Onderzoeker Joëlle Fennebeumer waarschuwde in haar opiniestuk voor het gevaar van stigmatisering van minderheidsreligies door het woord ‘sekte’. Dat label zou volgens haar nuance verdringen en beleid belemmeren. Volkskrant-lezers reageren.
Volgens onderzoeker Joëlle Fennebeumer is de term ‘sekte’ een onterecht negatieve benaderingswijze, omdat sekteleden wel degelijk zingeving ervaren, en dat die aan een sterke behoefte voldoet. Ook voelen ze zich minder eenzaam. Maar wat als die zingeving gebaseerd is op onzinnige en zelfs schadelijke ideeën? Mensen hebben ook behoefte aan ontspanning, moeten we ze dan allemaal kalmerende middelen voorschrijven? Zingeving en groepsbeleving is ook mogelijk zonder mensen voor te liegen. Dat ‘sekte’ een negatieve connotatie heeft klopt, maar dat is ook terecht.
Marcus van Engelen, Leiden
Als ervaringsdeskundige en ex-lid van De Deur, voorzitter van Stichting De Deur Uit en medeoprichter van Vrijhartig Training en Advies, las ik het opiniestuk van Joëlle Fennebeumer met herkenning én zorg.
Haar kernpunt klopt, het label ‘sekte’ kan het gesprek verharden en nuance verdringen. Wie alleen vanuit incidenten praat, mist de vraag waarom mensen toetreden, wat zij zoeken, en waarom een vertrek vaak ambivalent voelt. Dat inzicht is waardevol voor beleid, zeker als het beleid nu te vaak pas reageert nadat schade zichtbaar is.
Toch vind ik de conclusie gevaarlijk naïef. In de praktijk heeft het label ‘sekte’ een waarschuwende lading. Wie het begrip vooral benadert als contraproductieve terminologie, dempt een signaal dat voor veel mensen juist beschermend werkt. Nuance kan dan onbedoeld de drempel verlagen om zich aan te sluiten, precies bij groepen waar de risico’s zich pas later laten zien.
Daar komt bij dat sektarisme een spectrum is. Het stuk past vooral op bewegingen die dicht tegen de rand van sektarische dynamieken aan zitten. Daar kunnen leden oprecht positieve elementen ervaren, structuur, gemeenschap, zingeving. Dat neemt niet weg dat dezelfde omgeving tegelijk mechanismen kan hebben die mensen beschadigen en vertrek bemoeilijken. Het probleem is dat ‘ik zit hier goed’ niets zegt over de mate van autonomie, de ruimte voor kritiek, de aanwezigheid van sociale controle, en de prijs die iemand betaalt als die afwijkt.
Fennebeumer schrijft terecht dat steun en schade gelijktijdig kunnen bestaan. Alleen volgt daar niet automatisch uit dat het label ‘sekte’ minder bruikbaar wordt. Het betekent juist dat je scherper moet kijken naar de mechanismen die bepalen of die schade structureel is, wie er kwetsbaar voor is, en hoe moeilijk het is om je eraan te onttrekken.
Een tweede punt is methodisch, interviews met mensen die nog in een gesloten groep zitten leveren zelden het volledige beeld op. Er heerst vaak een cultuur waarin eerlijk spreken consequenties heeft. In sektarische contexten geldt geregeld dat kritiek als verraad wordt gezien. Wie de groep ter discussie stelt, riskeert correctie, isolatie, of verstoting. Dat heeft invloed op wat iemand durft te zeggen, ook tegen een onderzoeker, en zelfs op wat iemand aan zichzelf kan toegeven.
Ik herken dat uit mijn eigen tijd in De Deur. Ik zou destijds zonder aarzelen hebben gezegd dat ik het er naar mijn zin had. Maar mijn referentiekader was beperkt, ik had nauwelijks vergelijking, en sociale druk voelde als normaal. Autonomie leer je pas herkennen als je die ooit echt hebt ervaren. Een interview met een huidig lid kan daarom een coherent, genuanceerd verhaal opleveren, terwijl juist die nuance mede gevormd is door aanpassing, loyaliteit en aangeleerde taal.
Daarom schuurt de oproep om het label ‘sekte’ vooral te nuanceren. Het gesprek hoort te gaan over waarom dat label wordt gebruikt, en welke kenmerken en patronen het label rechtvaardigen. Niet over de mogelijke reputatieschade voor organisaties die door eigen misstanden dat label hebben opgeroepen. Als je primair focust op terminologie, krijgt de groep indirect bescherming, terwijl de last bij (ex-)leden blijft liggen om hun ervaringen telkens te verdedigen.
Een beleidsmatige benadering die echt preventief wil zijn, stelt andere vragen dan ‘is dit woord te hard’. Dan gaat het over toetsbare dynamieken, bijvoorbeeld sociale druk, beperkt contact met alternatieven, het afstraffen van twijfel, het idoliseren van leiderschap, het normaliseren van controle, en de uittredingskosten die mensen emotioneel, sociaal en praktisch betalen. Als je die factoren helder maakt, ontstaat vanzelf onderscheid tussen groepen waar deelname en vertrek daadwerkelijk vrijwillig blijven, en groepen waar vrijwilligheid langzaam uitgehold wordt.
Nuance is nodig, maar wel nuance die beschermt. Het woord ‘sekte’ is grof, beladen, soms onzorgvuldig gebruikt. Toch is het voor veel mensen ook een rode vlag die voorkomt dat ze een omgeving binnenstappen die pas later zijn prijs laat zien. Wie die vlag te snel neerhaalt in naam van nuance, maakt het debat misschien netter, maar niet veiliger.
Joel E. Crosby, Zwolle
In haar opiniestuk over het label ‘sekte’ bepleit onderzoeker Joëlle Fennebeumer om ‘minderheidsreligies’ niet te snel een sekte te noemen, omdat dat de gelaagdheid en complexiteit van de geloofsbeleving van leden en ex-leden zou overschaduwen. Voor mij, als onvrijwillig sektelid van het Apostolisch Genootschap in de jaren zeventig en tachtig, leest dit stuk vooral als een semantische discussie.
Een cruciaal punt komt hier namelijk niet aan de orde. Want, in tegenstelling tot volwassenen die zelf beslissen of ze tot een religie willen toetreden of willen vertrekken, hebben kinderen in besloten geloofsgemeenschappen geen keuze. Zij worden geboren en getogen in een systeem waarin ze een hoge mate van geestelijke onvrijheid kunnen ervaren, waaraan ze niet kunnen ontsnappen. Zij lopen het risico op te groeien met een gespletenheid die diepe sporen kan nalaten en krijgen te maken met ontwikkelings- en persoonlijkheidsstoornissen, omdat het eigen ik onvoldoende ruimte krijgt om zich op een gezonde manier te vormen.
Belangrijker dus dan een discussie over terminologie, lijkt me discussie over de positie van kinderen in dit soort situaties en dat de politiek zich hard maakt voor het stoppen met bijzonder onderwijs. Zodat kinderen ten minste op school een andere boodschap meekrijgen dan thuis.
Maaike Veldhuizen, Amsterdam
Sinds 35 jaar zing ik in een koor dat bijdraagt aan een katholieke viering. De laatste drie jaar gebeurde dit achtereenvolgens in drie verschillende parochies. Steeds voelde het koor zich genoodzaakt afscheid te nemen van het pastoraal team en kerkgebouw, omdat door veranderingen in opstelling van de voorgangers er een vertrouwensbreuk ontstond met de parochiegemeenschap.
Steeds stel ik mezelf de vraag of de schade die ik ervaar door lid te blijven van een autocratisch geleide ‘katholieke’ kerk opweegt tegen de steun die ik ervaar door samen te zingen met mensen waarmee ik 35 jaar vriendschap deel, voor kerkgangers die trouw iedere maand naar onze muziek komen luisteren, die ons als koor blijven steunen, en waarmee ik belangrijke waarden deel.
De tweestrijd die volgelingen van minderheidsreligies ervaren en die onderzoeker Joëlle Fennebeumer beschrijft als ‘ambivalenties’ zijn kennelijk niet uniek voor minderheidsreligies. Fennebeumer benoemt ‘parallellen met politieke bewegingen, activistische netwerken en zelfs studentenorganisaties’. Ik zou aan dat rijtje ook de gevestigde religies zoals bijvoorbeeld het Christendom (en Islam) willen toevoegen.
Hierdoor wordt het risico van stigmatisering van minderheidsreligies door gebruik van het woord ‘sekte’ alleen maar duidelijker: het gevaar namelijk te vergeten dat ook (kleiner wordende) meerderheidsreligies kunnen worden misbruikt als instrument voor het beperkt belang van autocraten.
Gerard Rongen, Nijmegen
Wilt u reageren? Stuur dan een opiniebijdrage (max 700 woorden) naar opinie@volkskrant.nl of een brief (maximaal 200 woorden) naar brieven@volkskrant.nl
Geselecteerd door de redactie
Source: Volkskrant