Politiemensen over die ene melding, wat er daarna gebeurde en hoe dat hun kijk op het vak heeft veranderd. Pascal Bronkhorst (43) moest als hoofdagent naar een melding van overlast, en werd totaal onverwacht gedwongen zijn wapen te trekken.
is politie- en justitieverslaggever van de Volkskrant.
‘We waren ’s nachts op zoek naar de dief van een motorfiets nadat we de aangifte hadden afgehandeld, maar werden weggeroepen voor een melding van geluidsoverlast. We konden buiten de muziek al horen boven in een portiekwoning, het dreunde door de hele flat.
‘Vanwege de kou hadden we handschoenen aan. Alsof de duvel ermee speelde, deed ik halverwege de trappen mijn handschoenen uit en legde ze op een muurtje. ‘Waarom doe je dat?’, vroeg Sonny, de student met wie ik nachtdienst had. ‘Ze zijn nieuw en strak’, antwoordde ik. ‘Als er iets gebeurt, zitten ze in de weg.’
‘Bovenaan was tussen twee voordeuren een heel klein plateautje. Sonny moest achter me staan, zo klein was het. Ik belde aan: geen reactie. Dus ik klopte hard op de deur. Meteen ging de muziek uit en schreeuwde iemand boos: ‘Wie is daar?’
‘Ik riep terug dat we van de politie waren, dat we kwamen voor overlast en of hij wilde opendoen. Wat volgde was Haags gescheld, oprotten, wegwezen, ‘jullie moeten opkankeren’. Omdat dit vaker een overlastgevend adres was, zei ik: ‘Nee, we willen echt even met je praten.’
‘Vervolgens zwaaide de deur open, maar de bewoner bleef een meter terug in de hal staan. Ik scande hem en kon alles zien behalve zijn rechterhand, die hij achter een muur hield. ‘Laat je handen zien!’, riep ik. ‘Die krijg je niet te zien’, reageerde hij geïrriteerd. Mijn intuïtie schreeuwde: dit is niet goed.
‘Ik ging wijdbeens staan, linkerbeen voor, rechts achter, greep het holster van mijn vuurwapen, deed heel demonstratief de klep open en commandeerde: ‘Je laat nú je handen zien.’ Daarop stapte die man naar voren en kwam hij met een tomahawk, zo’n hakbijl die je aan twee kanten kunt gebruiken, mijn kant op.
‘Dan gaat alles supersnel, maar voor je gevoel in slow-motion. Ik trok mijn pistool en richtte, waarna hij schrok en een freeze-reactie kreeg. ‘Laat die bijl vallen!’, riep ik. Omdat hij die bijl nog steeds boven z’n hoofd hield, klaar om te gooien en door de korte afstand zéker mij of m’n maatje zou raken, ratelden allerlei juridische afwegingen heel snel door mijn hoofd: een aanhoudingsvuur is schieten op niet-vitale delen, met het risico dat ik alsnog een bijl in mijn gezicht krijg. Schieten uit noodweer is op de romp, dan schakel je iemand definitief uit. Dood.
‘En op de schiettrainingen heb ik geleerd dat ik altijd ‘rukkers’ heb; als ik de knal verwacht, knijp ik onbewust in mijn wapen, waardoor het schot naar links of rechts afwijkt. Dat gaat allemaal in fracties van seconden door je hoofd. Ik dacht uiteindelijk: jij laat die bijl niet vallen, je bent een dreiging, ik heb maar één kans, ik ga een aanhoudingsvuur plaatsen en richtte bewust op zijn knieën, dat doet het meest pijn. En ik dacht: géén rukker, géén rukker. Doelbewust en hypergefocust haalde ik langzaam de trekker over.
‘We hadden nog het oude wapen, de Walther P5. Ik zag de hamer naar achteren gaan en de slagpin omhoogkomen en wachtte op ‘BOEM’. Vlak voor dat moment, voordat het schot kwam, liet hij ineens die bijl vallen. Ik ontspande mijn vinger en liet de trekker los. De slagpin ging weer naar beneden, de hamer weer terug. Door de hyperfocus had ik niet gemerkt dat Sonny om assistentie had gevraagd, dat er sirenes kwamen en dat twee collega’s waren binnengekomen.
‘‘Op je knieën!’, riep ik. ‘Handen op je hoofd!’ Mijn maatje wurmde zich langs mij heen om hem te boeien en klem te zetten tegen de muur, terwijl ik hem onder schot hield. Toen Sonny hem fouilleerde, vond hij ook nog een dolk in zijn broeksband. Op dat moment namen de collega’s het van ons over, zij voerden die man af.
‘Toen iedereen weg was en Sonny en ik daar met ons tweeën op dat kleine plateautje stonden, kwam de ontlading. ‘Waar was jij?’, vroeg ik voor de grap. ‘Ik stond al die tijd achter je, maar wel met mijn vingers in m’n oren’, antwoordde Sonny, want een schot in zo’n halletje klinkt ontzettend hard.
‘We gaven elkaar een high five en liepen samen naar beneden. Halverwege zag ik mijn handschoenen liggen en zei: ‘Ik zei het toch?’ Alsof ik een voorgevoel had: dit kon weleens heel erg misgaan. Ik vertel deze casus steeds aan collega’s en leer ook de voetbalmeiden die ik train: train altijd alsof het echt is. Voor dat ene moment dat je op je routines moet terugvallen.
‘En wees altijd scherp. Juist als je het niet verwacht, zoals bij een simpele melding van geluidsoverlast, kun je in heel vervelende situaties terechtkomen. Ik had de beslissing om te schieten al genomen. Als je bij de politie werkt, vragen mensen altijd: ‘Heb je weleens iemand neergeschoten?’ Het scheelde niks, maar ik kan nog steeds zeggen: ‘Nee. Gelukkig niet.’’
Geselecteerd door de redactie
Source: Volkskrant