Home

Vuurwerk was altijd al volkomen nutteloos maar van een verschrikkelijke schoonheid

Vuurwerk Van veel dingen vragen we ons niet meer af waar hun oorsprong ligt. In deze rubriek wordt gezocht naar het begin der dingen. Dit keer: vuurwerk.

Japans vuurwerk uit de 18de eeuw.

De Engelse schrijver Samuel Johnson moest in de achttiende eeuw al niets van vuurwerk hebben. Hij schreef een brief naar aanleiding van de grote vuurwerkshow die in 1749 in Londen werd gegeven door koning George II om de Vrede van Aken te vieren en hekelde de verkwisting die aan vuurwerk ten grondslag ligt. Het kost veel en er blijft niets van over. „A crowd, a shout and a blaze”, schreef Johnson. Poeffff. En weg is het.

Maar het is juist die verkwisting die vuurwerk zo bijzonder maakt. Nu nog veel meer dan in 1749, ook al was dat het jaar waarin componist Georg Händel zijn Music for the Royal Fireworks componeerde. Dat vuurwerk was een staatsaangelegenheid. Nu doet men het zelf. En waarvoor? Wordt er iemand wijzer van? Het is een rijk land waar men zoveel geld kan uitgeven aan iets volkomen nutteloos.

Vuurwerkshow in 1749 in Londen, gegeven door koning George II om de Vrede van Aken te vieren. Händel componeerde de muziek.

 Miljoenen euro’s (118 miljoen in 2024)  worden in Nederland de lucht in geschoten en  er blijft niets van over dan een herinnering aan een kortstondig moment van vervoering, van verbazing, van angst en ja, van schoonheid. Mooi en verschrikkelijk – subliem.  Willens en wetens smijten mensen met geld voor iets wat toch in ieder geval deels een esthetische ervaring is, een anarchistisch-kapitalistisch spektakel van  sterren en kometen, fonteinen en watervallen, paardenstaarten en chrysanten, kokosnoten, palmbomen, kronen, spinnen en scholen vissen; ze vullen de lucht met felle kleuren om uiteen te spatten en voorgoed voorbij te zijn.

Bamboestokken

Vuurwerk is uitgevonden in China (of is het toch India?), eerst de knallen, later de kleuren. Stokken van bamboe die op een vuur werden geworpen, bleken door de uitzettende lucht in de holle stengels flinke knallen te laten horen. Ongeveer twee millennia geleden begon men dat expres te laten gebeuren. Later, waarschijnlijk in de negende eeuw, werden die knallen nog veel luider door de stengels te vullen met buskruit: het ontvlambare mengsel van salpeter, zwavel en  houtskool waarop Chinese alchemisten stuitten toen ze op zoek waren naar onsterfelijkheid middels een levenselixer. In vroege recepten voor buskruit worden vaak nog andere dingen toegevoegd aan het mengsel, zoals uiensap, inkt, honing, urine of arsenicum. Die bleken uiteindelijk allemaal niet nodig, noch voor het zaaien van dood en verderf, noch voor het oogsten van vluchtige schoonheid.

Buskruit bereikte Europa omstreeks 1300. Boze geesten hoefden er hier niet per se mee verjaagd te worden, al was het ook in deze streken al gebruik geweest om met oud en nieuw tegen die geesten met lawaai op te treden. Die traditie bereikte Nederland vanaf de negentiende eeuw weer via Indonesië en kreeg pas na de Tweede Wereldoorlog dankzij de opkomst van het consumentenvuurwerk de vorm die het nu nog heeft. Vuurwerk werd eerder vooral gebruikt ter meerdere eer en glorie van vorsten en hun rijken; de geboorte van een prins of prinses hier, het winnen van een oorlog daar.

In Italië deden aan het ontwerpen van zo’n spektakel vaak grote kunstenaars mee. In zijn overzicht A History of Fireworks from Their Origins to the Present Day (2024) noemt John Withington Michelangelo, Leonardo da Vinci en Bernini. Wat zij precies maakten is dan weer niet overgeleverd. Sommige pyrotechnici werden ook als kunstenaars beschouwd, zoals Claude Ruggieri, pyrotechnicus van Lodewijk XVI. Ruggieri is waarschijnlijk de eerste die met een raket levende wezens de lucht in schoot. Naar verluidt lanceerde hij ratten en muizen die aan kleine parachutes weer naar de aarde terugkeerden. Ruggieri was ook een van de eersten die in Europa gekleurd vuurwerk wisten te produceren. Pas vanaf de negentiende eeuw kreeg vuurwerk hier de kleuren die wij nu kennen.

Tussen kunst en kitsch

Vuurwerk hoort toch meer in het domein van de kitsch dan van de kunst. Zelfs het gebruik van drones verhelpt dat niet – andere middelen, dezelfde Eurovisiesongfestivalachtige uitstraling. Glitter boven alles. De Franse schrijver Louis de Cahusac vergeleek in de achttiende eeuw in Diderots Encyclopédie de charme van vuurwerk met die van papieren knipsels. Aardig, maar veel stelt het niet voor. Ook vuurwerk moet een verhaal vertellen, deel uitmaken van een grand design. De Cahuzac kon nog niet weten wat Matisse twee eeuwen  later met de knipseltechniek zou doen.

Een kunstenaar die het vuurwerk naar zo grote hoogte weet te brengen is er nog niet. De beste kandidaat is de Chinese kunstenaar Cai Guoqiang, die letterlijk schildert met buskruit. Cai Guoqiang maakte in oktober een show ter gelegenheid van de sluiting van het Centre Pompidou in Parijs, waarin kunstwerken als de fontein van Duchamp, een Nana van Niki de Saint Phalle en een knipsel van Matisse op de gevel van het gebouw te zien waren.

Maar ook dit ‘laatste carnaval’ was een beetje songfestival. Veelbelovender was de gouden ladder die de kunstenaar in 2015 in China het heelal in liet klimmen. Hoger en hoger reikten de sporten. Een simpel idee dat schitterend uitgevoerd werd en alle bloemen, fonteinen en palmbomen naar de kroon steekt. Zulke kunstwerken zijn meer dan ooit nodig nu het nationale vuurwerkverbod volgend jaar ingaat. Dan kan het sublieme alleen nog van kunst komen.

Schrijf je in voor de nieuwsbrief NRC Cultuurgids

Elke donderdag de mooiste verhalen over kunst en cultuur: interviews, recensies en achtergronden

Source: NRC

Previous

Next