeblazen plastic zwembadje door de storm ploetert en hij zich afvraagt hoe „verpakte lucht zo zwaar” kon zijn – mooi metaforisch. Hij weet: „Het waren mijn onhandigheid en de onmacht” waarmee hij worstelde.
En toch ploetert hij voort, pakt hij wat hij net wel pakken kan. Als een van de mensen die je na het lezen van deze opgloeiende zin, de kern van deze bittere maar warme roman, nooit meer kunt geringschatten: „Stakkers vond ik het, maar het waren sprokkelaars, mensen die met al hun kracht en tekortkomingen hun bestaansrecht bijeensprokkelden.”
Het laatste boekennieuws met onze recensies, de interessantste artikelen en interviews
Source: NRC