Home

Margaret Atwoods proeve van onverschrokken enthousiasme

Margaret Atwood In haar memoires schiet ze heen en weer van het grappige persoonlijke naar het politiek-maatschappelijke. Ze beweent de aids-epidemie, beschrijft de wanhoop die corona teweeg bracht, maar schrijft ook over haar vriendschappen, haar liefdes en de kunst van het schrijven.

Margaret Atwood van 1970 tot 1979.

Wie wil weten hoe de jeugd van Margaret Atwood eruitzag en voelde en rook, krijgt het volle pond in Boek vol levens. Ze haalt voor dit boek om te beginnen uitvoerig verhalen op over een vrijgevochten dochter van wat wereldvreemde ouders, dat in de ongerepte natuur ravot met een stoet aan buurkinderen en andere speelkameraden. Ruim honderd pagina’s lijkt Boek vol levens een verbaal fotoalbum. Ontroerend maar voor de buitenstaander zijn de kiekjes op den duur onbeduidend.

Margaret Atwood: Boek vol levens. Een soort memoir . (Book of Lives). Vert. Lidwien Biekmann en Frank Lekens. Prometheus, 624 blz. € 39,99

Die jeugdherinneringen moeten we Atwood maar even gunnen. Geen nood, daarna verveelt dit boek nooit meer.

Met haar inschrijving aan de universiteit begint het. Dan rolt ze de koffiebar binnen waar de artistieke Canadese jeugd uithangt en discussieert. Ze maakt ruimte voor een cameo van Leonard Cohen „die knappe hartendief op de campus”. Voor een walk-on van acteur Donald Sutherland haalt ze op hoe hij zijn debuut maakte in Macbeth van Shakespeare – als een van de drie heksen. Dat is een weetje dat ik nooit meer uit mijn geheugen krijg, en zo zijn er vele in dit boek.

In de proloog belooft ze dat haar ‘memoir’ bestaat uit een keuze uit de „blizzard van beelden” die haar geheugen bestormt. Zich bedienend van de toffe toon van iemand die geleerd heeft van zich af te bijten, sleurt ze haar lezers mee in verhalen, anecdotes, avonturen vol bekende en onbekende vrienden, vijanden, geliefden. Ze neemt stelling. Ze vereffent rekeningen. Ze debiteert levenswijsheden. Ze biedt puntsgewijze zelfhulp voor het bepalen van de namen van romanpersonages. Ze herinnert zich een perfect, gehaakt wit mini-jurkje. Ze weet een probaat middel tegen wintertenen. Ze somt op uit welke groentes de beste wijn te stoken valt. Voor haar relatieproblemen gaat ze in gesprek met zichzelf als Lieve Lita.

Het boek stuitert heen en weer, het ene moment hangt Atwood de pias uit, een volgende bladzijde wijdt ze aan serieuze politieke of maatschappelijke ontwikkelingen. Ze beweent de aids-epidemie, beschrijft de wanhoop die corona teweeg bracht, roept met navrante details de online haatcampagne op die haar trof. Maar ze dramatiseert niet, haar verontwaardiging houdt ze onderkoeld.

En vergeet niet: nu is ze wereldberoemd en rijp voor de Nobelprijs voor Literatuur (toen Kazuo Ishiguro ’m kreeg verontschuldigde hij zich bij Atwood, hij vond dat zij ’m had moeten krijgen). Maar haar doorbraak kwam niet bij toverslag. Op haar debuut in 1961 volgt een lange lijst romans. Goed ontvangen,  maar ook nogal eens gereserveerd, voor nogal wat critici zijn ze te heftig. In 1985 kwam de geest uit de fles met The Handmaid’s Tale, en zelfs dat ging aarzelend.

Atwood beschijft in Boek vol levens hoe ze al jong schrijfster is, niet als wens of streven, voor haar is dat een feit: „Ik schreef en schreef en schreef maar door”. Ze begint met gedichten („ik weet niet meer waarom”), haar poëzie blijft een constante in haar oeuvre. Ook in haar memoir, waarin ze een van haar gedichten citeert als ze blijk wil geven van angst en beven, woede, verdriet, twijfel of weerzin. Zo begeleidt haar gedicht ‘De hospita’ (1968) een passage over haar machteloosheid als berooide kamerbewoonster:

„Ze iseen ruwe stemdie huishoudt in de kamers onder me.”

In het oorspronkelijke ‘The Landlady’ staat er:

„She isa raw voiceloose in the rooms beneath me.”

Dat ‘huishoudt’ met zijn dubbele verwijzing (naar de schoonmaak en naar geweld) is een volmaakte vondst van vertalers Lidwien Biekmann en Frank Lekens. Ik kan het niet laten om ook te noteren wat zij maakten van Dorothy Parkers fameuze „men seldom make passes at girls who wear glasses”, namelijk dat „geen man wat wil van een vrouw met een bril”. Prachtig toch?

Margaret Atwood werd schrijfster in een tijd dat haar vaderland Canada cultureel gesproken braak lag. De Canadese kunstenaar werd pas bij succes in de VS serieus genomen. Maar: „Niets motiveert beter dan een blanco pagina”, althans, als je Margaret Atwood bent. Met haarzelf als een van de aanstichters zie je in haar memoir de Canadese literatuur ontkiemen vanuit een subcultuur van jonge literatoren. Ze is een onvermoeibare plannenmaakster die zich haar leven lang sterk maakt voor literaire uitgeverijen, prijzen en evenementen, nu ja, voor alles wat ze kan verzinnen om zowel de schrijvende als de lezende Canadees een bedding te verschaffen.

Canada keek lange tijd vreemd tegen haar aan, dat beseft ze en dat amuseert haar. Haar vanzelfsprekende feminisme, zowel in het dagelijks leven als in haar werk, leidt tot hilarische voorbeelden van seksisme („mijn vrouw is dol op uw boeken”, zegt een meneer tegen haar en zij vult de subtekst in: „ik niet, ik ga liever gewoon  dood”). Giftig ventileert ze haar ontzetting over de routineuze aanranding van „jonge dichteressen”, die door machtige mannen worden beschouwd als „dolgedraaide bacchanten die zelfs in waren voor seks met een teckel”.

En haar werk? De titels van de hoofdstukken verwijzen naar enkele van haar romans, maar verwacht niet meer informatie dan „haar wangen kon ik goed gebruiken” voor dat ene personage. Ze is een ekster, een auteur die overal materiaal in herkent.

En net als je denkt, alles goed en wel, maar over The Handmaid’s Tale zou ik wel graag meer willen weten. Komt goed, Atwood levert.

De roman speelde sinds 1981 door haar hoofd, toen ze geobsedeerd raakte door de „puriteinse theocratie waar de VS op gebaseerd” is. Ze vond inspiratie bij Orwells 1984 en bij Kaputt van Curzio Malaparte. Ze verdiepte zich in de heksenprocessen van Salem en analyseerde de Heksenhamer, het vijftiende-eeuwse handboek voor de Europese heksenjagers die duizenden vrouwen ter dood lieten brengen.

In 1985 kwam Handmaid uit. Toen leek het een sterk verhaal, schrijft Atwood. Maar „tegenwoordig is het zo onwaarschijnlijk niet meer”.

Boek vol levens is een proeve van onverschrokken enthousiasme, over alles. Over schrijvers en over boeken en bundels. Over vriendschappen. Zelfs over een muizenplaag in haar boerderij.  Over het schrijven, natuurlijk over het schrijven, als roeping. Maar het meeste enthousiasme sproeit ze uit over haar geliefde, kameraad, partner in crime. Vader van haar dochter. Over Graeme, man van eigenzinnige fratsen. De man die haar bewondert en die zij terug bewondert. Ook als hij dementeert, ook als hij sterft. Atwoods Boek vol levens is bovenal de memoir aan een jaloersmakende liefde.

Schrijf je in voor de nieuwsbrief NRC Boeken

Het laatste boekennieuws met onze recensies, de interessantste artikelen en interviews

Source: NRC

Previous

Next